Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200106116/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 1
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106116/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie "Coöperatieve Rabobank West-Zeeuwsch-Vlaanderen U.A.", gevestigd te Oostburg,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2001, kenmerk 011380, hebben verweerders vastgesteld dat aan de Sint Annastraat 4/10 te Sluis sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering niet urgent is. Tevens is in dit besluit bepaald dat de verontreiniging voor het jaar 2022 beheersbaar moet zijn gemaakt en dat door de eigenaren tweejaarlijks monitoringsgegevens van het grondwater moeten worden overgelegd.

Bij besluit van 23 oktober 2001, kenmerk 019603/6, verzonden op 23 oktober 2001, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover daarin niet was opgenomen dat de eigenaren verantwoordelijk worden gehouden voor het aanleveren van monitoringsgegevens van het grondwater onder hun eigen perceel. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 mei 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H. van Haaften, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.P.J. Geurts en ing. G. Schrage, ambtenaren van de provincie,

zijn verschenen. Tevens zijn burgemeester en wethouders van Sluis-Aardenburg, vertegenwoordigd door I.A. Medard, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellante voert aan dat de verontreiniging ter plaatse van de Sint Annastraat 4 en de Sint Annastraat 10 door verweerders ten onrechte als één geval van bodemverontreiniging wordt beschouwd.

In artikel 1 bepaalt de Wet bodembescherming, voorzover hier van belang, dat onder een geval van bodemverontreiniging moet worden verstaan: een geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. In de "Circulaire Saneringsregeling Wet bodembescherming: beoordeling en afstemming" worden de elementen uit deze definitie nader toegelicht.

Gelet hierop overweegt de Afdeling dat er bij meerdere verontreinigingskernen slechts sprake is van één geval van verontreiniging als aan elk van de drie genoemde samenhangen is voldaan. Van een ruimtelijke samenhang is sprake als de verontreinigingskernen in elkaars nabijheid liggen. In het onderhavige geval is daar sprake van. Van een technische samenhang is sprake als de verontreinigingskernen het gevolg zijn van dezelfde activiteit. De verontreiniging is veroorzaakt door lekkende brandstoftanks van twee tankstations zodat wordt voldaan aan de eis van technische samenhang. Van een organisatorische samenhang is sprake wanneer de oorzaak of de gevolgen van de verontreiniging niet kunnen worden toegerekend aan verschillende organisatorische eenheden. In de onderhavige situatie is de verontreiniging afkomstig van verschillende bronnen. Dit neemt echter niet weg dat de gevolgen van de verontreiniging niet kunnen worden toegerekend aan verschillende organisatorische eenheden. Daarmee is hier sprake van één geval van bodemverontreiniging. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.2. Appellante voert aan de bodemverontreiniging onder haar perceel (St. Annastraat 10) in het verleden te hebben gesaneerd. De hierbij achtergebleven restverontreinigingen zullen, volgens appellante, door biologische afbraak inmiddels grotendeels verdwenen zijn. De in het grondwater onder haar perceel aangetroffen verontreiniging kan, volgens appellante, niet door de achtergebleven restverontreinigingen veroorzaakt zijn. Verweerders zijn er ten onrechte van uitgegaan dat haar perceel niet schoon was. Tevens zijn zij er, volgens appellante, ten onrechte van uitgegaan dat de door haar uitgevoerde sanering niet aan hen is gemeld.

Uit het evaluatierapport van de door appellante, zonder saneringsplan, uitgevoerde bodemsanering blijkt dat bij deze sanering restverontreinigingen zijn achtergebleven. Tevens blijkt dat geen afdoende maatregelen ter voorkoming van herverontreiniging zijn getroffen. Gelet hierop en gelet op de door de deskundige uitgevoerde berekeningen stelt de Afdeling vast dat het niet onaannemelijk is dat de geconstateerde grondwaterverontreiniging onder het perceel van appellante veroorzaakt is door de bij de sanering achtergebleven restverontreiniging. De vraag of de door appellante uitgevoerde sanering al dan niet aan verweerders is gemeld doet hieraan niet af. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3. Appellante voert verder aan dat in het bestreden besluit verplichtingen voor de eigenaar van het perceel aan de Sint Annastraat 4 hadden moeten worden opgenomen om beheersmaatregelen te treffen ter voorkoming van verdere verontreiniging van het perceel van appellante.

Verweerders stellen dat niet vast staat dat de verontreiniging onder het perceel van appellante afkomstig is van het naburige perceel en niet van de restverontreinigingen onder het perceel van appellante zelf. Tevens stellen zij dat de niet-urgente status van het geval van verontreiniging de door appellante gevraagde afschermingsmaatregelen niet rechtvaardigt.

Artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt, voorzover hier van belang, dat gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, tevens vaststellen of er sprake is van urgentie om het geval te saneren. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten bij deze beschikking kunnen aangeven welke tijdelijke beveiligingsmaatregelen aan de sanering vooraf dienen te gaan en op welke wijze en tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van die maatregelen.

Gelet op het feit dat de onderhavige bodemverontreiniging van dien aard is dat er geen saneringsurgentie bestaat en gelet op de omstandigheid dat het perceel van appellante zelf onderdeel uitmaakt van het onderhavige geval van bodemverontreiniging is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de door appellante gewenste tijdelijke beveiligingsmaatregelen niet noodzakelijk zijn. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

315.