Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200003057/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200003057/2.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten], allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

3. [appellant], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2000 hebben verweerders met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer de voorschriften van de revisievergunning die zij bij besluit van 17 april 1996 aan appellant sub 2 hebben verleend voor zijn slagersbedrijf en slachterij met schietruimte, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […], gewijzigd. Dit aangehechte besluit is op 19 mei 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 26 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2000, appellant sub 2 bij brief van 23 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2000, en appellanten sub 3 bij brief van 22 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2000, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 april 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 december 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellant sub 2 in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door ing. T.J.L.M. Schulpen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb), moet het bezwaar- of beroepschrift worden ondertekend en tenminste bevatten:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

In artikel 6:6 van deze wet is bepaald dat het bezwaar of beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen daarvan, niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een door hem daartoe gestelde termijn.

2.1.1. Door [appellanten sub 3] is beroep ingesteld. In het beroepschrift is niet vermeld wie deze omwonenden zijn. Dit is vermeld op de bijlage bij een brief van 17 juli 2000, die bij de Raad van State is ingekomen op 28 juli 2000, derhalve na afloop van de beroepstermijn.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 29 augustus 2000, no. 199903225/1, (JB 2000/296) heeft overwogen, kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. Daardoor zou voor deze personen de beroepstermijn worden verlengd, zonder dat sprake is van verschoningsgronden. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 Awb neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.

Gelet op het bovenstaande is het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk.

2.2. Bij het bestreden besluit hebben verweerders de voorschriften behorende bij de revisievergunning van 17 april 1996 ingetrokken en vervangen door nieuwe voorschriften, die gedeeltelijk overeenkomen met de oude. De inrichting waarop het besluit betrekking heeft, is gelegen in de bebouwde kom van Chaam. Op korte afstand van de inrichting bevinden zich woningen van derden.

2.3. Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.3.1. Appellanten sub 1 hebben de grond inzake het ten onrechte niet verlenen van een revisievergunning niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.2. Appellant sub 2 heeft de gronden inzake de voorschriften VII.3 en IV.39 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.3. Verweerders hebben gesteld dat het beroep van appellanten sub 1 voorts niet-ontvankelijk is voorzover het zich keert tegen de onduidelijkheid van de aanvraag voor de revisievergunning.

Anders dan verweerders hebben gesteld vindt de grond inzake onduidelijkheid van de vergunningaanvraag wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat de geluidoverlast, verkeersoverlast en stankoverlast zullen toenemen als gevolg van de uitgebreidere voorschriften. Binnen de reikwijdte van deze bedenkingen valt eveneens de grond dat de aanvraag onduidelijk is wat betreft de activiteiten die geluid-, verkeers- en stankhinder veroorzaken. Het beroep van appellanten sub 1 is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.4. Appellanten sub 1 voeren aan dat de bij besluit van 17 april 1996 verleende revisievergunning nooit is gepubliceerd. De aanvraag voor deze vergunning is huns inziens onduidelijk wat betreft de te duchten verkeers-, geluid- en stankhinder.

Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van het in deze procedure bestreden besluit en zijn reeds om die reden ongegrond.

2.5. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Appellanten sub 1 zijn van mening dat een slachterij als de onderhavige niet thuishoort in een woonomgeving en dat het bestemmingsplan in de weg staat aan de vestiging van een slachterij op deze locatie.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.7. Appellanten sub 1 stellen dat het ritueel slachten van dieren – een activiteit die in 1996 niet is vergund maar waarvoor bij het bestreden besluit wel voorschriften zijn gesteld - leidt tot een toename van het verkeer van en naar de inrichting en daardoor tot een toename van verkeers- en stankhinder.

Voorschrift III.5, waarin - kort gezegd - is bepaald dat op zon- en feestdagen overdag de geluidgrenswaarden gelden die op andere dagen ’s avonds gelden, vormt naar de mening van appellant sub 2 een te grote beperking voor het ritueel slachten. Hij ziet ook niet in waarom in de voorschriften VIII.1 tot en met VIII.5 aparte regels moesten worden gesteld voor het ritueel slachten.

Appellant sub 2 stelt verder dat voorschrift V.3, waarin – kort gezegd – is bepaald dat het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen en werktuigen moet plaatsvinden op een daarvoor bestemde overdekte spuitplaats, om planologische redenen niet nageleefd kan worden en onevenredig bezwarend is.

2.7.1. De Afdeling stelt vast dat de in 1996 verleende vergunning geen betrekking heeft op het ritueel slachten van dieren. Ook de in voorschrift V.3 bedoelde wasplaats is niet vergund. Het bestreden besluit kan daar geen verandering in brengen. De voorschriften VIII.1 tot en met VIII.5 en V.3, die de indruk wekken dat de vergunning uit 1996 wel toestaat dat ritueel wordt geslacht, respectievelijk dat een wasplaats wel is vergund, verdragen zich dan ook niet met het algemeen rechtsbeginsel der rechtszekerheid. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn in zoverre gegrond. Het besluit moet wat de voorschriften VIII.1 tot en met VIII.5 en V.3 betreft worden vernietigd.

2.8. Ingevolge voorschrift I.5 moet tijdens het bevoorraden van de inrichting, het aan- en afvoeren van producten en het afvoeren van afvalstoffen uit de inrichting de openbare weg zo veel mogelijk worden vrijgehouden en moeten de toegangen naar woningen en andere belendingen worden vrijgehouden.

Appellant sub 2 wijst op de voorschriften III.7 en IV.8, waaruit volgt dat de aanvoer van dieren, respectievelijk het laden van dierlijke afvalstoffen uitsluitend mogen plaatsvinden aan de voorzijde van de inrichting aan de Dorpsstraat. Wanneer de laatstgenoemde voorschriften worden nageleefd, kan de openbare weg naar zijn mening niet altijd geheel worden vrijgehouden.

De Afdeling stelt, mede gelet op hetgeen verweerders terzake hebben overwogen, vast dat voorschrift I.5 er niet aan in de weg staat dat op de [locatie] wordt geladen en gelost. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van appellant sub 2 kan worden gevergd dat hij ervoor zorgt dat daarbij de openbare weg zoveel mogelijk wordt vrijgehouden.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.9. Voorschrift I.9 bepaalt dat voorgenomen onderhouds- en reparatiewerkzaamheden die mogelijkerwijs beïnvloeding van de omgeving tot gevolg kunnen hebben, vooraf moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag.

Appellant sub 2 is van mening dat dit voorschrift onvoldoende duidelijk is.

Naar het oordeel van de Afdeling leidt de zinsnede “die mogelijkerwijs beïnvloeding van de omgeving tot gevolg kunnen hebben” tot rechtsonzekerheid. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre niet met het algemeen rechtsbeginsel der rechtszekerheid. Het beroep van appellant sub 2 is op dit punt gegrond en het bestreden besluit moet wat voorschrift I.9 betreft worden vernietigd.

2.10. Voorschrift II.12, dat betrekking heeft op de rookkast waarin vlees wordt gerookt, luidt als volgt:

”Voor het opvangen van de verbrandingsassen die tijdens het openen van de deur ontwijken, moet boven de deur van de rookkast een kap van onbrandbaar en hittebestendig materiaal zijn aangebracht, die is aangesloten op de afvoer van de verbrandingsprodukten; de kap moet beginnen op ten hoogse 1,85 m boven de vloer en moet tenminste 0,50 m buiten de rookkast uitsteken.”

Appellant sub 2 stelt dat dit voorschrift onnodig is omdat uit de oven geen verbrandingsgassen kunnen ontwijken wanneer er in overeenstemming met voorschrift II.11 voor wordt gezorgd dat de rookkast pas wordt geopend wanneer er geen vuur meer in de verbrandingsruimte aanwezig is. De voorgeschreven kap brengt zijns inziens onnodige kosten met zich.

De Afdeling stelt voorop dat verweerders blijkens de overwegingen van het besluit beoogd hebben een voorschrift te stellen met betrekking tot het opvangen van verbrandingsgassen. Als gevolg van een kennelijke verschrijving wordt in voorschrift II.12 gesproken van verbrandingsassen.

Uit voorschrift II.11 volgt dat de rookkast pas mag worden geopend wanneer er geen vuur meer in de verbrandingsruimte aanwezig is. In voorschrift II.13, dat betrekking heeft op de afvoerleiding voor verbrandingsgassen, zijn geen eisen gesteld aan de hoogte van de uitmonding van die afvoerleiding. Blijkens de stukken is de rookkast bovendien opgesteld op het buitenterrein van de inrichting. Voorzover ondanks het bepaalde in voorschrift II.11 nog verbrandingsgassen uit de rookkast ontwijken, zouden die gassen dus ook met de in voorschrift II.12 voorgeschreven voorziening in de vrije lucht terechtkomen. Onder deze omstandigheden hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het nodig is dat de verbrandingsgassen die vrijkomen bij het openen van de deur, worden opgevangen en via de afvoerleiding worden geëmitteerd. Het bestreden besluit is wat voorschrift II.12 betreft in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Het beroep van appellant sub 2 is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit moet wat voorschrift II.12 betreft worden vernietigd.

2.11. Appellanten sub 1 vrezen een toename van de geluidhinder die door de inrichting wordt veroorzaakt. In dit verband wijzen zij erop dat de grenswaarden voor het equivalente en maximale geluidniveau die in de nieuwe voorschriften III.1 en III.2 zijn gesteld, respectievelijk 10 dB(A) en 15 dB(A) hoger zijn dan de grenswaarden die in de vergunning uit 1996 waren voorgeschreven.

Het geluidrapport van 17 december 1998, dat in opdracht van verweerders is opgesteld en waaruit zou moeten blijken dat de nu gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd, is volgens appellanten sub 1 onvolledig en onjuist.

Appellant sub 2 stelt dat uit dit geluidrapport blijkt dat de geluidbelasting vanwege de inrichting de geluidgrenswaarden van de vergunning uit 1996 niet overschrijdt. Hij ziet derhalve niet in waarom de wijziging van de geluidvoorschriften noodzakelijk is.

Appellanten sub 1 stellen ernstige geluid- en stankhinder te ondervinden van voor de slacht bestemde dieren die tijdelijk op het open terrein van de inrichting worden gestald. Voor deze dieren moet er huns inziens een wachtruimte zijn in het gebouw van de inrichting, maar de aanvraag voor de vergunning uit 1996 voorziet daar niet in.

Appellant sub 2 stelt dat niet altijd kan worden voorkomen dat op het buitenterrein van de inrichting dieren worden gestald.

2.11.1. Ingevolge het bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschrift III.1 mag het equivalente geluidniveau (LAeq), ter plaatse van de buitengevel van de (dichtstbijzijnde) geluidgevoelige bestemming veroorzaakt door de inrichting, in de dag-, avond- en nachtperiode niet meer bedragen dan respectievelijk 45, 40 en 35 dB(A). Het binnenniveau vanwege de inrichting in de dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemming mag in de dag-, avond- en nachtperiode niet meer bedragen dan respectievelijk 35, 30 en 25 dB(A).

In voorschrift III.2 zijn met betrekking tot het maximale geluidniveau (Lmax), ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen veroorzaakt door de inrichting, grenswaarden gesteld van respectievelijk 65, 60 en 55 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

Voorschrift III.6 bepaalt dat op het buitenterrein van de inrichting geen levende dieren mogen worden gestald.

2.11.2. In de voorschriften 4.1 en 4.2 van de vergunning uit 1996 waren grenswaarden gesteld voor respectievelijk het LAeq en Lmax in binnenruimten van aangrenzende woningen. Uit de omstandigheid dat deze grenswaarden respectievelijk 15 en 10 dB(A) lager waren dan de grenswaarden, die in de nieuwe voorschriften III.1 en III.2 zijn gesteld voor de geluidbelasting bij de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, blijkt dat de geluidvoorschriften niet minder streng zijn geworden. Het beroep van appellanten sub 1 is in zoverre ongegrond.

De omstandigheid dat de geluidbelasting vanwege de inrichting de geluidgrenswaarden van de onderliggende vergunning niet overschrijdt, doet – anders dan appellant sub 2 betoogt - niet af aan de bevoegdheid van verweerders om in het belang van de bescherming van het milieu de vergunningvoorschriften te wijzigen. Het beroep van appellant sub 2 is in zoverre ongegrond.

Mede gelet op het deskundigenbericht en het rapport van 20 juni 2000 dat in opdracht van appellanten sub 1 is opgesteld door Lichtveld Buis & Partners B.V., stelt de Afdeling vast dat in het geluidrapport van 17 december 1998 niet is uitgegaan van de in 1996 vergunde bedrijfsvoering maar van de feitelijke bedrijfssituatie ten tijde van het bestreden besluit. Zo is uitgegaan van een kortere bedrijfsduur dan in 1996 is vergund en zijn het ritueel slachten en de daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen ten onrechte als geluidveroorzakende activiteit bij de vaststelling van de geluidbelasting betrokken. Verder is in het geluidrapport het schieten van dieren in de slachterij ten onrechte als akoestisch niet relevant aangemerkt en is een houten schutting in het berekeningsmodel ten onrechte weergegeven als een geluidsmuur. Het geluidrapport geeft dan ook geen representatief beeld van de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door de vergunde bedrijfsvoering. Het bestreden besluit is daarom wat de voorschriften III.1 tot en met III.13 betreft niet voorbereid met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid.

De vergunning uit 1996 voorziet niet in een inpandige wachtruimte voor dieren die voor de slacht bestemd zijn. Voorschrift III.6 kan dan ook niet worden nageleefd en komt in feite neer op een intrekking van de vergunning. Dit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer, waaruit volgt dat een vergunning in een voorkomend geval expliciet moet worden ingetrokken. Hieraan doet niet af dat vergunninghouder op 12 april 2001 - derhalve na het bestreden besluit – een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer heeft gedaan met betrekking tot de wachtruimte.

De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn in zoverre gegrond. Gelet op het voorgaande en gezien de onderlinge samenhang van de geluidvoorschriften moet het bestreden besluit worden vernietigd wat de voorschriften III.1 tot en met III.13 betreft.

2.12. Appellant sub 2 stelt dat verweerders in het bestreden besluit ten onrechte hebben overwogen dat hij een vergunning heeft voor het slachten van niet meer dan 12 zogeheten grootvee-eenheden per week.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op overwegingen die geen consequenties hebben voor het dictum van het bestreden besluit of voor de voorschriften die bij het besluit zijn gesteld. Reeds om die reden treft deze beroepsgrond geen doel.

2.13. Voorschrift IV.18, eerste volzin, bepaalt dat het laden van dierlijke afvalstoffen uitsluitend mag plaatsvinden aan de voorzijde van het bedrijf aan de [locatie].

Appellant sub 2 stelt dat de Rijksdienst voor Vee en Vlees (hierna: RVV) niet toestaat dat dierlijk afval door de slachterij naar buiten wordt gebracht. Appellant heeft weliswaar een recht van overpad naar de [locatie] over het naburig perceel van een derde, maar de daaraan verbonden voorwaarden staan naar zijn zeggen in de weg aan het vervoeren van dierlijk afval over dat perceel. Daarom is het zijns inziens noodzakelijk dat het afval wordt afgevoerd via de achteruitgang.

2.13.1. Verweerders bestrijden de juistheid van deze stellingen niet. Zij zijn echter van mening dat het recht van overpad een privaatrechtelijke aangelegenheid is die in het kader van de onderhavige procedure niet relevant is.

2.13.2. De Afdeling stelt vast dat voorschrift IV.18, eerste volzin, er gezien de door de RVV opgelegde beperking toe leidt dat appellant sub 2 dierlijk afval moet afvoeren over een perceel dat eigendom is van derden. Hij is voor de naleving van voorschrift IV.18, eerste volzin, daarom afhankelijk van de medewerking van derden. Nu niet op voorhand vaststaat dat die medewerking zal worden verleend, verdraagt voorschrift IV.18, eerste volzin, zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer.

Het beroep van appellant sub 2 is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit moet wat voorschrift IV.18, eerste volzin, betreft worden vernietigd.

2.14. Appellant sub 2 heeft verder beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot de voorschriften I.7, I.13, III.14 tot en met III.17, IV.9, IV.14, IV.25, IV.26, IV.27, IV.28, IV.31 en IV.39.

Mede gelet op hetgeen verweerders terzake in het bestreden besluit hebben overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het nodig is deze voorschriften te stellen. Deze beroepsgronden treffen geen doel.

2.15. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van door appellant sub 2 gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 3 geheel niet-ontvankelijk, het beroep van appellanten sub 1 niet-ontvankelijk voorzover het ziet op het niet verlenen van een revisievergunning en het beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk voorzover het betrekking heeft op de voorschriften VII.3 en IV.39;

II. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam van 25 april 2000, wat betreft de daarbij gestelde voorschriften I.9, II.12, III.1 tot en met III.13, IV.18, eerste volzin, V.3 en VIII.1 tot en met VIII.5;

IV. draagt burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam op om binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de vernietigde delen van het besluit van 25 april 2000 en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1518,37, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Alphen-Chaam te worden betaald aan appellanten sub 1;

VII. gelast dat de gemeente Alphen-Chaam aan appellanten sub 1 en sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (beiden € 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. Th.G. Drupsteen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Havik, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Havik

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

213-180-372.