Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200200480/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2002/139 met annotatie van Kavsek
M en R 2003, 32K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200480/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief" te Wageningen en anderen,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Nijkerk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2001, kenmerk 16-2001, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een rundveehouderij op het perceel [locatie]. Dit aangehechte besluit is op dezelfde datum ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

[Naam] heeft zich blijkens de aangehechte verklaring van 16 mei 2002 teruggetrokken als mede-appellant in dit beroep.

Bij brief van 10 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door [gemachtigden], ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord, bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit heeft betrekking op de omwisseling van mestvarkens naar mestkalveren. Vergunning is verleend voor het houden van 23 melkkoeien, 15 stuks vrouwelijk jongvee en 530 vleeskalveren.

Voor de inrichting is eerder op 3 juli 1990 een revisievergunning krachtens de Hinderwet verleend. Op 28 oktober 1992 is een wijzigingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe rundveestal. Op grond van deze vergunningen mochten in de inrichting 23 melkkoeien, 15 stuks vrouwelijk jongvee, 102 vleeskalveren en 431 mestvarkens worden gehouden.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten hebben gesteld dat verweerders ten onrechte hebben geconcludeerd dat de vergunning uit een oogpunt van stankhinder kan worden verleend. Zij hebben daartoe betoogd dat in een stankoverbelaste situatie als de onderhavige, de stankemissie vanwege de inrichting verder toeneemt door de omwisseling van mestvarkens naar mestkalveren. Volgens hen kunnen de emissiefactoren genoemd in bijlage I van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) niet meer worden aangemerkt als de meest recente milieutechnische inzichten. Zij wijzen op het rapport “Geuremissie uit de veehouderij; Overzichtsrapportage 1996-1999” van het IMAG van september 2001 (hierna: het rapport). Volgens hen geldt voor mestkalveren op grond van dit rapport een hogere factor voor de geuremissie dan verweerders hebben gehanteerd. Het aantal mestvarkeneenheden is dan ook hoger dan in de eerder vergunde situatie, zodat verweerders zich ten onrechte hebben gebaseerd op bestaande rechten, aldus appellanten.

2.3.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn tot uitgangspunt genomen en wat de categorie-indeling betreft de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

2.3.2. Verweerders staan op het standpunt dat de in het rapport weergegeven onderzoeksresultaten niet van dien aard zijn dat deze hebben te gelden als de (maatgevende) milieuhygiënische inzichten. Zij hebben de berekening van de stankemissie van het in de inrichting aanwezige veebestand dan ook uitgevoerd aan de hand van de in bijlage 1 van de Richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 april 1998, no. E03.97.0115 (AB 1998, 199) geoordeeld dat de in bijlage 1 van deze richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren kunnen worden aanvaard als de meest recente milieutechnische inzichten. In het door appellanten aangehaalde rapport ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding anders te oordelen. Zo zijn onder andere de gegevens met betrekking tot de geuremissie van vleeskalveren uit het rapport slechts gebaseerd op de meting van één stallocatie, waarbij een verhoudingsgewijze hoge variatiecoëfficiënt geldt, zodat het niet mogelijk is een uitspraak te doen over de nauwkeurigheid van de uitkomsten. Reeds hierom is de Afdeling van oordeel dat het rapport in dit geval niet kan worden aangemerkt als weergave van de meest recente milieutechnische inzichten met betrekking tot het beoordelen van de door veehouderijen veroorzaakte stankhinder.

Verweerders hebben de stankemissie van de inrichting dan ook terecht bepaald met behulp van de in de bijlage van de Richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren.

2.3.3. Onbetwist is dat, indien de omrekeningsfactoren van de Richtlijn worden gebruikt, het aantal mestvarkeneenheden niet toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Verder staat vast dat de afstand van de inrichting tot de dichtstbijgelegen woningen groter wordt. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid ervan hebben kunnen uitgaan dat de situatie uit een oogpunt van stankhinder niet zodanig is, dat met toepassing van artikel 8.4 in samenhang met afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer de aan de vergunning verbonden voorschriften zouden moeten worden aangescherpt dan wel de vergunning geheel of gedeeltelijk zou moeten worden geweigerd. De beroepsgrond treft geen doel.

2.4. Appellanten hebben bezwaar tegen voorschrift 8.2. Zij zijn van mening dat verweerders niet hebben onderzocht of de daarin opgenomen uitzondering van het piekgeluidniveau nodig is of dat met behulp van maatregelen of voorzieningen aan de geluidgrenswaarden zou kunnen worden voldaan.

2.4.1. Blijkens het verweerschrift staan verweerders op het standpunt dat aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan, zodat de in voorschrift 8.2 opgenomen uitzondering van het piekgeluidniveau, die volgens hen abusievelijk in voorschrift 8.2 is opgenomen, niet noodzakelijk is. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

2.5. Het beroep is gegrond voorzover het de uitzondering voor de transportbewegingen in voorschrift 8.2 betreft. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Nijkerk van 12 december 2001, 16-2001, voorzover in voorschrift 8.2 is bepaald: “Dit voorschrift is niet van toepassing op transportbewegingen van en naar, en laden en lossen ten behoeve van, de inrichting, voorzover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur.”;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Nijkerk in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Nijkerk te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Nijkerk aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Berg w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

154-324.