Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200105762/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2002/735
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105762/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 19 september 2001 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

burgemeester en wethouders van Voerendaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Voerendaal (hierna: burgemeester en wethouders) vergunning verleend voor de bouw van een zolderverdieping op de woning gelegen aan de [locatie].

Bij besluit van 23 april 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 11 april 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 19 september 2001, verzonden op 10 oktober 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de president), voorzover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 19 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 20 juni 2002 heeft [verzoeker] een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts zijn [verzoekers] daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, van de Woningwet.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet mogen, voorzover thans van belang, het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

2.2. Appellanten betogen dat de president ten onrechte heeft overwogen dat burgemeester en wethouders, gelet op het bericht van de door de president in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar benoemde deskundige, in het kader van de welstandstoets de bouw van een lagere dakhelling hadden moeten eisen.

2.3. Het betoog slaagt. Gelet op het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet in samenhang met artikel 12, eerste lid, van die wet staat slechts ter beoordeling de vraag of burgemeester en wethouders in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat het bouwwerk in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders mogen, hoewel zij niet aan een welstandsadvies zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hen berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders dit niet – of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen.

Omtrent het aan de orde zijnde bouwplan heeft de welstandscommissie Voerendaal-Simpelveld op 12 juli 2000 een positief advies uitgebracht. Bij het indienen van het bezwaarschrift is door Crutzen een deskundig tegenadvies overgelegd. Gelet op de uiteenzetting in de beslissing op bezwaar, waarin zowel het deskundig tegenadvies als het bericht van de door de president in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening benoemde deskundige in aanmerking zijn genomen, moet worden geoordeeld dat niet is gebleken dat burgemeester en wethouders het overnemen van het advies van de welstandscommissie in onvoldoende mate hebben toegelicht. Daarnaast heeft de welstandscommissie bij verslag van 28 maart 2001 naar aanleiding van de voormelde tegenadviezen nader uitleg gegeven over de totstandkoming van haar advies van 12 juli 2000. Ook die uitleg hebben burgemeester en wethouders in voormelde beslissing op bezwaar betrokken. Uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders dit niet aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen. Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De president heeft dit in de aangevallen uitspraak miskend en heeft dan ook ten onrechte het besluit van 23 april 2001 vernietigd.

De overige gronden van beroep behoeven gezien het voorgaande geen verdere behandeling.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 19 september 2001, AWB 01/1127 WW44 VV + AWB 01/864 WW44;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

27-423.