Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200201366/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2002/4667
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201366/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2002 hebben verweerders krachtens het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot een door appellant geëxploiteerd steigerverhuurbedrijf op het perceel [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 31 februari 2002 ter inzage gelegd

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van verweerders. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Aa, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door C.H.M. van den Boogaard, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft de beroepsgrond inzake de mandateringsregeling van de gemeente Sint-Oedenrode ter zitting ingetrokken.

2.2. Niet in geschil is dat het steigerverhuurbedrijf een inrichting is waarop het Besluit van toepassing is.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit, gelezen in samenhang met voorschrift 4.1.4 van de daarbij behorende bijlage, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag om te bereiken dat aan de geluidvoorschriften wordt voldaan, nadere eisen stellen ten aanzien van het aanbrengen van voorzieningen en het in acht nemen van gedragsregels binnen de inrichting.

2.3. Appellant kan zich allereerst niet verenigen met de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis 5. In deze nadere eis is bepaald dat het machinaal laden en lossen uitsluitend mag geschieden met behulp van een heftruck en gebruikmakend van inwendig beklede houten pallets. Naar de mening van appellant is deze nadere eis onnodig bezwarend. Ondanks dat thans gebruik wordt gemaakt van een heftruck in de inrichting, blijft een kraan waarmee de bedrijfswagen is uitgerust, voor bepaalde laad- en losactiviteiten nodig, aldus appellant. Bovendien hebben verweerders bij het stellen van deze nadere eis volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden met het bepaalde in voorschrift 1.1.1, onder b, van de bijlage bij het Besluit.

2.3.1. Verweerders hebben zich bij het stellen van de nadere eisen gebaseerd op een door Van Grinsven Advies verricht akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van juli 2000. Uit dit rapport blijkt dat in de dag-, avond- en nachtperiode een overschrijding van de in het Besluit gestelde piekgeluidgrenswaarden plaatsvindt, welke onder andere wordt veroorzaakt door het laden en lossen van bundels steigerbuizen met een kraan. Ten einde te bereiken dat aan de geluidnormen wordt voldaan hebben verweerders op grond van voorschrift 4.1.4 van de bijlage bij het besluit onder meer de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis 5 opgelegd.

Zij zijn van mening dat het in dit geval niet redelijk is om, zoals appellant betoogt, de piekgeluiden ten gevolge van het laden en lossen in de dagperiode uit te sluiten van normering. Daarbij hebben zij in aanmerking genomen dat het laden en lossen de hoofactiviteit van het bedrijf is, dat deze activiteit geluidhinder voor de omgeving veroorzaakt en dat er een geluidvriendelijker alternatief voor de kraan is (de heftruck). Zij bestrijden dan ook dat het bepaalde in voorschrift 1.1.1, onder b, van de bijlage bij het Besluit in deze situatie van toepassing is. Verder wijzen zij er op dat, indien deze bepaling wel van toepassing zou zijn, deze enkel geldt voor de dagperiode.

2.3.2. In voorschrift 1.1.1, onder a, van de bijlage bij het Besluit is, voorzover hier van belang, bepaald dat het piekgeluidniveau op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 70 dB(A) in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur, 65 dB(A) in de periode tussen 19.00 uur en 23.00 uur en 60 dB(A) in de periode tussen 23.00 uur en 07.00 uur. De in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur geldende piekgeluidniveaus zijn, zo is in voorschrift 1.1.1, onder b, van de bijlage bij het Besluit bepaald, evenwel niet van toepassing op het laden en lossen.

Nu in het Besluit voor het laden en lossen gedurende de dagperiode geen piekgeluidgrenswaarden zijn opgenomen, kunnen op grond van voorschrift 4.1.4 geen nadere eisen worden gesteld ter beperking van het door deze activiteiten optredende piekgeluidniveau in de dagperiode. Op grond van dit voorschrift kunnen namelijk alleen nadere eisen worden gesteld die nodig zijn om te bereiken dat aan de geluidvoorschriften uit paragraaf 1.1 van de bijlage bij het Besluit wordt voldaan. Verweerders hebben dit miskend. Voorzover zij stellen dat afwijking van de in voorschrift 1.1.1, onder b, opgenomen uitzonderingsregeling in dit geval gerechtvaardigd is, overweegt de Afdeling dat het Besluit daarvoor geen ruimte geeft. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre niet met artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit in samenhang met voorschrift 4.1.4 van de bijlage bij het Besluit.

Het beroep treft op dit punt doel.

2.4. Appellant kan zich verder niet verenigen met de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis 4. In deze nadere eis is bepaald dat in voertuigen aanwezige communicatie- en muziekapparatuur niet binnen de inrichting in werking mogen zijn. Appellant acht het niet redelijk dat hij er op moet toezien dat de in voertuigen aanwezige mobiele telefoons en muziekapparatuur uit staan. Het geluid van mobiele telefoons is volgens hem niet eens buiten de inrichting hoorbaar. Verder meent hij dat muziekapparatuur in werking mag zijn zolang dit geen overlast voor de omgeving veroorzaakt.

2.4.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de op grond van voorschrift 4.1.4 van de bijlage bij het Besluit gestelde nadere eis 4 betrekking heeft op geluidversterkende apparatuur, zoals radio’s en mobilofoons. Daartoe behoren naar hun mening niet mobiele telefoons. De strekking van deze nadere eis is dat buiten het terrein van de inrichting geen (muziek)geluid hoorbaar is, aldus verweerders.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat deze strekking niet als zodanig is te lezen in de letterlijke tekst van de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis 4. Nu de bewoordingen van deze nadere eis niet stroken met hetgeen verweerders hebben beoogd te bepalen, verdraagt het bestreden besluit zich in zoverre niet met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

Voorts blijkt uit het bestreden besluit niet wat onder het begrip ‘communicatie-apparatuur’ dient te worden verstaan. De Afdeling acht het bestreden besluit in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, dat eist dat de uit een besluit voortvloeiende rechten en plichten duidelijk en ondubbelzinnig moeten zijn.

Bovendien is niet duidelijk of, zoals verweerders stellen, de in de nadere eis 4 opgelegde gedragsregel nodig is om aan de geluidvoorschriften van paragraaf 1.1 van de bijlage bij het Besluit te voldoen. In het geluidrapport van juli 2000, dat verweerders bij het stellen van de nadere eisen als uitgangspunt hebben genomen, wordt op dit aspect niet ingegaan. Verweerders hebben in het bestreden besluit enkel gesteld dat het geluid afkomstig van in voertuigen aanwezige communicatie- en muziekapparatuur als zeer hinderlijk ervaren kan worden. In zoverre ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het de nadere eisen 4 en 5 betreft.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van

Sint-Oedenrode van 25 januari 2002, voorzover het de nadere eisen 4 en 5 betreft;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Sint-Oedenrode te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Sint-Oedenrode aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

334.