Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7178

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200200212/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200212/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders Achtkarspelen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2001, kenmerk 8072, hebben verweerders een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Enitor B.V.” (hierna: vergunninghoudster) gelegen op het perceel Beatrixstraat 7-9 te Buitenpost afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 29 november 2001, kenmerk 0101388, verzonden op 29 november 2001, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Ook dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 9 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2002, waar appellanten in persoon en verweerders, vertegenwoordigd door J.W. Kloppenburg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Enitor B.V.”, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 7 april 1999, kenmerk 279-98, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan vergunninghoudster een revisievergunning verleend voor een kunststof– en metaalbewerkingsbedrijf, gelegen op het perceel Beatrixstraat 7-9 te buitenpost, kadastraal bekend gemeente Buitenpost, sectie A, nummers 3812 en 4853.

2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.3. Appellanten voeren aan ernstige hinder te ondervinden van twee lantaarns op het terrein van de inrichting van vergunninghoudster, nu zij direct zicht hebben op de lichtbronnen van deze lantaarns. Verweerders hebben, aldus appellanten, in het bestreden besluit ten onrechte geconcludeerd dat geen reden aanwezig is om handhavend op te treden.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 1.1.5 moeten de in de inrichting aangebrachte of gebezigde verlichting en de te verrichten werkzaamheden zodanig zijn afgeschermd dat buiten de inrichting geen hinderlijke lichtstraling en/of lichtflitsen worden veroorzaakt.

2.3.2. Zoals de Afdeling reeds eerder in haar uitspraak van 5 januari 2001, no. E03.99.0473 heeft bepaald, moet voorschrift 1.1.5 zo worden uitgelegd dat lichtbronnen dusdanig moeten zijn afgeschermd dat daarop geen direct zicht mogelijk is van buiten de inrichting.

Uit het verhandelde ter zitting alsmede de brief van de Inspectie Milieuhygiëne Noord van 11 oktober 2001, kenmerk KL-0199333A/JD/tk, en de overige stukken is gebleken dat ten tijde van het primaire besluit appellanten hinder ondervonden van twee van de zeven lantaarns, gelegen op het terrein van de inrichting, op een afstand van ongeveer 23 en 33 meter van hun woning. De hoogte van de desbetreffende lantaarns bedraagt 2,5 meter. De eerdergenoemde hinder werd veroorzaakt door het directe zicht van appellanten vanuit hun woonkamer op de lichtbronnen van deze twee lantaarns. In overleg met de Inspectie Milieuhygiëne Noord heeft vergunninghoudster in september 2001 voorzieningen getroffen door onder meer aan de binnenkant van de kelken van de twee lichtbronnen afschermende segmenten te plaatsen, zodat geen direct zicht van buiten de inrichting op de desbetreffende lichtbronnen meer mogelijk is. Eerder al had vergunninghoudster zorggedragen voor een permanente halvering van de lichtintensiteit van de desbetreffende lantaarns.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de inrichting ten tijde van het bestreden besluit in werking was conform voorschrift 1.1.5, nu een direct zicht van buiten de inrichting op de desbetreffende lichtbronnen niet meer mogelijk is. Verweerders waren dan ook ten tijde van het bestreden besluit onbevoegd om handhavend op te treden. Zij hebben het verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen op goede gronden afgewezen.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

163-375.