Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200101476/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 255K
Gst. 2003, 109 met annotatie van R.J.N. Schlössels
O&A 2002, p. 138 (nr.4)
JB 2002/303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101476/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad der gemeente Tytsjerksteradiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft verweerder het verzoek van appellant om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 7 december 2000, GOW/ROB-9902251, verzonden op 11 december 2000, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 januari 2001, bij de rechtbank te Leeuwarden ingekomen op 3 januari 2001 en na doorzending bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 januari 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 februari 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2002, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. W.J.Th. Bustin, en verweerder, vertegenwoordigd door P. Doeven en W. Paauw, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant stelt schade te lijden ten gevolge van het vaststellen door verweerder op grond van de Wet geluidhinder van een geluidszone (zonebesluit) rond het bedrijfsterrein waarop zijn woning is gelegen. Als gevolg hiervan geniet hij geen bescherming meer tegen geluidhinder van op het bedrijfsterrein gelegen bedrijven. Zijn huis is derhalve onverkoopbaar en zijn leefomgeving is ernstig verslechterd. Hiervoor verzoekt hij verweerder nadeelcompensatie.

2.2. Verweerder heeft het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband tussen het zonebesluit en de gestelde schade.

2.3. Appellant doet zijn verzoek om nadeelcompensatie berusten op het besluit van 26 juni 1986, waarbij de gemeenteraad een geluidszone als bedoeld in artikel 56 in samenhang met artikel 53 van de Wet geluidhinder, zoals deze toen gold, heeft vastgesteld. Dit zonebesluit is bij besluit van 6 november 1986 door gedeputeerde staten van Friesland goedgekeurd.

Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 6 mei 1997, no. H01.96.0578/Q01, AB 1997/229) heeft overwogen, is de schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid - ook indien dat verzoek niet op een specifieke wettelijke grondslag is gebaseerd - een besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het schadeverzoek van appellant is gebaseerd op schade die zou zijn veroorzaakt door het besluit van verweerder op grond van artikel 56 in samenhang met artikel 53 van de Wet geluidhinder. De schriftelijke beslissing op het verzoek om vergoeding van schade is derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. In voormelde uitspraak heeft de Afdeling tevens overwogen dat de bestuursrechter slechts bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen een zogeheten zuiver schadebesluit, indien die rechter dat ook is ten aanzien van de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, staat ook geen beroep open tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van schade die daardoor is veroorzaakt. Een wettelijke belemmering in de bevoegdheid van de bestuursrechter kennis te nemen van een tegen de schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid gericht beroep werkt aldus door in zijn bevoegdheid kennis te nemen van een beroep tegen een naar aanleiding van die bevoegdheidsuitoefening genomen schadebesluit.

2.5. Ingevolge artikel 145 van de Wet geluidhinder, zoals deze gold ten tijde van de vaststelling van de geluidzone, stond geen beroep open tegen het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad, doch uitsluitend tegen het besluit omtrent goedkeuring van gedeputeerde staten. Eerst bij de toetsing van dat besluit kon de rechtmatigheid van het vaststellingsbesluit aan de orde komen.

Nu de bestuursrechter niet bevoegd was kennis te nemen van een beroep tegen de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid - de vaststelling van de geluidszone - brengt het hiervoor uiteengezette uitgangspunt met zich mee dat hij evenmin bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen het besluit van 4 oktober 1999, strekkende tot het afwijzen van het verzoek van appellant om vergoeding van de door de vaststelling van de zone veroorzaakte schade. Hieruit volgt dat tegen het besluit van 4 oktober 1999 geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld en dat daartegen op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht evenmin bezwaar kan worden gemaakt.

2.6. Verweerder heeft niettemin bij besluit van 7 december 2000 beslist op het bezwaarschrift van appellant. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 17 augustus 1995, no. H01.95.0109, Bouwrecht 1995, pag. 846) is een beslissing op bezwaar als zodanig een besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, daargelaten of deze rechter ook bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het primaire besluit. In het kader van een dergelijk beroep staat centraal of het betrokken bestuursorgaan bij het nemen van de beslissing op bezwaar tot een juist oordeel over de ontvankelijkheid van de bezwaren is gekomen. In dat verband speelt een rol of het primaire besluit voor beroep vatbaar was.

2.7. Indien de wet geen bepaling kent die de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd acht, volgt uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht dat de rechtbank de bevoegde rechter is. Gelet op het bovenstaande kan de rechtbank evenwel, na doorzending van het beroepschrift, niet tot een ander oordeel komen dan de Afdeling. Aangezien de Afdeling daarenboven bevoegd is op het hoger beroep te beslissen, ziet de Afdeling om redenen van proceseconomie af van doorzending van het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar de bevoegde rechtbank en doet zelf uitspraak op het beroep.

2.8. Nu tegen het primaire besluit geen beroep openstaat, had verweerder appellant niet-ontvankelijk in zijn bezwaar moeten verklaren. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad der gemeente Tytsjerksteradiel van 7 december 2000, GOW/ROB-9902251;

III. verklaart het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt de raad der gemeente Tytsjerksteradiel in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Tytsjerksteradiel te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Tytsjerksteradiel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Gastel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

261-410.