Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7172

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
200105501/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105501/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2001 heeft de gemeenteraad van Hardenberg, op voorstel van burgemeester en wethouders van 6 februari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Boschkamp, fase II".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 18 september 2001, RWB/2001/1653, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2002, waar gemachtigde van appellant, mr. F.W. van Dijk, advocaat, en verweerders, vertegenwoordigd door drs. E. Munneke, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Namens het gemeentebestuur hebben [gemachtigden] het woord gevoerd.

Ter zitting zijn nadere stukken overgelegd. Appellant heeft de gelegenheid gekregen hierop te reageren. Met instemming van partijen is afgezien van een tweede zitting.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan strekt ertoe de ontwikkeling van een bedrijventerrein ten zuidoosten van de kern Hardenberg mogelijk te maken. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellant voert als formeel bezwaar aan dat het plan in strijd met artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder: Bro) tot stand is gekomen daar overleg met de provinciale planologische commissie (ppc) eerst na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft plaatsgevonden. Hij stelt daardoor in zijn belangen te zijn geschaad daar in de zienswijzen niet op de advisering van de ppc kon worden ingegaan.

2.3.1. Uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur, voorafgaand aan de tervisielegging van het ontwerpplan, op 21 juni 2000 het voorontwerp in het kader van het vooroverleg aan de ppc heeft aangeboden. Daarbij is verzocht om een spoedige reactie in verband met het vervallen van een voorkeursrecht. Zonder dat de reactie van de ppc was ontvangen heeft het gemeentebestuur het ontwerpplan op 24 oktober 2000 ter visie gelegd. Eerst nadien, op 16 januari 2001, is bedoelde reactie ontvangen. Bij de vaststelling van het plan is met deze reactie rekening gehouden.

De Afdeling is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het gemeentebestuur de ppc voldoende gelegenheid heeft geboden om voor de tervisielegging van het ontwerpplan op het voorontwerp te reageren. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat het gemeentebestuur heeft gehandeld in strijd met het recht. Overigens ziet de Afdeling niet in dat appellant in zijn belangen is geschaad, nu hij in de procedure na vaststelling van het plan wel op bedoeld advies van de ppc heeft kunnen ingaan.

2.4. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het plan ten onrechte is goedgekeurd omdat in strijd met artikel 9 van het Bro onvoldoende onderzoek is gedaan naar de economische uitvoerbaarheid van het plan en die uitvoerbaarheid mitsdien niet is aangetoond.

2.4.1. Blijkens de stukken, waaronder de nader ingebrachte stukken, is de gemeente met Mega Vastgoed BV overeengekomen dat deze de realisatie van het bedrijventerrein op zich zal nemen. Hiertoe heeft de gemeente een, bij besluit van 6 juli 1999 door verweerders goedgekeurde, exploitatie-overeenkomst gesloten. Voorts is een exploitatie-berekening van de ontwikkeling van het bedrijventerrein gemaakt. Gezien deze stukken acht de Afdeling onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat niet genoegzaam onderzoek in dit opzicht is gedaan en dat aan de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan getwijfeld zou moeten worden.

2.5. Voorts meent appellant dat het plan ten onrechte is goedgekeurd omdat, in strijd met artikel 9, voornoemd, onvoldoende onderzoek is gedaan naar bodemverontreiniging in het plangebied en derhalve niet is aangetoond dat het plan in dit opzicht uitvoerbaar is.

2.5.1. Gebleken is dat het gemeentebestuur in verband met mogelijke bodemverontreiniging in het plangebied een historisch bodemonderzoek heeft doen verrichten. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 november 2000. Gezien dit rapport is de Afdeling van oordeel dat op basis daarvan het standpunt kon worden ingenomen dat geen sprake is van bodemverontreiniging die de uitvoerbaarheid van het plan twijfelachtig maakt. Weliswaar heeft appellant dit laatste en de deugdelijkheid van het onderzoek bestreden, doch hij heeft daarbij geen gegevens geleverd die zijn stellingen aannemelijk maken. De Afdeling ziet dan ook geen grond om te oordelen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de bodemverontreiniging in het plangebied en, mitsdien, dat in dit opzicht is gehandeld in strijd met artikel 9, voornoemd.

2.6. Appellant heeft aangevoerd dat aan het plan ten onrechte goedkeuring is gehecht voor zover zijn woning en bijbehorend erf zijn wegbestemd. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn woning in het plan kan worden ingepast en dat de waardevolle eiken behouden moeten blijven.

2.6.1. De raad heeft aan de in het geding zijnde gronden de bestemmingen “Stedelijke voorzieningen klasse A met bijbehorende erven”, “Doeleinden van openbaar nut” en “Verkeersdoeleinden” toegekend, teneinde de ontwikkeling van een bedrijventerrein mogelijk te maken. Het plan voorziet niet in de handhaving van het woonperceel van appellant. Blijkens de stukken vloeit een en ander voort uit het gemeentelijk beleid om als subregionale kern te voldoen aan de vraag naar terreinen voor lichte bedrijvigheid en kantoren. Wat betreft het woonperceel van appellant heeft de gemeenteraad het standpunt ingenomen dat handhaving daarvan de voorgestane verkavelings- en bebouwingsstructuur zou belemmeren.

2.6.2. Verweerders achten dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daartoe het standpunt van de raad overgenomen en mede overwogen dat handhaving van het woonperceel van appellant, gezien de omvang daarvan, de hoeveelheid uitgeefbare grond aanzienlijk zou verminderen.

2.6.3. Naar het oordeel van de Afdeling had de gemeenteraad voldoende goede redenen om aan de betrokken gronden genoemde bestemmingen te geven en niet te voorzien in handhaving van het woonperceel van appellant. Ook het daartoe door verweerders nog genoemde argument acht de Afdeling steekhoudend. Aannemelijk is dat het plan waar dit niet voorziet in handhaving van het woonperceel van appellant voor hem bezwaarlijk is. Niet aannemelijk is evenwel geworden dat deze bewaren zo ernstig zijn dat zij niet ondergeschikt konden worden geacht aan de belangen die zijn gediend met het leggen van genoemde bestemmingen op dit perceel.

2.7. Appellant voert aan dat ten onrechte goedkeuring aan het plan is gegeven daar de afstanden van de in het plan ingepaste woningen tot aan de nieuw op te richten bedrijven afwijken van de door het gemeentebestuur gehanteerde VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (verder te noemen: de Brochure).

2.7.1. Verweerders achten het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe hebben zij in aanmerking genomen dat de kleinste afstand tussen de voor bedrijven bestemde gronden en de gevels van bedoelde woningen 16 meter bedraagt. Op deze gronden laat het plan bedrijven toe vallende onder de categorieën 1 en 2 van de lijst van bedrijfstypen van de Brochure. Verweerders hebben onderkend dat in deze lijst ten aanzien van bedrijven die vallen onder categorie 2 als minimale afstand 30 meter wordt genoemd, doch zij hebben erop gewezen dat deze afstand is aangegeven voor de situatie dat de omgeving zich laat typeren als rustige woonwijk. Naar de mening van verweerders maakt de aanwezigheid van bedoelde twee woningen de omgeving echter niet tot een rustige woonwijk, doch kan gesproken worden van het omgevingstype “bedrijvigheid” zoals bedoeld in de Brochure. In die situatie kan, aldus verweerders, volgens de Brochure een afstand van 10 meter worden aangehouden tussen bedrijven behorende tot categorie 2 en woningen.

2.7.2. De Afdeling stelt voorop dat het niet onredelijk is om bij de beantwoording van de vraag welke afstanden tussen bedrijven en woningen in verband met milieuaspecten ruimtelijk aanvaardbaar zijn, de Brochure tot uitgangspunt te nemen.

Daarbij moet erop gewezen worden dat de in de Brochure aangegeven afstanden indicatief van aard zijn en dat afwijking daarvan toelaatbaar is indien zulks uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat verantwoord is.

Uit de stukken blijkt dat op een afstand van respectievelijk 11 en 12 meter van de voor bedrijven bestemde gronden twee, als zodanig bestemde, woningen staan. In de omgeving zijn geen andere woningen aanwezig. De Afdeling is van oordeel dat verweerders onder deze omstandigheden het standpunt hebben kunnen innemen dat de omgeving van de voor bedrijven bestemde gronden niet als een rustige woonwijk als bedoeld in de Brochure valt aan te merken. De Afdeling laat in het midden of hier gesproken kan worden van het omgevingstype “bedrijvigheid”. Gezien het bovenstaande kon evenwel het standpunt worden ingenomen dat hier sprake is van een omgeving waarbij een kleinere afstand dan 30 meter kan worden aangehouden tussen de woningen en de voorziene bedrijven. Van belang acht de Afdeling voorts dat het ingevolge de planvoorschriften verboden is om de voor bedrijven bestemde gronden die buiten de bebouwingsvlakken liggen te gebruiken voor opslag, laden en lossen. Dit betekent dat deze activiteiten niet binnen een afstand van 16 meter van genoemde woningen kunnen plaatsvinden. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders de in het plan opgenomen afstand tussen deze woningen en de voor bedrijven bestemde gronden uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat verantwoord hebben kunnen achten.

2.8. De Afdeling komt tot de slotsom dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. De Rooy

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

59-411.