Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200101204/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101204/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante], wonend te [woonplaats],

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten], beiden wonende te [woonplaats],

4. [appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2000 heeft de gemeenteraad van Venlo, op voorstel van burgemeester en wethouders van 30 mei 2000, het bestemmingsplan "Maasboulevard, fase 1" vastgesteld. Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 30 januari 2001, kenmerk 2001/3045M, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief van 7 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2001, [appellant sub 2] bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2001, [appellanten sub 3] bij brief van 21 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2001, en [appellant sub 4] bij brief van 27 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2001, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 12 april 2001. [appellanten sub 3] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 15 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2001 hebben verweerders meegedeeld dat de beroepschriften geen aanleiding geven tot het indienen van een verweerschrift.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad en [appellant sub 2] Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2002, waar [appellant sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. R.Th.B. Drummen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Verder is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. M.R.V. Buurman, L.H. Rooden en ir. P.F.J. Pepels, ambtenaren van de gemeente, verschenen. [appellante sub 1], [appellant sub 3], en [appellanten sub 3] zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Ingevolge artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerp-plan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht. Dit is slechts anders, voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp of voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Vaststaat dat [appellant sub 4] geen zienswijze tegen het ontwerp-plan heeft ingebracht bij de gemeenteraad.

Het plan is gewijzigd vastgesteld. Het beroep van appellant heeft niet specifiek betrekking op onderdelen van het plan die gewijzigd zijn vastgesteld. Hiertoe overweegt de Afdeling onder meer dat, voorzover het beroep betrekking heeft op de wijziging in artikel 12 van de planvoorschriften, het wijzigen van ‘Rivierenwet’ in ‘Wet beheer rijkswaterstaatswerken’ niet ertoe leidt dat de aan te houden beschermingshoogte is gewijzigd. Daarnaast overweegt de Afdeling dat het door appellant aangehaalde beleid, waaronder de beleidslijn Ruimte voor de Rivier, rijksbeleid is en ook van toepassing was vóór het aanbrengen van de vorengenoemde wijziging. Voorzover het beroep van appellant betrekking heeft op de wijziging van artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften overweegt de Afdeling dat hieraan de zinsnede ‘semi-permanente’ is toegevoegd. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat desbetreffende bepaling materieel is gewijzigd.

Gelet op het vorenstaande waren de onderdelen van het plan waar het beroep betrekking op heeft reeds in het ontwerp-plan opgenomen, zodat voor appellant de mogelijkheid openstond hiertegen een zienswijze in te brengen.

Het beroep richt zich ook niet tegen een onthouding van goedkeuring. Evenmin doen zich omstandigheden voor waardoor appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Het beroep van [appellant sub 4] is niet-ontvankelijk.

2.3. Het plan voorziet in de herontwikkeling van het gebied dat globaal begrensd wordt door de Maas, de Peperstraat, de Prinsessesingel en een deel van de bestaande bebouwing aan de Haven in het westelijk gedeelte van de binnenstad van Venlo.

Verweerders hebben het plan bij het bestreden besluit goedgekeurd.

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3] stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend. Zij vinden dat hun panden niet mogen worden gesloopt, maar in het plan moeten worden ingepast. Tevens zijn zij van mening dat het bestemmingsplan niet nodig is omdat dit in dezelfde functies voorziet als thans in het plangebied aanwezig zijn.

2.5.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het plangebied geen hoogwaardig uitgaansterritoir is en in een achterstandspositie dreigt te raken. Hij acht een stedelijke vernieuwing van publiek belang. Het plan beoogt een hoogwaardige integrale ontwikkeling van de Maasoever en de binnenstand tot stand te brengen waarbij extra waarde wordt toegekend aan de bestaande activiteiten zoals detailhandel en toeristisch-recreatief verblijf, aldus de gemeenteraad. De gemeenteraad is van mening dat zowel technisch als functioneel en ruimtelijk gezien het niet mogelijk is om de onroerende zaken waar appellanten op doelen, in het plan in te passen.

2.5.2. Verweerders hebben het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij stellen zich, evenals de gemeenteraad, op het standpunt dat de bebouwing die appellanten willen behouden, niet inpasbaar is in het plan. Het plangebied dient één stedenbouwkundig geheel te vormen teneinde een goede ruimtelijke en functionele samenhang, alsmede een efficiënt en flexibel ruimtegebruik en een kwalitatief hoogwaardige uitstraling te bereiken, aldus verweerders.

2.5.3. Het plangebied grenst aan de westzijde aan de Maas en aan de oostzijde aan de oude binnenstad van Venlo. In het oostelijke gedeelte van het plangebied ligt de Havenkade. De bebouwing aan de Havenkade bestaat voor een deel uit slooppanden. Verder bevindt zich daar een aantal coffeeshops en sex-inrichtingen. In het westelijke gedeelte van het plangebied is een groot parkeerterrein. Dit grenst aan de jachthaven die is gelegen in het plangebied.

Met het plan wordt beoogd de Maasoever en de binnenstad met elkaar te verbinden en het plangebied aantrekkelijk te maken voor toeristen en recreanten. Dit wordt bewerkstelligd door het plangebied stedenbouwkundig te vernieuwen waardoor onder andere de bestaande toeristisch-recreatieve functies worden versterkt en de hoofdwinkelstructuur van de binnenstad doorloopt naar het plangebied. De bestaande functies in het plangebied komen grotendeels overeen met de bestemmingen in het plan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de huidige bedrijven en woningen van appellanten wat betreft hun functie niet zijn wegbestemd. Echter zowel de situering van de in het plan voorziene bebouwing alsmede de hoogte en diepte daarvan, zoals in de planvoorschriften en op de plankaart tot uitdrukking gebracht, staan in de weg aan handhaving van de bedrijven en woningen van appellanten.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen menen dat het plangebied een stedenbouwkundige vernieuwing dient te ondergaan, waarbij de vorengenoemde bebouwing moet worden gesloopt. Hierbij hebben zij het algemeen belang bij de stedenbouwkundige vernieuwing in het plangebied zwaarder mogen laten wegen dan het individueel belang van appellanten bij het behoud van hun panden. Verweerders hebben in verband hiermee kunnen stellen dat handhaving van de panden van appellanten in de weg zou staan aan een doelmatige en efficiënte herontwikkeling van het plangebied.

De omstandigheid dat het plan tevens een uitbreiding van ‘De Maaspoort’ mogelijk maakt, doet aan het vorenstaande niet af. Verder merkt de Afdeling op dat niet aannemelijk is geworden dat karakteristieke panden ten gevolge van het plan moeten verdwijnen.

2.6. [appellant sub 2] voert verder aan dat de gemeente hem in staat moet stellen een café te exploiteren in het plangebied, nadat het plan is uitgevoerd.

2.6.1. De Afdeling overweegt hierover dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening het gemeentebestuur niet de verplichting oplegt reeds in het kader van de bestemmingsplanprocedure over de mogelijkheden tot herplaatsing van bedrijven die vanwege een bestemmingsplanherziening niet kunnen worden gehandhaafd, volledige duidelijkheid te verschaffen. De in dit kader uit te voeren belangenafweging vereist dat de gemeenteraad bij het vaststellen van het plan - en verweerders bij de goedkeuring ervan - hebben onderzocht of het belang van de binnen het plangebied gevestigde bedrijven bij ongehinderde voortzetting binnen dat gebied moet wijken voor de belangen gemoeid met die bestemmingsplanherziening.

De mogelijkheid tot herplaatsing van het bedrijf van appellant kan niet in deze procedure aan de orde komen, maar in het minnelijke overleg dat vooraf dient te gaan aan een eventuele onteigeningsprocedure.

2.7. Verder voert [appellant sub 2] aan dat te weinig aandacht is besteed aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Hij stelt dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de aan hem te betalen schadeloosstelling.

2.7.1. Ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 onderzoeken burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ontwerp van een bestemmingsplan onder meer de uitvoerbaarheid van het plan. Blijkens de Nota van Toelichting op dit besluit dient dit onderzoek mede betrekking te hebben op de financiële uitvoerbaarheid. Gelet op hetgeen hieromtrent is vermeld in de plantoelichting is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet voldoende is gewaarborgd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat, indien de door appellant gestelde schade zich zou voordoen, de vergoeding hiervan een in verhouding tot de totale kosten van het bestemmingsplan zo groot bedrag zal betreffen, dat dit in de plantoelichting nader tot uitdrukking had moeten worden gebracht.

2.8. [appellanten sub 3] betogen voorts dat hun woning aan de [locatie] buiten het bestemmingsplan moet blijven omdat deze een goede overgang vormt tussen nieuwbouw en bestaande bebouwing.

2.8.1. De Afdeling overweegt dat, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken, van oordeel dat in dit geval verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat zij deze ook overigens terecht hebben goedgekeurd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken dat de gemeenteraad bij het bepalen van de begrenzingen van het bestemmingsplan onvoldoende heeft onderzocht of het pand van appellanten al dan niet buiten het bestemmingsplan dient te blijven.

2.9. Wat betreft het bezwaar van [appellante sub 1] met betrekking tot het begrip leisure overweegt de Afdeling dat, gelet op artikel 1, drieëndertigste lid, van de planvoorschriften, niet is gebleken dat het begrip onbepaald is.

2.10. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

De beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3] zijn ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

177-409.