Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7213

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200202191/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/305
AB 2003, 207 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
M en R 2002, 257K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202191/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 7 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen (hierna: burgemeester en wethouders) appellant gelast het dierenverblijf op het perceel [locatie] binnen 10 weken na dagtekening van de brief te verwijderen, of te verplaatsen, onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,- met een maximum van ƒ 40.000,- voor elke week dat niet aan de lastgeving wordt voldaan.

Bij besluit van 2 november 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van Commissie voor de Bezwaarschriften van 16 oktober 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 7 maart 2002, verzonden op 7 maart 2002, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft mr. H.C.J. Oomen, advocaat, namens appellant bij brief van 17 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.C.W. van Eekeren, advocaat te Nijmegen, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door N. Arts, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang. Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellant als overtreder van het in artikel 40 van de Woningwet neergelegde bouwverbod moet worden aangemerkt, nu hij het dierenverblijf zonder de vereiste bouwvergunning heeft gebouwd.

2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geen eigenaar is van het dierenverblijf. Burgemeester en wethouders, zo blijkt uit de processtukken, zijn door appellant hierop vóór het nemen van het bestreden besluit gewezen.

2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat burgemeester en wethouders in deze omstandigheid terecht geen aanleiding hebben gezien het primaire besluit te herroepen. Als voorwaarde voor het opleggen van een last onder dwangsom geldt dat de overtreder het in zijn macht heeft om aan de illegale situatie een einde te maken. Daarvoor is niet beslissend of hij eigenaar is van het gewraakte bouwwerk, maar of hij het feitelijk in zijn macht heeft aan de lastgeving te voldoen.

2.5. Uit de gedragingen van appellant voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit blijkt volgens de Afdeling dat hij de feitelijke macht uitoefende over het dierenverblijf. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het dierenverblijf door appellant is gebouwd en in gebruik genomen. Bovendien blijkt uit het bezwaarschrift dat appellant op het perceel sloopwerkzaamheden ten behoeve van de oprichting van het dierenverblijf heeft verricht en een deel van het perceel heeft ingericht voor het houden van kleindieren. Ook met het verzoek om legalisering en het indienen van het bezwaarschrift heeft appellant zich jegens burgemeester en wethouders opgeworpen als degene die het in zijn macht heeft over het dierenverblijf te beschikken.

2.6. Appellant heeft voorafgaand aan en ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op geen enkele wijze laten blijken dat, ondanks de hierboven vermelde gedragingen die onmiskenbaar op het tegendeel wijzen, hij het niet in zijn macht heeft om de illegale situatie te beëindigen. Het enkele feit dat appellant enkele dagen voor de zitting van de rechtbank verklaringen van zijn echtgenote en van zijn schoonvader overlegt, waarin zij, als economisch, respectievelijk juridisch, eigenaar aangeven dat zij appellant geen toestemming geven aan de lastgeving te voldoen, leidt niet tot het oordeel dat burgemeester en wethouders er bij hun bestreden besluit niet van uit mochten gaan dat appellant aan de lastgeving kon voldoen. Dat appellant, zoals ter zitting is aangevoerd, er om persoonlijke redenen voor heeft gekozen deze verklaringen niet eerder over te leggen kan, wat hiervan ook zij, burgemeester en wethouders niet worden tegengeworpen.

2.7. Ten aanzien van de vraag of het dierenverblijf kan worden gelegaliseerd komt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een vrijstelling een doorkruising van het beleid van openheid van het gebied zou betekenen, niet onjuist voor. Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat burgemeester en wethouders op grond van hun wettelijke bevoegdheid om vrijstelling te verlenen ingevolge artikel 19 lid 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet verplicht waren de gemeenteraad te raadplegen.

2.8. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders van handhavend optreden hadden moeten afzien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is noch in het hoger beroepschrift, noch tijdens de zitting in hoger beroep onderbouwd.

2.9. Ook de grief van appellant omtrent de hoogte van de dwangsom faalt. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden gezegd dat het bedrag van de dwangsom niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

17-429.