Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200201391/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/2153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201391/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 22 januari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2000 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening.

Bij besluit van 20 maart 2001 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Algemene Beroepscommissie van 29 november 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 22 januari 2002, verzonden op 25 januari 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 april 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door

mr. J.W.M. Velthuizen, J. de Bode en W. van Bladel, allen ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep betwist appellant niet langer dat de exploitatie van de eerder door hem geleide inrichting aan de [locatie] is beëindigd in april 1999. De voor deze inrichting verleende exploitatievergunning heeft op 14 oktober 1999 haar geldigheid verloren. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de burgemeester de aanvraag van 9 november 1999, waarop bij het primaire besluit afwijzend is beslist, terecht als een nieuwe aanvraag heeft beschouwd. De Horecabeleidsnota van de deelgemeente Delfshaven (hierna: de Horecanota), die door de burgemeester als toetsingskader wordt gebruikt bij de afgifte van exploitatievergunningen voor de deelgemeente, strekt tot terugdringing van het aantal horeca-inrichtingen en het weren van nieuwe horeca-inrichtingen op onder meer de Mathenesserweg. In deze straat wordt, zo blijkt uit de Horecanota, veel overlast en hinder ondervonden van horeca, waardoor het woon- en leefklimaat ernstig wordt aangetast.

Volgens het in de Horecanota vervatte beleid, dat de rechtbank terecht niet onredelijk of anderszins onjuist heeft geacht, dient de onderhavige aanvraag derhalve te worden afgewezen.

2.2. Voorts kan worden ingestemd met de overweging van de rechtbank dat de burgemeester, mede gezien de afwijzende adviezen van de districtsrecherche Rotterdam-West en de horecacoördinator Delfshaven, terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht, die tot afwijking van het beleid hadden moeten nopen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem toezeggingen zijn gedaan dat de aanvraag zou worden ingewilligd. Dat zijn inrichting een belangrijke sociale functie in de buurt zou hebben, is evenmin op enigerlei wijze door appellant onderbouwd en kan, wat hier ook van zij, niet afdoen aan de overlast die bewoners van de Mathenesserweg van horeca-inrichtingen stellen te hebben.

2.3. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

306-426.