Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200102166/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/666
Milieurecht Totaal 2002/4368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102166/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten], wonend te [woonplaats],

3. burgemeester en wethouders van Haelen,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2001, kenmerk CC 3685, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] voor een periode van tien jaar een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de verwerking, bewerking, op- en overslag van metaalproducten aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit aangehechte besluit is op 23 maart 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 29 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2001, appellanten sub 2 bij brief van 1 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2001, en appellanten sub 3 bij brief van 2 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 januari 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2 en vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2002, waar appellanten sub 2 in persoon, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door drs. J.H.M.M. de Jongh en ing. J.M.M. Vossen, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten sub 3 hebben de gronden inzake de onjuiste bepaling van het referentieniveau, de geluidbelasting op immissiepunt D en de geluidnormering en de meldingsplicht met betrekking tot de incidentele bedrijfssituatie niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 3 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 3 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten sub 1 stellen dat de inrichting niet in werking is overeenkomstig de aan de vigerende vergunning verbonden (geluid)voorschriften. Zij zijn voorts van mening dat verweerders in gebreke blijven voornoemde geluidvoorschriften op adequate wijze te handhaven.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht en de Provinciewet voorzien overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.4. Appellanten sub 1 voeren aan dat de inrichting niet past op de onderhavige plaats en zou moeten worden verplaatst naar een bedrijventerrein.

De Afdeling overweegt dat verweerders zijn gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de inrichting op de in de aanvraag genoemde plaats vergunning kan worden verleend. Of een andere plaats geschikter is voor vestiging van de inrichting kan hierbij geen rol spelen. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten sub 2 stellen wateroverlast te ondervinden vanwege het in werking zijn van de inrichting. Zij voeren aan dat verweerders, en met name de gemeente Haelen, in gebreke zijn gebleven bij het nemen van maatregelen ter voorkoming dan wel beperking van de regenwateroverlast, nu de gemeente volgens hen zorg had moeten dragen voor een toereikende bedrijfsriolering. Zij verzoeken om de gemeente Haelen of de provincie Limburg te veroordelen tot schadevergoeding.

De Afdeling overweegt dat de door appellanten sub 2 gestelde nalatigheid van verweerders en de gemeente Haelen geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden, wat er overigens ook van zij, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.6. Appellanten sub 3 betogen dat in de vergunning te hoge geluidgrenswaarden zijn gesteld. In dit kader voeren zij onder meer aan dat de woning aan de [locatie] (hierna: woning A), de woning, gelegen op een afstand van circa 175 meter ten noorden van de inrichting aan de overzijde van het spoor (hierna: woning B) en de woning aan de [locatie] (hierna: woning C) een geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting zullen ondervinden die hoger is dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Voorts stellen zij dat verweerders bij de beoordeling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de woningen aan de [locatie] ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de aanleg van een nieuwe weg om de kern Haelen heen, zodat de verkeersintensiteit en daarmee de geluidbelasting zeer sterk zal afnemen, waardoor het referentieniveau sterk zal dalen.

2.6.1. Verweerders hebben voor de beoordeling van directe geluidhinder hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen.

Voor bestaande inrichtingen moeten volgens dit hoofdstuk de richtwaarden voor woonomgevingen steeds opnieuw worden getoetst. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid of, op basis van een bestuurlijke afweging, tot een etmaalwaarde van maximaal 55 dB(A).

2.6.2. Door Cauberg-Huygen is een onderzoek verricht naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid en de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt, gedateerd 22 juni 1999, nummer 980516-5. Mede gelet op het deskundigenbericht is niet aannemelijk geworden dat verweerders bij hun besluitvorming niet hebben kunnen uitgaan van de uitkomsten van dit rapport.

Blijkens het akoestisch rapport bedraagt het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van woning A 48 dB(A) en ter plaatse van woning B 45 dB(A). Het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van woningen aan [locatie], waaronder woning C, bedraagt 62 dB(A).

2.6.3. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift F.1.a, voorzover hier van belang, mag het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting tot 6 maanden na het van kracht worden van de vergunning ter plaatse van woning A niet meer bedragen dan 53 dB(A) in de dagperiode (07.00 - 19.00).

Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift F.1.b, voorzover hier van belang, mag het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting na 6 maanden na het van kracht worden van de vergunning ter plaatse van woning A niet meer bedragen dan 51 dB(A) in de dagperiode.

Uit het akoestisch rapport blijkt dat de equivalente geluidbelasting vanwege de inrichting op woning B zowel in de situatie waarin de aangevraagde geluidwerende voorzieningen gedeeltelijk zijn gerealiseerd, als wanneer de genoemde voorzieningen geheel zijn gerealiseerd 54 dB(A) zal bedragen. Ten behoeve van woning B is in de vergunning een dichterbij de inrichting gelegen immissiepunt D opgenomen, waarvoor in de voorschriften F.1.a en F.1.b een equivalente geluidgrenswaarde is gesteld van 68 dB(A) in de dagperiode.

Voor woning C is in de vergunning noch direct, noch indirect een grenswaarde gesteld voor het equivalente geluidniveau. De equivalente geluidbelasting vanwege de inrichting op woning C komt blijkens het akoestisch rapport en de toelichting daarop van 10 juni 2002, nummer 2001.0879-3, overeen met het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

2.6.4. Uit het voorgaande volgt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de woningen A en B in ruime mate wordt overschreden. Verweerders achten deze overschrijding toelaatbaar op grond van een bestuurlijke afweging als bedoeld in de Handreiking. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn zij van mening dat de kosten van verdergaande geluidwerende maatregelen te hoog zijn in relatie tot de geluidreductie die daarmee kan worden bewerkstelligd.

Mede in aanmerking genomen de grote overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de dagperiode bij met name woning B, hebben verweerders hun bestuurlijke afweging naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet in redelijkheid uitsluitend kunnen baseren op de kosten die vergunninghoudster moet maken voor het treffen van geluidwerende maatregelen. Gelet hierop acht de Afdeling door verweerders onvoldoende gemotiveerd waarom, in het kader van het door hen uitgevoerde bestuurlijke afwegingsproces, de overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid toelaatbaar moet worden geacht. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.6.5. Ten aanzien van woning C overweegt de Afdeling het volgende.

Verweerders stellen zich op het standpunt dat het niet nodig is voor deze woning equivalente geluidgrenswaarden te stellen, nu het volgens hen niet goed mogelijk is voor deze woning een handhaafbare norm te stellen vanwege het stoorgeluid van het wegverkeer. Voorts hebben zij ter zitting verklaard dat indien de in de vergunning opgenomen equivalente geluidgrenswaarden niet worden overschreden, de voor deze woning berekende geluidbelasting evenmin zal worden overschreden.

De Afdeling acht de stelling dat het niet mogelijk zou zijn ten behoeve van woning C een handhaafbare norm te stellen niet aannemelijk. De toegelaten equivalente geluidbelasting bij deze woning wordt evenmin (indirect) beperkt als gevolg van voor andere woningen gestelde geluidgrenswaarden.

Verweerders hebben, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, onvoldoende gemotiveerd waarom zij geen grenswaarde voor equivalent geluidniveau ten behoeve van woning C hebben gesteld.

2.6.6. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn gelegen of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de omleiding van de [locatie] rond de kern Haelen een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8; verweerders hebben dit ook niet weersproken. De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft blijkens het verhandelde ter zitting reeds in 1995 in het kader van het tracébesluit A73-zuid bepaald dat de [locatie] zou worden omgeleid. Voorts was het bestemmingsplan waarin de omleiding mogelijk werd gemaakt ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds vastgesteld en goedgekeurd.

Verweerders hebben echter overwogen dat zij het referentieniveau van het omgevingsgeluid voor de situatie nadat de omleiding is gerealiseerd niet kunnen vaststellen omdat het L95 in de toekomst maatgevend zou kunnen zijn en zij het L95 thans niet kunnen bepalen. Zij achten het daarom niet mogelijk om rekening te houden met de omleiding.

Dat verweerders de toekomstige hoogte van het referentieniveau niet met zekerheid kunnen vaststellen, brengt naar het oordeel van de Afdeling niet mee dat in het geheel geen rekening zou behoeven te worden gehouden met de omleiding. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk dat de omleiding van de [locatie] in ieder geval zal leiden tot een aanzienlijke reductie van het referentieniveau ter plaatse van woning C. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.

2.7. Gezien het voorgaande is het beroepsonderdeel van appellanten sub 3 omtrent de geluidbelasting bij de woningen A en B en de woningen aan de [locatie] gegrond. Het geluidaspect in de onderhavige zaak is bepalend voor het antwoord op de vraag of vergunning kan worden verleend. Hetgeen appellanten sub 3 voor het overige hebben aangevoerd behoeft in verband hiermee geen bespreking. Het beroep van appellanten sub 3 is, voorzover ontvankelijk, gegrond en het gehele bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het beroep van appellanten sub 1 is ongegrond. Het beroep van appellanten sub 2 is eveneens ongegrond, waaruit volgt dat het in dit beroep vervatte verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht niet voor inwilliging in aanmerking komt.

2.8. Ten aanzien van appellanten sub 1 en sub 2 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Van proceskosten van appellanten sub 3 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk voorzover het de gronden inzake de onjuiste bepaling van het referentieniveau, de geluidbelasting op immissiepunt D en de geluidnormering en de meldingsplicht met betrekking tot de incidentele bedrijfssituatie betreft;

II. verklaart het beroep van appellanten sub 3 voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 13 maart 2001, kenmerk CC 3685;

IV. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 ongegrond;

V. wijst het verzoek van appellanten sub 2 om schadevergoeding af;

VI. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten sub 3 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. van der Zijpp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

255-407.