Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200102641/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 10.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 429 met annotatie van C.L. Knijff
JAF 2002/29 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102641/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2001, kenmerk 2001-11491, hebben verweerders geweigerd appellant krachtens artikel 4.3.3.28 van de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland (hierna: de PMV) vergunning voor het gebruik van een mobiele puinbreker te verlenen. Dit aangehechte besluit is op 27 april 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 juli 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2002, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. P.C. Speelman en M.J. Nijssen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerders stellen dat niet alle beroepsgronden van appellant overeenkomstig artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer hun grondslag vinden in de bedenkingen die tegen het ontwerp van het besluit zijn ingebracht.

De Afdeling begrijpt de bedenkingen aldus, dat appellant zich er niet mee kan verenigen dat de gevraagde vergunning wordt geweigerd vanwege het handhavingverleden van appellant. Het beroep heeft dezelfde strekking. De beroepsgronden vinden daarom grondslag in de bedenkingen. Het beroep is in zoverre ontvankelijk.

2.2. Volgens appellant hebben verweerders ten onrechte geoordeeld dat verlening van de vergunning niet doelmatig is. In dit verband stelt appellant in het beroepschrift, kort weergegeven, dat deze conclusie is gebaseerd op een handhavingverleden dat geen betrekking heeft op het gebruik van een mobiele puinbreker. Dit verleden mag daarom volgens hem geen rol spelen bij de beoordeling van de doelmatigheid van het gebruik van de mobiele puinbreker.

2.3. Ingevolge artikel 4.3.3.28 van de PMV is het verboden buiten een inrichting zonder daartoe verleende vergunning van gedeputeerde staten een mobiele installatie voor het breken van steenachtig materiaal of hout te gebruiken.

Uit artikel 10.28 van de Wet milieubeheer volgt, voorzover hier van belang, dat de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot het verlenen van een dergelijke vergunning.

Uit artikel 8.10 in samenhang met artikel 8.11 van de Wet milieubeheer volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer wordt, voorzover hier van belang, onder bescherming van het milieu mede verstaan de zorg voor de doelmatige verwijdering van afvalstoffen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, wordt onder doelmatige verwijdering van afvalstoffen verstaan zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder geval:

a. de continuïteit van de verwijdering wordt gewaarborgd;

(...)

e. een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk is (...).

2.3.1. Met verwijzing naar haar uitspraak van 28 december 1999, nummer E03.97.0985 (AB 2000, 226), stelt de Afdeling vast dat uit de geschiedenis en de totstandkoming van de Wet milieubeheer blijkt dat de doelstelling van doelmatige verwijdering van afvalstoffen, zoals uitgewerkt in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in het bijzonder ziet op het functioneren van de organisatie van de afvalstoffenverwijdering. Een belangrijk criterium vormt daarbij de gewaarborgde continuïteit van de verwijdering. Bij de beoordeling daarvan wordt – naast de economische grondslagen van de onderneming – ook de doorzichtigheid van de bedrijfsvoering getoetst, waarbij tevens de integriteit van de bedrijfsvoering wordt beoordeeld (Kamerstukken II 1988/89, 21 246, nr. 3, p. 27).

De betrouwbaarheid van de ondernemer, zoals die onder meer blijkt uit zijn nalevinggedrag, kan gezien het voorgaande een rol kan spelen bij de beoordeling van de doelmatigheid aangezien de continuïteit van de onderneming mede bepalend is voor de doelmatigheid van de afvalverwijdering.

2.4. De vergunning is geweigerd vanwege het nalevingverleden van appellant. Verweerders hebben aan appellant onder meer in 1992 een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder daartoe verleende vergunning verrichten van handelingen met afvalstoffen en in 2000 een last onder dwangsom ter beëindiging van illegale opslag van diverse (gevaarlijke) afvalstoffen in een inrichting. Daarnaast blijkt uit de stukken dat ook andere bestuursorganen handhavend zijn opgetreden. Ook is appellant enkele malen strafrechtelijk veroordeeld wegens overtreding van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Verder is in 2001 proces-verbaal opgemaakt in verband met het door appellant niet naleven van voorwaarden van een gedoogbeschikking voor een puinbreker en vanwege illegale lozingen op een riool. Bovendien hebben verweerders op 14 februari 2001 een besluit inzake de toepassing van bestuursdwang genomen om te komen tot verwijdering van afvalstoffen uit een inrichting van appellant.

2.4.1. Alle hiervoor weergegeven feiten hebben betrekking op handelingen met afvalstoffen verricht door, dan wel in opdracht van, appellant. Nu ook de vergunning voor het gebruik van de mobiele puinbreker ziet op handelingen met afvalstoffen, hebben verweerders deze feiten terecht betrokken bij het bestreden besluit. Dat ten tijde van het nemen van dit besluit omtrent een aantal handhavingsbesluiten en strafrechtelijke veroordelingen nog procedures aanhangig waren, brengt, anders dan appellant betoogt, evenmin mee dat deze feiten niet bij het bestreden besluit hadden mogen worden betrokken. Verweerders hebben zich terecht gebaseerd op de toentertijd bekende feiten en omstandigheden.

Gelet op de aard, ernst en frequentie van de verschillende overtredingen, zoals die blijken uit de stukken en het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat in dit geval het belang van de doelmatige verwijdering van afvalstoffen zicht verzet tegen vergunningverlening omdat de - legale - continuïteit van de verwijdering van afvalstoffen niet is gewaarborgd. Verweerders hebben daarom terecht de gevraagde vergunning voor het gebruik van de mobiele puinbreker geweigerd.

2.5. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

262.