Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200105235/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105235/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de [rechtspersoon], gevestigd te [plaats],

appellante

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 12 september 2001 in het geding tussen:

[partijen], allen te [plaats]

en

burgemeester en wethouders van Vorden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders van Vorden (hierna: burgemeester en wethouders) aan [appellante] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een stallingsruimte met overslagstation op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 14 november 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door de [partijen) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van commissie bezwaar- en beroepschriften van 15 augustus 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 12 september 2001, verzonden op 13 september 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief van 23 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brieven van 8 januari 2002 en 28 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders onderscheidenlijk [partijen] een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J. Geelhoed, advocaat te Naaldwijk, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord [partij] en 13 anderen, vertegenwoordigd door mr. S.M. van der Zwan, advocaat te Dieren.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een stallingsruimte voor acht reinigingswagens, een kantoor, een kantine, een wasgelegenheid voor de wagens, alsmede in een gedeelte voor het ontwateren en overslaan van riool-, kolken- en gemalenslib en veegvuil (RKGV-vuil) tot een maximum van 20.000 ton per jaar. Het ontwaterings- en overslaggedeelte heeft een oppervlakte van 214 m². Het RKGV-vuil wordt in bakken gestort teneinde het te ontwateren. Het daarbij vrijkomende afvalwater wordt afgevoerd en geloosd op het riool. Het RKGV-vuil blijft ongeveer één week op het terrein liggen en wordt vervolgens naar een recyclingbedrijf afgevoerd.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Vorden Centrum en Oost 1994” rust op het betrokken perceel de bestemming “Bedrijventerrein, vlak IV”.

Ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is, voorzover thans van belang, de op de kaart – blad 1A en B – aangewezen grond bestemd voor gebouwen ten dienste van bedrijven zoals genoemd in artikel 2, sub c, van de planvoorschriften in de bestemmingsvlakken III, IV en V – met uitzondering van grote lawaaimakers – inclusief detailhandel, als ondergeschikte nevenactiviteit, in ter plaatse vervaardigde goederen.

Ingevolge artikel 10.7 van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders, voor zover thans van belang, bevoegd – nadat een advies is ontvangen van de Inspecteur van de Milieuhygiëne in Gelderland – vrijstelling te verlenen van het gestelde in artikel 10.1, aanhef en onder a, ten behoeve van bedrijven niet genoemd in artikel 2, sub c, van de planvoorschriften, mits deze bedrijven naar hun aard en invloed gelijkgesteld kunnen worden met de bedrijven opgenomen in artikel 2, sub c, van de planvoorschriften.

2.3. Het betoog van appellante komt erop neer dat de rechtbank heeft miskend dat het ter plaatse te vestigen bedrijf valt onder de in de bedrijvenlijst van artikel 2, sub c, van de planvoorschriften opgenomen bedrijfsomschrijving “Vuilophaal-, straatreinigingsbedrijven e.d.”.

2.4. Het betoog van appellante faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het ter plaatse te vestigen bedrijf gelet op de te ontplooien bedrijfsactiviteiten niet kan worden gebracht onder de in de bedrijvenlijst van artikel 2, sub c, van de planvoorschriften opgenomen bedrijfsomschrijving “Vuilophaal-, straatreinigingsbedrijven e.d.”. Door ter beantwoording van de vraag of het ter plaatse te vestigen bedrijf valt onder de voormelde bedrijfsomschrijving de mate waarin de overslag- en ontwateringsactiviteiten ondergeschikt zijn aan de overige activiteiten van het bedrijf in haar beoordeling te betrekken heeft de rechtbank geen onjuist criterium aangelegd. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de stukken noch het verhandelde ter zitting tot het oordeel leiden dat het bedrijf zonder meer gebracht kan worden onder de voormelde bedrijfsomschrijving. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het bedrijf kenmerken heeft die niet specifiek behoren tot een vuilophaal- en straatreinigingsbedrijf. Zo heeft het tevens het kenmerk van een overslagstation, zoals ter zitting nogmaals is bevestigd, welk bedrijf niet is opgenomen in genoemde bedrijvenlijst.

Voorts heeft de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan terecht als uitgangspunt genomen dat geen aanleiding bestaat een ruime uitleg te geven aan voormelde bedrijfsomschrijving, nu artikel 10.7 van de planvoorschriften voorziet in een expliciete vrijstellingsmogelijkheid voor bedrijven die niet onder de in de planvoorschriften opgenomen bedrijfsomschrijvingen vallen, maar wat betreft aard en invloed daarmee wel gelijkgesteld kunnen worden. Het betoog van appellante, dat dit uitgangspunt betekent dat steeds wanneer een vrijstellingsmogelijkheid bestaat dit tot gevolg heeft dat de specifieke omschrijving in het bestemmingsplan niet ruim kan worden geïnterpreteerd, wordt niet gevolgd, nu de rechtbank, gelet op de door haar gebruikte bewoordingen, uitsluitend het oog heeft gehad op de in het bestemmingsplan voorziene specifieke vrijstellingsmogelijkheid.

Appellante betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat er ook vuilophaal- en straatreinigingsbedrijven bestaan, waar RKGV-vuil wordt opgeslagen en ontwaterd. Dit betoog kan evenmin tot het daarmee door appellante gewenste gevolg leiden, nu de door appellante genoemde bedrijven – een gemeentewerf en een reinigingsbedrijf – gelet op de door hen verrichte activiteiten niet op één lijn te stellen zijn met – de activiteiten van – het bedrijf van appellante.

Appellante voert tenslotte aan, dat de rechtbank bij haar toets onvoldoende rekening heeft gehouden met de opzet en de categorie-indelingen, als bedoeld in de V.N.G.-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Ook dit betoog faalt. Gelet op het limitatief-imperatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet heeft de rechtbank het onderhavige bouwplan terecht getoetst aan de bepalingen van het bestemmingsplan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Kallan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

15-423.