Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200105839/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105839/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2001, kenmerk B01/0032 MD 2000, hebben verweerders aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Unicontrol Commodity B.V.” (hierna: vergunninghoudster) een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een op- en overslagbedrijf voor agribulkproducten, gelegen op het perceel Hornweg 6 te Amsterdam (kadastrale aanduiding onbekend). Dit aangehechte besluit is op 17 oktober 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2002. Zowel appellanten als verweerders zijn niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.2. Appellanten hebben geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Het bepaalde in artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing. In hun beroep voeren appellanten aan dat zij destijds geen kennisgeving met betrekking tot het ontwerp van het besluit hebben ontvangen en dat op hun woonadres geen plaatselijk huis-aan-huisblad wordt bezorgd. Om die reden waren zij niet op de hoogte van de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit, aldus appellanten. Verweerders hebben in hun verweerschrift toegelicht dat zij abusievelijk geen toepassing hebben gegeven aan het bepaalde in artikel 13.4 van de Wet milieubeheer en dat aldus aan appellanten geen kennisgeving van het ontwerp van het besluit is toegezonden. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling voldoende omstandigheden aanwezig op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit te hebben ingebracht.

De Afdeling zal vervolgens inhoudelijk op de aangevoerde beroepsgronden ingaan.

2.3. De activiteiten van de onderhavige inrichting zijn gericht op de op- en overslag van agribulkproducten, zoals cacao, rijst, graan, peulvruchten en aanverwante stoffen. De inrichting is gesitueerd op het industrieterrein “Westpoort” te Amsterdam.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellanten voeren aan dat door verweerders niet afdoende is onderzocht of op het terrein van de inrichting sprake is van bodemverontreiniging. Naar hun mening konden verweerders zich niet uitsluitend baseren op het op 7 oktober 1996 uitgevoerde bodemonderzoek, aangezien destijds niet de gehele bodem via steekproeven is onderzocht en de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur hebben. Verder brengen zij in dit verband naar voren dat na dit onderzoek verschillende branden van rubbersnippers op het desbetreffende terrein hebben plaatsgevonden, waardoor de bodem opnieuw is verontreinigd.

2.5.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het op

7 oktober 1996 uitgevoerde onderzoek voldoende inzicht geeft in de aard en gesteldheid van de bodem. Derhalve achten zij het (doen) verrichten van een nader bodemonderzoek niet nodig. Verder menen zij dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden ter voorkoming van bodemverontreiniging.

2.5.2. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd, gelet op de stukken, geen grond voor het oordeel dat verweerders in het kader van de onderhavige vergunningverlening een nader bodemonderzoek hadden moeten (laten) uitvoeren. In dit verband merkt de Afdeling overigens nog op dat, zoals uit het verweerschrift is gebleken, de door appellanten bedoelde branden van rubbersnippers niet op het terrein van de onderhavige inrichting hebben plaatsgevonden.

In de aan de vergunning verbonden voorschriften onder D zijn eisen gesteld met betrekking tot de bodembescherming. Zo is onder meer voorgeschreven dat ter plaatse van bodemverontreinigende activiteiten bodembeschermende voorzieningen, zoals een vloeistofdichte vloer, en/of een vloeistofdichte afvoer aanwezig moeten zijn. Verder is voorgeschreven dat bij beëindiging van de activiteiten van de inrichting een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem dient plaats te vinden. De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften de kwaliteit van de bodem in voldoende mate beschermen.

2.6. Appellanten voeren aan dat het water in de aangrenzende haven ten onrechte niet is onderzocht. Zij vermoeden namelijk dat de bodem van deze haven zwaar vervuild is met slib. Zij betogen dat in het geval vergunninghoudster haar producten via het water zal aan- en afvoeren met zeeschepen, deze schepen niet in de zeehaven kunnen worden aangelegd. De betreffende schepen moeten aan de grote pier worden aangemeerd en hiertoe moeten palen worden geslagen, aldus appellanten. Dit houdt volgens hen in dat moet worden gebaggerd, waardoor vervuild slib naar boven komt. Zij voeren aan dat dit vervuild slib zich zal verspreiden in het water en dat verweerders hier ten onrechte aan voorbij zijn gegaan.

2.6.1. Verweerders stellen dat de door appellanten bedoelde zeeschepen in de zeehaven kunnen aanleggen. Van het slaan van palen voor het aanmeren aan de grote pier zal volgens hen dan ook geen sprake zijn.

2.6.2. Blijkens de stukken is de door appellanten bedoelde haven een zeehaven, die op een diepte van 10 meter is aangelegd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding te veronderstellen dat de zeeschepen in kwestie niet in de zeehaven, doch uitsluitend aan de grote pier, kunnen worden aangelegd. Nu het slaan van palen derhalve niet nodig is, slaagt deze beroepsgrond reeds om die reden niet.

2.7. Appellanten achten het ontstaan van een brand bij de opslag van cacao niet ondenkbaar. Zij voeren aan dat in het bestreden besluit ten onrechte geen voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot het lozen van bluswater op het oppervlaktewater.

2.7.1. Verweerders stellen dat de brandveiligheid binnen de inrichting voldoende is gewaarborgd. Van het lozen van bluswater op het oppervlaktewater is volgens hen geen sprake.

2.7.2. In de aan de vergunning verbonden voorschriften onder A zijn eisen gesteld met betrekking tot de brandpreventie en -bestrijding. De Afdeling is van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze voorschriften voldoende bescherming bieden terzake van de brandveiligheid. Verder is het de Afdeling gebleken dat het bluswater in beginsel via de bedrijfsriolering zal worden afgevoerd. Van het lozen van bluswater op het oppervlaktewater is derhalve geen sprake.

Deze beroepsgrond faalt.

2.8. Appellanten vrezen dat er vervuilde grond zal vrijkomen als gevolg van de bouw van de twee opslagloodsen op het terrein van de inrichting.

De Afdeling overweegt dat dit bezwaar geen rol kan spelen in de onderhavige procedure. Voor de bouw van deze opslagloodsen en de afvoer van (verontreinigde) grond is de regelgeving inzake de bouw en afvalstoffen van toepassing.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

179-404.