Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
199900480/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 254K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

199900480/1.

Datum uitspraak: 4 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te [woonplaats],

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

3. [appellant], wonend te [woonplaats],

4. [appellant], wonend te [woonplaats],

5. [appellant], wonend te [woonplaats],

6. [appellant], wonend te [woonplaats],

7. [appellant], wonend te [woonplaats],

8. de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie”, gevestigd te Tilburg (hierna te noemen: BMF),

9. [appellant], wonend te [woonplaats],

10. [appellante], gevestigd te [plaats],

11. [appellant], wonend te [woonplaats],

12. [appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

13. [appellant], wonend te [woonplaats],

14. [appellant], wonend te [woonplaats],

15. [appellanten], beide gevestigd te [plaats] (hierna te noemen: Johema),

16. de raad van de gemeente Reusel-De Mierden (hierna te noemen: de gemeenteraad),

17. [appellant], wonend te [woonplaats],

18. [appellant], wonend te [woonplaats],

19. [appellant], wonend te [woonplaats],

20. [appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

21. [appellanten], beiden wonend te [woonplaats], en

22. [appellante], gevestigd te [plaats]

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft de gemeenteraad van Reusel-De Mierden, op ongedateerd voorstel van burgemeester en wethouders, vastgesteld het bestemmingsplan “Buitengebied 1998”. Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aangehecht.

Verweerders hebben bij besluit van 6 april 1999, nummer 204501, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Als partij hebben zich gemeld [partijen].

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 september 2001 (verder te noemen: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [Appellanten sub 1, sub 2, sub 3, sub 4, sub 5, sub 22, sub 10, sub 18, sub 19 en appellanten sub 20 zijn niet verschenen.

Ook verweerders en de gemeenteraad van Reusel-De Mierden hebben zich laten vertegenwoordigen. Tevens hebben als partij het woord gevoerd [partijen].

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op het gehele buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden met uitzondering van de grote boscomplexen bij het voormalige Mierdense deel.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Ter zitting heeft de BMF haar beroep voor zover gericht tegen de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ingetrokken. Dit onderdeel van het beroep behoeft derhalve geen bespreking meer.

2.4. Toetsingskader

2.4.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. Beroep gemeenteraad voorzover niet betreffende bouwblokken, omschakelingsregeling en detailhandel

2.5.1. De gemeenteraad voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan een aantal aanduidingen van bebouwingslinten type I en type III op plankaart 3 alsmede aan een gedeelte van artikel 10.6.1., tweede lid, onder c, van de voorschriften. Het betreft het zinsdeel waarin bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3, indien zij qua invloed op de omgeving zijn aan te merken als een categorie 2-bedrijf, worden toegestaan in lintbebouwingen van het type III.

2.5.1.1. Verweerders hebben deze planonderdelen in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat het plan op deze punten in strijd zou komen met het provinciaal beleid zoals neergelegd in de “Partiële herziening van het Streekplan Noord-Brabant” uit 1998 (verder te noemen: de partiële herziening).

2.5.1.2. De partiële herziening geeft in hoofdstuk 2 het beleid aan voor het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties. Het beleid is primair gericht op agrarisch hergebruik. Wanneer een locatie hier niet geschikt voor is, komt de vraag aan de orde of sanering in redelijkheid verlangd kan worden. Zo niet, dan kan worden bezien of op de locatie een andere functie kan worden toegelaten. Hierbij dient de volgende volgorde aangehouden te worden: andere aan het buitengebied gebonden functies, aan de agrarische sector verwante bedrijvigheid, niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid, burgerwoning. Aan de agrarische sector verwante bedrijvigheid en niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid zijn alleen mogelijk in een bebouwingsconcentratie. Deze wordt gedefinieerd als “Een door een besluit van de gemeenteraad – bij voorkeur op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening – aangegeven kernrandzone, bebouwingslint, of bebouwingscluster met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet-buitengebiedfuncties. Een bebouwingsconcentratie kan niet gelegen zijn in de Groene hoofdstructuur, noch deze deels overlappen.” Hieruit volgt dat agrarisch gebied agrarisch moet blijven of kan worden hergebruikt voor andere aan het buitengebied gebonden functies of voor woningen. Ten aanzien van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid is voorts nog bepaald dat slechts toegelaten worden activiteiten die kleinschalig zijn en, voorzover het om inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer gaat, inrichtingen die behoren tot de categorieën 1 en 2 van de lijst van bedrijfstypen, opgenomen in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk.

In het bestemmingsplan worden drie linttypen onderscheiden. Linten van het type I hebben een overwegend agrarisch karakter. Binnen linten van het type II ligt de nadruk op de woonfunctie. Linten van het type III worden gekenmerkt door een menging van functies (wonen en agrarisch). In artikel 10.6.1., tweede lid, is onder meer een hergebruikstabel opgenomen, waarin per type lint wordt aangegeven voor welke doeleinden vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen mogen worden hergebruikt. Uit dit artikellid volgt, voor zover hier van belang, dat een vrijkomend agrarisch bedrijf in linttype I, na wijziging van de bestemming, kan worden hergebruikt als agrarisch bedrijf met een nevenfunctie en als semi-agrarisch bedrijf. De nevenfunctie dient een bedrijfsactiviteit te betreffen die voorkomt in de bij de voorschriften gevoegde bedrijvenlijst. Gelet op het overwegend agrarische karakter van het linttype I, alsmede de ruime mogelijkheden voor hergebruik van agrarische bedrijven in dit type, is het bestemmingsplan ten aanzien van de als zodanig aangeduide linten in strijd met het streekplanbeleid. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hoefden vast te houden.

Ten aanzien van de als linttype III aangeduide locaties is niet in geding dat deze (gedeeltelijk) binnen de Groene hoofdstructuur (hierna te noemen: GHS) liggen. Het plan is in zoverre in strijd met het streekplanbeleid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hoefden vast te houden. In dit verband is van belang dat de stelling van appellant dat als gevolg van de onthouding van goedkeuring voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen in de GHS geen ander alternatief bestaat dan opnieuw agrarisch gebruik, geen steun vindt in de tekst en de schema’s van de partiële herziening.

In artikel 10.6.1., tweede lid, onder c, wordt bepaald, voorzover thans van belang, dat in lintbebouwingen van het type III, na wijziging, bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in milieucategorie 1 tot en met 3, waarbij categorie 3-bedrijven uitsluitend zijn toegestaan, indien zij qua invloed op de omgeving zijn aan te merken als categorie 2-bedrijf. Voor de categorieën wordt verwezen naar de bij de voorschriften behorende bedrijvenlijst. Dit betreft een uitgebreide lijst, met onder meer een groot aantal categorie 3-bedrijven. Verweerders hebben dan ook in redelijkheid het standpunt in kunnen nemen dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met het streekplanbeleid. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hoefden vast te houden.

2.5.2. De gemeenteraad voert voorts aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de artikelen 11.5.1. en 12.5.1. van de voorschriften, in welke artikelen een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van de hervestiging van agrarische bedrijven.

2.5.2.1. Verweerders hebben deze artikelen in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en daartoe in aanmerking genomen dat de regeling vestiging van een agrarisch bedrijf in de GHS mogelijk maakt, hetgeen in strijd zou komen met het in het streekplan Noord-Brabant uit 1992 (hierna te noemen: streekplan) neergelegde beleid. Voorts achten verweerders van belang dat de regeling te onbepaald zou zijn.

2.5.2.2. Volgens het streekplan is het provinciaal beleid voor de GHS gericht op het bieden van een planologische basisbescherming. Dit betekent dat de vanuit het natuurbeleid ongewenste (onomkeerbare) veranderingen in de abiotische situatie en de ruimtelijke structuur zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Hieruit volgt dat in beginsel alle vormen van nieuwvestiging van en omschakeling naar glastuinbouw en niet-grondgebonden landbouw voorzover gepaard gaand met nieuwe bebouwing, worden uitgesloten. Onder nieuwvestiging wordt tevens hervestiging verstaan. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk.

Op grond van de artikelen 11.5.1. en 12.5.1. van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd om de bestemming “Semi- of niet-agrarisch bedrijf”, respectievelijk “Wonen”, te wijzigen ten behoeve van de hervestiging van een agrarisch bedrijf door het wederom opnemen van een “Agrarisch bouwblok”, met inachtneming van een aantal voorwaarden. Deze artikelen sluiten niet uit dat wijziging plaatsvindt voor plandelen binnen de GHS en zijn in zoverre in strijd met het streekplanbeleid. Dat aan de wijzigingsbevoegdheden een aantal voorwaarden zijn verbonden kan hier niet aan afdoen, nu in deze voorwaarden geen beperking is opgenomen ter bescherming van de GHS. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hoefden vast te houden. Nu voorts, gelet op de omvang van bestaande semi- en niet-agrarische bedrijven (tussen 60 en 7500 m2), de regeling tot een aanzienlijke verstening kan leiden en geen volwaardigheidseis aan de te vestigen agrarische bedrijven wordt gesteld, is het standpunt van verweerders dat de regeling te onbepaald is, niet onjuist.

2.5.3. De gemeenteraad voert verder aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de artikelen 10.3.7., onder b, en 25.1.5, waar burgemeester en wethouders de bevoegdheid wordt verleend vrijstelling te verlenen voor het bouwen of plaatsen van een windturbine.

2.5.3.1. Verweerders hebben deze artikelen in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat in het plan op dit punt geen onderscheid is gemaakt tussen gronden die liggen in de Agrarische hoofdstructuur (hierna te noemen: AHS) en in de GHS, hetgeen in strijd zou komen met hun beleid inzake het oprichten van windturbines in de GHS.

2.5.3.2. Op pagina 74 van het streekplan wordt bepaald dat plaatsing van windturbines in de GHS is uitgesloten. Dit beleid is niet onredelijk. De bestemmingsplanregeling is hiermee in strijd. De door de gemeenteraad aangevoerde argumenten dat de regeling is opgenomen vanuit een oogpunt van opwekking van duurzame milieuvriendelijke energie en dat de ruimtelijke uitstraling van de turbines beperkt is, doen hier niet aan af. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hoefden vast te houden.

2.5.4. De gemeenteraad voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de artikelen 23.4. en 23.5., in welke artikelen wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van toekomstige ontwikkelingen zijn opgenomen.

2.5.4.1. Verweerders hebben deze artikelen in strijd geacht met het recht, omdat het gebied waarbinnen de wijzigingsbevoegdheden kunnen worden toegepast, onvoldoende zou zijn begrensd, waardoor onvoldoende tot uitdrukking zou komen in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheden gebruik kan worden gemaakt.

2.5.4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan, voorzover hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

In artikel 23.4. van de voorschriften, voor zover thans van belang, is bepaald dat de gebieden, waarop de wijzigingsbevoegdheden van toepassing zijn, op plankaart 3 zijn aangegeven. De wijzigingsbevoegdheden zijn uitsluitend van toepassing voorzover zij noodzakelijk zijn voor de realisering van, onder meer, het (voorlopige) voorstel van de commissie WEB tot begrenzing van een deel van de Ecologische Hoofdstructuur Reusel-De Beerzen (EHS). Nadere detaillering kan plaatsvinden in concrete beheers- en inrichtingsplannen. Mocht bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid blijken dat er een verschil bestaat tussen de begrenzing van een toepassingsgebied ingevolge het betreffende plan of besluit enerzijds en plankaart 3 anderzijds, dan geldt in dat geval de begrenzing ingevolge voornoemde plannen of besluiten. In artikel 23.5.2., voor zover thans van belang, is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om plankaart 3 te wijzigen in verband met en overeenkomstig een gewijzigde vaststelling door Gedeputeerde Staten van de EHS. Uit deze artikelen volgt dat de wijzigingsbevoegdheden afhankelijk zijn van andere plannen en besluiten. Reeds gelet hierop wordt de wijzigingsbevoegdheid in dit geval niet door voldoende objectieve normen begrensd.

2.5.5. Gezien al het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze onderdelen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan deze onderdelen van het plan. Het beroep van de gemeenteraad is in zoverre ongegrond.

2.6. Onthouding goedkeuring omschakelingsregeling en gedeeltelijke onthouding goedkeuring wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting/vormverandering “Agrarisch bouwblok”

2.6.1. De gemeenteraad en [appellanten sub 20] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan een gedeelte van artikel 10.1.1., onder a, sub 2, en de artikelen 10.3.1. en 10.4., onder c., in welke artikelen een regeling is opgenomen voor omschakeling van grondgebonden naar niet-grondgebonden bedrijven.

2.6.1.1. Verweerders hebben deze onderdelen van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat de omschakelingsregeling uit het bestemmingsplan in strijd zou komen met het provinciaal beleid terzake. Voorts vinden zij van belang dat onduidelijk zou zijn of de toegestane uitbreiding betrekking heeft op een vergroting van het bouwblok of op de extensie van de bestaande bebouwing.

2.6.1.2. Zoals reeds in overweging 2.5.2.2. overwogen, acht de Afdeling het provinciaal beleid ten aanzien van de GHS niet onredelijk.

De omschakelingsregeling in het bestemmingsplan maakt het mogelijk dat binnen delen van de GHS wordt omgeschakeld van grondgebonden naar niet-grondgebonden bedrijven. Dit wordt door appellanten niet bestreden. Verweerders hebben het plan in zoverre in strijd met het een goede ruimtelijke ordening kunnen achten. Dat het streekplan, naar appellanten stellen, uitbreiding van bedrijven niet volledig uitsluit op grond waarvan dit ook in het bestemmingsplan mogelijk zou moeten zijn, kan hieraan niet afdoen. Evenmin dat het plan, naar de gemeenteraad stelt, inhoudelijk in overeenstemming is met de gedachten die ten grondslag liggen aan het streekplan. Voorzover [appellanten sub 20] aanvoeren dat verweerders hadden kunnen volstaan met het schrappen van de zinsnede “al dan niet in combinatie met uitbreiding” en dit te vervangen door de passage “indien dit niet met uitbreiding van de bestaande bebouwing gepaard gaat” wordt door hen miskend dat artikel 10:29, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening met zich brengt dat, behoudens de mogelijkheid een aanlegvergunningenstelsel in het leven te roepen, gedeputeerde staten een bestemmingsplan slechts al dan niet gedeeltelijk kunnen goedkeuren of niet goedkeuren. Voor het vervangen van (gedeeltes van) zinnen biedt de wet geen grondslag.

2.6.2. [Appellanten sub 20] voeren verder aan dat verweerders ten onrechte niet zijn ingegaan op hun bedenkingen inzake de voorwaarden, genoemd in artikel 10.3.1., onder c en e.

2.6.2.1. Verweerders hebben deze bedenkingen buiten beschouwing gelaten, omdat zij reeds hadden overwogen dat de omschakelingsregeling niet voor goedkeuring in aanmerking kwam.

2.6.2.2. Gelet op hetgeen in overweging 2.6.1.2. is overwogen, hebben verweerders in redelijkheid de omschakelingsregeling in strijd met het streekplan kunnen achten. Mede gelet op het feit dat het bedrijf van appellanten in de GHS ligt, hebben verweerders op de bedenking van appellanten inzake de voorwaarden niet specifiek behoeven in te gaan.

2.6.3. [Appellant sub 19] en [appellanten sub 20] voeren voorts aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het zinsdeel “”Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden”, “Agrarisch gebied met abiotische waarden”” in de aanhef van artikel 10.5.1. en aan onderdeel c van dit artikel, welke artikelgedeelten een regeling geven voor een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting/vormverandering van agrarisch bouwblokken op gronden met evengenoemde bestemmingen.

2.6.3.1. Verweerders hebben dit onderdeel van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat de wijzigingsbevoegdheid mede toegepast kan worden voor bedrijven in de GHS en onvoldoende garanties biedt ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen in de GHS.

2.6.3.2. Zoals reeds in overweging 2.5.2.2. overwogen, acht de Afdeling het provinciaal beleid ten aanzien van de GHS niet onredelijk. Dat de wijzigingsbevoegdheid mede toegepast kan worden voor bedrijven in de GHS wordt door appellanten niet bestreden. Artikel 10.5.1. stelt in onderdeel e als voorwaarde voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dat deze geen onevenredige schade tot gevolg mag hebben voor de in het betrokken gebied aanwezige waarden en/of voor de belangen van derden. Verweerders hebben in redelijkheid kunnen oordelen dat dit artikel hiermee onvoldoende overeenstemt met het uitgangspunt van het provinciaal beleid dat in de GHS maatwerk nodig is voor de bepaling van de bouwblokgrootten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden.

2.6.4. Gezien al het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze onderdelen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan deze onderdelen van het plan. De beroepen van de gemeenteraad, [appellanten sub 20] en [appellant sub 19] zijn in zoverre ongegrond.

2.7. Onthouding goedkeuring agrarische bouwblokken

2.7.1. De gemeenteraad en [appellant sub 11] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het bouwblok voor het perceel [locatie]. Zij stellen dat de vergroting van het bouwblok nodig is voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 11]. De stallen moeten kunnen worden uitgebreid om te voldoen aan de nieuwe wetgeving ten aanzien van dierenwelzijn.

2.7.1.1. Verweerders hebben dit onderdeel van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat dit bouwblok in strijd is met het provinciaal beleid, dat inhoudt dat een agrarisch bouwblok in de AHS ongeveer 1 hectare en na wijziging 1,5 hectare groot mag zijn. Voor de GHS is een bouwblok op maat met een beperkte uitbreidingsmogelijkheid het algemene uitgangspunt. In het bestemmingsplan is bepaald dat de oppervlakte van agrarische bouwblokken nooit meer mag bedragen dan 1,25 x de oppervlakte van het bouwblok, met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwblok niet meer mag bedragen dan 2 hectare. Dit door het gemeentebestuur gevoerde beleid is een verruiming ten opzichte van het provinciale beleid, aldus verweerders. In aanmerking genomen dat de agrarische bouwblokken in de gemeente Reusel-De Mierden reeds circa 1,5 hectare groot zijn en om de bedrijven toch uitbreidingsmogelijkheden te geven, hebben zij kunnen instemmen met een maximale maat van 2 hectare. Verweerders is echter gebleken dat er in de AHS bouwblokken voorkomen die de evengenoemde maximale maat van 2 hectare aanmerkelijk overschrijden, terwijl de objectieve noodzaak van zodanige omvang niet aannemelijk is geworden. In de GHS, waar een bouwblok op maat met beperkte uitbreidingsmogelijkheden is toegestaan, zijn eveneens zeer ruime bouwblokken opgenomen, waarvan de noodzaak niet is gebleken.

2.7.1.2. [Appellant sub 11] heeft een agrarisch bedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Blijkens de streekplankaart is het bedrijf van appellant gedeeltelijk in de AHS en gedeeltelijk in de GHS gelegen. In het bestemmingsplan heeft het perceel blijkens plankaart 1 de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden“ gekregen. Blijkens plankaart 2 heeft het perceel ook een bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Het toegekende bouwblok heeft een oppervlakte van 1,7 hectare. Op het perceel staan twee woningen, een koeienstal, een kalverenstal, drie varkensstallen en een werktuigenloods. Uit het deskundigenbericht blijkt dat [appellant sub 11] geen concrete uitbreidingsplannen heeft.

Het gemeentebestuur heeft, naar uit de plantoelichting blijkt, als algemeen uitgangspunt dat aan bestaande, reële bedrijven voldoende mogelijkheden moeten worden geboden om ook op termijn levensvatbaar en goed renderende te kunnen blijven. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de bouwblokken ter plaatse al een aanzienlijke omvang hebben, acht de Afdeling het door verweerders ten aanzien van bouwblokken in de AHS en GHS gevoerde beleid, zoals weergegeven in overweging 2.7.1.1., niet onredelijk. Het bouwblok van [appellant sub 11] is niet in overeenstemming met dit beleid. Voor zover appellanten ter rechtvaardiging van de omvang van de in het plan opgenomen bouwblok hebben gewezen op de nieuwe wetgeving ten aanzien van dierenwelzijn overweegt de Afdeling het volgende.

Voor de varkenssector is een groot aantal nieuwe regels in werking getreden. Voor de sector is met name van belang het Besluit van 7 juli 1994, houdende regelen ter zake van het houden en huisvesten van varkens (hierna te noemen: Varkensbesluit 1994). Het betreft een algemene maatregel van bestuur die is gebaseerd op de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. In de artikelen 4 en 5 van het Varkensbesluit 1994 worden de oppervlakten vermeld die minimaal per varken in een stal beschikbaar dienen te zijn. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar gewicht, leeftijd en geslacht van het varken. Verder is in artikel 19 van het Varkensbesluit, zoals dat sedert 1 april 1999 luidt, onder meer bepaald dat alle varkensstallen moeten voldoen aan de maten die vermeld zijn in de artikelen 4 en 5 van dit besluit, met dien verstande dat voor een deel van de maateisen van artikel 19 uitzonderingen van toepassing zijn tot 1 januari 2008, indien de stal vóór 1 november 1998 in gebruik is genomen en na die datum niet is verbouwd of herbouwd.

Gelet op de inhoud van de regelgeving acht de Afdeling het niet onredelijk dat verweerders het standpunt innemen, zoals dat uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, dat de op handen zijnde veranderingen voor de varkenssector geen reden zijn voor de herziening van het beleid, waarbij voor de bepaling van de grootte van een bouwblok voorbij wordt gegaan aan de enkele verwijzing naar de hiervoor genoemde regelingen zonder dat concrete bouwplannen zijn voorgelegd, die gegrond zijn op de eisen die uit die regelingen voortvloeien, niet onredelijk. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het bedrijf eerst op termijn aan de nieuwe regelgeving zal hoeven te voldoen en dat niet is vastgelegd dat de ruimte in het bouwblok alleen kan worden gebruikt voor de vergroting van de opstallen uit hoofde van de veranderde regelgeving. Tevens zal de benodigde staloppervlakte afhankelijk zijn van het gewicht, leeftijd en geslacht van de op dat moment in het bedrijf aanwezige varkens. Het vorenstaande in aanmerking genomen is niet gebleken van omstandigheden waarin verweerders aanleiding hadden moeten zien om niet aan hun beleid vast te houden.

2.7.1.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit onderdeel van het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan het planonderdeel. Het beroep van de gemeenteraad is op dit onderdeel en het beroep van [appellant sub 11] is geheel ongegrond.

2.7.2. De gemeenteraad en [appellanten sub 12] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de bouwblokken voor de percelen [locaties]. Zij stellen dat verweerders ten onrechte een aantal bouwvergunningen buiten beschouwing hebben gelaten. Tevens stellen [appellanten sub 12] dat aan hen een groter bouwblok moet worden toegekend.

2.7.2.1. Verweerders hebben dit onderdeel van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarbij het standpunt ingenomen zoals hierboven verwoord in overweging 2.7.1.1.

2.7.2.2. [Appellanten sub 12] hebben twee agrarische bedrijven aan de [locaties] te [plaats]. Op de bedrijven wordt een gecombineerd agrarisch bedrijf uitgeoefend.

Blijkens de streekplankaart zijn de bedrijven van appellanten gelegen in de AHS. In het bestemmingsplan hebben de percelen blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Het toegekende bouwblok voor het perceel [locatie] heeft een oppervlakte van 3,2 hectare. Op dit perceel staan 3 varkensstallen. Op 19 januari 1998 is een bouwvergunning verleend voor een nieuwe varkensstal en een weegbrug. De vergunning voor de varkensstal is gewijzigd en opnieuw afgegeven op 11 oktober 1999.

Het toegekende bouwblok voor het perceel [locatie] heeft een oppervlakte van 2,6 hectare. Op 10 juni 1996 is een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een aardappelloods. Deze vergunning is gewijzigd en opnieuw afgegeven op 24 februari 2000. Uit het deskundigenbericht blijkt dat deze aardappelloods reeds is gebouwd.

Zoals in overweging 2.7.1.2. reeds is overwogen acht de Afdeling het door verweerders ten aanzien van bouwblokken in de AHS gevoerde beleid, zoals weergegeven in overweging 2.7.1.1., in beginsel niet onredelijk.

Uit het bestreden besluit blijkt evenwel niet dat verweerders de evengenoemde verleende bouwvergunningen in aanmerking hebben genomen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden.

Gelet hierop zijn het beroep van de gemeenteraad en het beroep van [appellanten sub 12] in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre vernietigd te worden wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7.2.3. Met betrekking tot de door [appellanten sub 12] gewenste verdere uitbreiding van de bouwvlakken overweegt de Afdeling dat niet is gebleken van concrete uitbreidingsplannen, anders dan hierboven aangegeven. Gelet hierop hebben verweerders zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen noodzaak bestond in een groter bouwblok dan opgenomen in het bestemmingsplan te voorzien.

Op dit onderdeel is het beroep van [appellanten sub 12] ongegrond.

2.7.3. De gemeenteraad en [appellanten sub 21] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de bouwblokken voor de percelen [locaties]. Zij stellen dat verweerders ten onrechte een aantal bouwvergunningen buiten beschouwing hebben gelaten.

2.7.3.1. Verweerders hebben dit onderdeel van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarbij het standpunt ingenomen zoals hierboven verwoord in overweging 2.7.1.1.

2.7.3.2. [Appellanten sub 21] hebben twee agrarische bedrijven aan de [locaties] te [plaats]. Blijkens de streekplankaart zijn de bedrijven van appellanten gelegen in de AHS. In het bestemmingsplan hebben de percelen blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Op de bedrijven wordt een gecombineerd agrarisch bedrijf uitgeoefend, te weten akkerbouw met intensieve veehouderij.

Het toegekende bouwblok voor het perceel [locatie] bedraagt 4,3 hectare. Op dit perceel zijn vier varkensstallen, drie opslagloodsen en een mestbassin aanwezig. 0p 10 juni 1997 is een bouwvergunning verleend voor een werktuigenloods. Het bouwblok van de [locatie] bedraagt 2,8 hectare. Hierop staan vier varkensstallen, twee opslagloodsen, twee mestbassins en een bedrijfswoning. Op 21 maart 1997 respectievelijk 25 november 1997 zijn bouwvergunningen verleend voor het uitbreiden van varkensstallen, het bouwen van een werktuigenloods en een mestbassin.

Zoals reeds in overweging 2.7.1.2. is overwogen acht de Afdeling het door verweerders ten aanzien van bouwblokken in de AHS gevoerde beleid, zoals weergegeven in overweging 2.7.1.1., in beginsel niet onredelijk.

Uit het bestreden besluit blijkt evenwel niet dat verweerders deze verleende bouwvergunningen in aanmerking hebben genomen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden.

Gelet hierop zijn het beroep van de gemeenteraad op dit onderdeel en het beroep van [appellanten sub 21] geheel gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre vernietigd te worden wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7.4. De gemeenteraad en [appellante sub 22] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het bouwblok voor het perceel aan de [locatie]. Zij stellen dat verweerders onvoldoende rekening hebben gehouden met de nieuwe bedrijfsopzet.

2.7.4.1. Verweerders hebben dit onderdeel van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarbij het standpunt ingenomen zoals hierboven verwoord in overweging 2.7.1.1.

2.7.4.2. [Appellante sub 22] oefent een gecombineerd agrarisch bedrijf, akkerbouw en intensieve veehouderij, uit aan de [locatie A] en de [locatie B] te [plaats]. Blijkens de streekplankaart is het bedrijf van appellanten gelegen in de AHS. In het bestemmingsplan heeft het perceel aan de [locatie A] blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Het toegekende bouwblok heeft een oppervlakte van 2,3 hectare. Op het perceel staan een werktuigenberging, een aardappelloods en twee varkensstallen. Uit het deskundigenbericht blijkt dat [appellante sub 22] geen concrete uitbreidingsplannen heeft.

Zoals reeds in overweging 2.7.1.2. is overwogen, acht de Afdeling het door verweerders ten aanzien van bouwblokken in de AHS gevoerde beleid, zoals weergegeven in overweging 2.7.1.1., niet onredelijk. Het bouwblok van [appellante sub 22] is niet in overeenstemming met het provinciaal beleid. Niet is gebleken van omstandigheden waarin verweerders aanleiding hadden moeten zien om niet aan hun beleid vast te houden.

2.7.4.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit onderdeel van het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan het planonderdeel. Het beroep van de gemeenteraad is op dit punt en het beroep van [appellante sub 22] is geheel ongegrond.

2.7.5. De gemeenteraad voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het bouwblok voor het perceel [locatie]. Hij stelt ten aanzien van dit perceel dat bij de bouwbloktoekenning rekening is gehouden met de ontwikkelingen van het bedrijf, onder andere ten gevolge van de Herstructureringswet voor de varkenshouderij, de welzijns- en gezondheidswetgeving voor dieren en de komende Reconstructiewet.

2.7.5.1. Verweerders hebben dit onderdeel van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarbij het standpunt ingenomen zoals hierboven verwoord in overweging 2.7.1.1.

2.7.5.2. Op het perceel wordt een agrarisch bedrijf uitgeoefend. Blijkens de streekplankaart is het perceel gelegen in de GHS. In het bestemmingsplan heeft het perceel blijkens plankaart 1 de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden“ gekregen. Tevens heeft het perceel blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Het toegekende bouwblok heeft een oppervlakte van 1,8 hectare. Op het perceel staan een bedrijfswoning, een koeienstal en een varkensstal.

Zoals reeds in overweging 2.7.1.2. is overwogen, acht de Afdeling het door verweerders ten aanzien van bouwblokken in de GHS gevoerde beleid, zoals weergegeven in overweging 2.7.1.1, niet onredelijk. Het bouwblok aan de [locatie] is niet in overeenstemming met dit beleid. Voor zover appellant ter rechtvaardiging van de omvang van de in het bestemmingsplan opgenomen bouwblok heeft verwezen naar de gewijzigde regelgeving is de Afdeling van oordeel dat, zoals zij in overweging 2.7.1.2. heeft overwogen, hierin geen grond kan zijn gelegen om van dit beleid af te wijken.

2.7.5.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit onderdeel van het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan het planonderdeel. Het beroep van de gemeenteraad is op dit punt ongegrond.

2.7.6. De gemeenteraad voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het bouwblok voor het perceel [locatie]. Hij stelt ten aanzien van dit perceel dat bij het toekennen van het bouwblok reeds rekening was gehouden met de uitbreiding van het bedrijf, omdat de milieuvergunning nog niet was verleend zijn de bedrijfsgebouwen nog niet in het bouwblok ingetekend.

2.7.6.1. Verweerders hebben dit onderdeel van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben daarbij het standpunt ingenomen zoals hierboven verwoord in overweging 2.7.1.1.

2.7.6.2. Op het perceel werd destijds een melkveehouderij geëxploiteerd. De huidige eigenaar die het perceel in 1991 heeft gekocht wenst er een varkenshouderij te exploiteren. Blijkens de streekplankaart is het perceel in de AHS gelegen. In het bestemmingsplan heeft het perceel blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Het toegekende bouwblok heeft een oppervlakte van circa 2 hectare. Uit het deskundigenbericht blijkt dat ten tijde van het bestreden besluit er voor het perceel geen concrete uitbreidingsplannen waren.

Zoals reeds in overweging 2.7.1.2. is overwogen, acht de Afdeling het door verweerders ten aanzien van bouwblokken in de AHS gevoerde beleid, zoals weergegeven in overweging 2.7.1.1., niet onredelijk. Het bouwblok aan de [locatie] is niet in overeenstemming met het provinciaal beleid. Niet is gebleken van omstandigheden waarin verweerders aanleiding hadden moeten zien om niet aan hun beleid vast te houden.

2.7.6.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit onderdeel van het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan het planonderdeel. Het beroep van de gemeenteraad is in zoverre ongegrond.

2.7.7. De gemeenteraad en [appellanten sub 20] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan een bouwblok voor het perceel [locatie] te [plaats]. De gemeenteraad stelt dat wel een bouwvergunning was afgegeven en er andere uitbreidingsplannen waren, waarmee verweerders rekening hadden moeten houden. [Appellanten sub 20] stellen dat in verband met de continuïteit van het bedrijf een groter bouwblok nodig is. Zij wensen zelfs een groter bouwblok dan waaraan goedkeuring is onthouden.

2.7.7.1. Verweerders hebben dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de uitbreiding van bedrijven in de GHS een terughoudend beleid wordt gevoerd. Bij de uitbreiding van een bouwblok speelt het continuïteitscriterium voor het behoud van een volwaardig bedrijf. Daarbij wordt als uitgangspunt genomen een efficiënt ruimtegebruik. Verweerders wijzen er in dit verband op dat in de GHS slechts bouwvlakken op maat met beperkte uitbreidingsmogelijkheden zijn toegestaan. Terzake is niet duidelijk of een vergroting van het bouwblok naar 3 hectare, met een uitbreidingsmogelijkheid van 8000 m2 noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf, aldus verweerders. De op handen zijnde veranderingen voor de varkenssector zijn bovendien thans nog te vaag en te onduidelijk om de grootte van agrarische bouwblokken aan te passen.

2.7.7.2. [Appellanten sub 20] exploiteren op bovengenoemd perceel een gemengd bedrijf dat bestaat uit een melkrundveehouderij en een varkenshouderij. Blijkens de streekplankaart is het perceel gelegen in de GHS. In het bestemmingsplan heeft het perceel blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Het toegekende bouwblok heeft een oppervlakte van bijna 3 hectare.

De Afdeling acht het door verweerders ten aanzien van het bouwblok hierboven ingenomen standpunt, mede gelet op hetgeen hiervoor in de overwegingen 2.7.1.1. en 2.7.1.2. is overwogen, niet onredelijk. Zij neemt daarbij tevens in aanmerking dat het bouwblok in de GHS is gelegen en de toegekende oppervlakte beduidend groter is dan de in het bestemmingsplan en provinciale beleid opgenomen maxima voor agrarische bouwblokken. Tevens is voorzien in een aanzienlijke uitbreiding van circa 8000 m2.

Naar uit de stukken is gebleken beschikten [appellanten sub 20] ten tijde van het bestreden besluit over (bouw)vergunningen waarvan nog geen gebruik was gemaakt. Uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat verweerders bij het nemen van het bestreden besluit hiermee rekening hebben gehouden. Weliswaar hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat de in het plan opgenomen uitbreiding nodig is voor de continuïteit van het bedrijf, maar naar het oordeel van de Afdeling had het op de weg van verweerders gelegen ook de verleende vergunningen in de besluitvorming te betrekken. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders bij het nemen van het bestreden besluit dan ook onvoldoende onderzoek gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden. Gelet op het vorenstaande zijn het beroep van de gemeenteraad en het beroep van [appellanten sub 20] op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre vernietigd te worden wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7.7.3. Met betrekking tot de door [appellanten sub 20], gewenste verdere uitbreiding van het bouwvlak is de Afdeling van oordeel dat een groter bouwblok dan in het bestemmingsplan is voorzien in strijd is met beleid van verweerders en dat niet aannemelijk is gemaakt dat verweerders in dit geval van het beleid hadden dienen af te wijken.. Gelet hierop hebben verweerders zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen noodzaak bestond in een groter bouwblok te voorzien. Ten aanzien van dit onderdeel is het beroep van [appellanten sub 20] ongegrond.

2.7.8. De gemeenteraad voert voorts aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan een perceel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” aan de [locatie] te [plaats]. Hiertoe stelt hij dat het onjuist is om in dit geval een agrarisch bouwblok toe te kennen dan wel bij een bestaand agrarisch bouwblok te betrekken, nu het hier niet gaat om een volwaardig agrarisch bedrijf. Zij vrezen voor meer verstening van het buitengebied en voor precedentwerking.

2.7.8.1. Verweerders hebben het plan, voor zover de bouw van een schuur niet mogelijk wordt gemaakt, in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij hebben naar aanleiding van de bedenkingen van [partij], die ter plaatse een bijenhal, annex opbergschuurtje annex kweekkas annex schapenschuur wenst op te richten, in aanmerking genomen dat het desbetreffende perceel is omringd door bouwpercelen en is gelegen in een concentratie van agrarische bebouwing. Gelet op de aanwezige agrarische bebouwing zal de bouw van een schuur voor genoemde activiteiten niet tot extra verstening leiden. De activiteiten zijn van zodanige aard dat ze niet op overwegende bezwaren zullen stuiten. Het agrarische bouwperceel aansluitend aan het in geding zijnde perceel is van de ouders van [partij]. Indien het perceel van laatstgenoemde in het agrarisch bouwperceel van zijn ouders zou kunnen worden opgenomen, is de bouw van een schuur mogelijk, aldus verweerders.

2.7.8.2. Uit de stukken blijkt dat [partij] eigenaar is van een perceel van circa 20 meter bij 75 meter aan de [locatie]. Dit perceel heeft blijkens plankaart 1 de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” gekregen. Het perceel is deels in gebruik als moes- en siertuin en voor boomteelt en deels als grasland. [Partij] wenst een schuur van circa 40 m2 te bouwen voor de opslag van tuingereedschap en voor de huisvesting van zijn schapen. Een deel van de schuur zou hij ook als kas voor zijn tuin willen gebruiken.

De Afdeling stelt vast dat de agrarische activiteiten op dit perceel een hobbymatig karakter hebben. Gelet op het provinciaal beleid dat erop is gericht om in het buitengebied niet functionele bebouwing dan wel niet-functioneel aan het buitengebied gebonden activiteiten uit te sluiten om verstening van het buitengebied te voorkomen, is bebouwing ter plaatse in strijd met dit beleid.

Anders dan verweerders stellen blijkt uit het deskundigenbericht dat het perceel niet is gelegen binnen de concentratie van agrarische bebouwing, maar in een open agrarisch gebied net buiten de rand van concentratie van agrarische bebouwing. Naar het oordeel van de Afdeling bestond voor verweerders dan ook geen grond om van het provinciaal beleid af te wijken. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van verweerders naar voren gebracht dat zij ten aanzien van de door [partij] gewenste bebouwing inmiddels een ander standpunt innemen.

2.7.8.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om deze reden goedkeuring aan het plan te onthouden hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van de gemeenteraad is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. Nu ter zitting is gebleken dat verweerders zich niet kunnen vinden in bebouwing ter plaatse en tegen dit plandeel geen andere bedenkingen dan die van [partij] zijn ingediend, ziet de Afdeling aanleiding om alsnog goedkeuring te verlenen aan het perceel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” aan de [locatie].

2.8. Onthouding goedkeuring niet-agrarisch bouwblok

2.8.1. De gemeenteraad en [appellante sub 10] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het plandeel met de bestemming “Semi- of niet-agrarisch bedrijf” met de subbestemming “wegenbouwbedrijf” aan de [locatie]. [Appellante sub 10] heeft hier een wegenbouwbedrijf en grondverzetbedrijf.

2.8.1.1. Verweerders hebben dit gedeelte van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat de grootte van het bouwblok en de toegestane uitbreidingsmogelijkheden niet zouden zijn gemotiveerd, terwijl voorts de milieuhygiënische en ruimtelijke implicaties niet duidelijk zouden zijn en er geen voorwaarde zou zijn gesteld ten aanzien van de landschappelijke inpassing.

2.8.1.2. Niet in geding is dat het wegenbouwbedrijf een niet functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijf betreft. Partijen zijn het er voorts over eens dat het bedrijf ter plaatse gehandhaafd kan worden, nu het hier reeds lang is gevestigd en ook onder het vorige plan als zodanig was bestemd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het wegenbouwbedrijf thans beschikt over twee bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 2.000 m2. Artikel 11.2.2. van de voorschriften maakt het mogelijk dat de bedrijfsbebouwing wordt uitgebreid tot maximaal 4.125 m2. Dit is een uitbreiding met meer dan 100%. Ten aanzien van de situering van de bebouwing binnen het bouwvlak en de landschappelijke inpassing ervan zijn geen voorschriften opgesteld. Gelet hierop is het standpunt van verweerders dat sprake is van een aanzienlijke uitbreiding welke onvoldoende is gemotiveerd, niet onredelijk. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat de omliggende gronden zijn bestemd tot “Agrarisch gebied met landschapswaarden” met de differentiatie “cultuurhistorisch waardevol open akkerlandcomplex”.

2.8.1.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan dit onderdeel van het plan. Het beroep van de gemeenteraad is in zoverre en het beroep van [appellante sub 10] is geheel ongegrond.

2.9. Omvang bouwblokken/uitbreiding bouwblok

2.9.1. De BMF voert onder meer aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan bouwblokken nabij kwetsbare gebieden, zoals bossen. Zij menen dat in dergelijke gevallen een bouwblok op maat moet worden toegekend en moet zijn afgestemd op de omgeving. De milieuwetgeving biedt ruimte voor ongewenste ontwikkelingen, zodat aanvullend ruimtelijk beleid gerechtvaardigd is.

2.9.1.1. Het gemeentebestuur heeft gekozen voor een bouwblok op maat. Dat betekent dat daarbij geen rekening is gehouden met de dispositie van agrarische bedrijven, maar met de ruimtelijk relevante aspecten.

2.9.1.2. Verweerders hebben geen reden gezien deze onderdelen van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze onderdelen van het plan goedgekeurd. Zij hebben daarbij het standpunt van het gemeentebestuur overgenomen.

2.9.1.3. Als algemeen uitgangspunt geldt, blijkens de plantoelichting, voor het gemeentebestuur dat aan bestaande, reële bedrijven voldoende mogelijkheden moeten worden geboden om ook op termijn levensvatbaar en goed renderende te kunnen blijven. Bestaande agrarische bedrijven met een reële bedrijfsomvang (9 Nge of meer) worden positief bestemd (door middel van een agrarisch bouwblok). Bebouwing is alleen toegestaan binnen dit vlak. Het doel is om de bebouwing zoveel mogelijk te concentreren. Het bouwblok omvat in beginsel de bestaande opstallen (woonhuis, stallen, schuren, mestsilo’s, sleufsilo’s, kassen) en biedt de ruimte waar uitbreiding mogelijk is. Elk agrarisch bedrijf krijgt een “bouwblok op maat“. De omvang van het bouwblok wordt gerelateerd aan de reeds bestaande bebouwing, het type bedrijf, de bedrijfsomvang en de ligging in het plangebied; afhankelijk van de aanwezige waarden kan er aanleiding zijn om een bepaalde vorm of omvang van het bouwblok aan te houden. Gezien hun ontwikkelingsbehoefte zullen hoofdberoepsbedrijven meestal een ruimere uitbreidingsmogelijkheid krijgen dan nevenberoepsbedrijven.

De Afdeling stelt vast dat appellante niet heeft aangegeven welke agrarische bouwblokken zij te groot zou vinden. Naar het oordeel van de Afdeling hadden verweerders de uitgangspunten van het gemeentebestuur niet onjuist hoeven te achten. Voorts is niet aannemelijk geworden dat het gemeentebestuur en verweerders bij het toekennen van de bouwblokken niet van deze uitgangspunten zijn uitgegaan. Tevens hebben verweerders aan een aantal agrarische bouwvlakken goedkeuring onthouden omdat niet was gebleken van de noodzaak van de voorziene uitbreiding.

2.9.1.4. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF is wat dit onderdeel betreft ongegrond.

2.9.2. [Appellant sub 7] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het hem toegekende bouwblok. Hij is van mening dat het bouwblok, dat een omvang heeft van 2,6 hectare, moet worden uitgebreid met 1 hectare. Deze verruiming is noodzakelijk met het oog op welzijns- en gezondsheidseisen voor dieren en mestcapaciteit. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat het streekplanbeleid zich hiertegen niet verzet.

2.9.2.1. Het gemeentebestuur heeft het perceel van appellant een primaire agrarische bestemming gegeven en vervolgens aan appellant een bouwblok op maat toegekend.

2.9.2.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze onderdelen van het plan goedgekeurd. Zij hebben daarbij het standpunt ingenomen zoals reeds verwoord in overweging 2.7.1.1. Ter zitting hebben verweerders ter aanvulling nog opgemerkt dat de gronden van appellant deel uitmaken van het ontwikkelingsgebied voor intensieve veehouderij, maar dat dit niet inhoudt dat het provinciale beleid ten aanzien van maximale bouwblokgrootte hier niet van toepassing is.

Voorts hebben verweerders overwogen dat de op handen zijnde veranderingen in de varkenssector thans nog te vaag en te onduidelijk zijn om ten aanzien van het bepalen van de grootte van de bouwblokken een ander standpunt in te nemen. Voorts stellen verweerders dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake is van concrete plannen die thans reeds een nog groter bouwblok toestaan.

2.9.2.3. [Appellant sub 7] oefent een varkenshouderij uit aan de [locatie] te [plaats]. Blijkens de streekplankaart is het bedrijf van appellanten gelegen in de GHS. In het bestemmingsplan heeft het perceel blijkens plankaart 1 de bestemming “Agrarisch gebied” gekregen. Tevens heeft het perceel blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Het toegekende bouwblok heeft een oppervlakte van 2,6 hectare. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is het bouwperceel volgebouwd.

Zoals reeds in overweging 2.7.1.2. is overwogen, acht de Afdeling het door verweerders ten aanzien van bouwblokken in de GHS gevoerde beleid, zoals weergegeven in overweging 2.7.1.1., niet onredelijk. Een verdere uitbreiding van het bouwblok aan de [locatie] is niet in overeenstemming met het provinciaal beleid. De Afdeling wijst erop dat de oppervlakte van het toegekende bouwblok reeds aanzienlijk groter is dan het in het bestemmingsplan gestelde maximum van 2 hectare.

Voor zover appellant ter rechtvaardiging van een groter bouwblok heeft gewezen op de welzijns- en gezondheidswetgeving voor dieren is de Afdeling van oordeel dat, zoals zij in overweging 2.7.1.2. heeft overwogen, hierin geen grond kan zijn gelegen om van dit beleid af te wijken. Evenmin ziet de Afdeling hiertoe aanleiding in het door appellant aangevoerde principe van de “vuile en de schone weg”. Noch in hetgeen is aangevoerd voor een reinigingsplaats voor vrachtwagens.

2.9.2.4. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

2.9.3. [Appellant sub 13] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voor zover voor hem geen tweede bouwblok dan wel een uitbreiding van het bouwblok is opgenomen. Hij wenst zijn huidige bedrijf uit te breiden met een tweede tak pluimveehouderij in de vorm van het houden van scharrelhennen. Deze uitbreiding is noodzakelijk in het kader van de continuïteit van het bedrijf. Uit oogpunt van milieuhygiëne zou het bouwvlak op een perceel grenzend aan het huidige bouwvlak moeten komen.

2.9.3.1. Het gemeentebestuur heeft gesteld dat het bebouwingsvlak van appellant is uitgebreid tot circa 1,3 hectare, waarvan nog 4000 m2 onbebouwd is. Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op een nieuw bouwblok is uitgesloten. Uitbreiding door middel van een bouwvlak op afstand is gelet op de uitgangspunten van het bestemmingsplan niet mogelijk.

2.9.3.2. Verweerders hebben geen reden gezien deze onderdelen van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze onderdelen van het plan goedgekeurd. Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat uitbreiding op afstand, vanuit ruimtelijke optiek, gelijk dient te worden gesteld aan nieuwvestiging. Het bestemmingsplan heeft als uitgangspunt dat nieuwvestiging van agrarische bedrijven in het plan slechts mogelijk is binnen bestaande agrarische bouwblokken, respectievelijk indien hergebruik plaatsvindt van een niet-agrarische bouwlocatie. Dit beleid is niet in strijd met het in het streekplan verwoorde beleid. Voorts hebben verweerders opgemerkt dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt een minimale afstand van 500 meter tussen pluimveebedrijven moet worden aangehouden.

2.9.3.3. [Appellant sub 13] exploiteert een vleeskuikenmoederdierenbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. In het bestemmingsplan heeft het perceel blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Op een perceel aan de [locatie] wil appellant zijn bedrijf uitbreiden met een neventak, die gericht is op de productie van scharreleieren. Evengenoemd perceel is gelegen op circa 160 meter ten zuidwesten van zijn agrarisch bouwblok.

De Afdeling acht het door verweerders ten aanzien van de uitbreiding op afstand ingenomen standpunt niet onredelijk. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de vestiging van een neventak noodzakelijk is uit het oogpunt van de continuïteit van het bedrijf van appellant.

2.9.3.4. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 13] is ongegrond.

2.9.4. [Appellant sub 19] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het hem toegekende bouwblok. Hij stelt dat in verband met de continuïteit van het bedrijf een groter bouwblok nodig is.

2.9.4.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze onderdelen van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze onderdelen van het plan goedgekeurd. Zij menen dat de bebouwing zoals aangegeven bij de milieuvergunning binnen het bouwblok gerealiseerd kan worden. Voorts hebben verweerders overwogen dat de op handen zijnde veranderingen in de varkenssector thans nog te vaag en te onduidelijk zijn om ten aanzien van het bepalen van de grootte van de bouwblokken een ander standpunt in te nemen. Voorts stellen verweerders dat geen sprake is van concrete plannen die thans reeds een nog groter bouwblok toestaan.

2.9.4.2. [Appellant sub 19] oefent een akkerbouwbedrijf en een varkenshouderij uit aan [locatie] te [plaats]. Blijkens de streekplankaart is het bedrijf van appellanten gelegen in de GHS. In het bestemmingsplan heeft het perceel blijkens plankaart 2 de bestemming “Agrarisch bouwblok” met de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw” gekregen. Het toegekende bouwblok heeft een oppervlakte van 2 hectare.

Zoals reeds is overwogen in overweging 2.7.2.1., acht de Afdeling het door verweerders ten aanzien van bouwblokken in de GHS gevoerde beleid, zoals weergegeven in overweging 2.7.1.1., niet onredelijk. Een verdere uitbreiding van het bouwblok aan de [locatie] is niet in overeenstemming met het provinciaal beleid.

Voor zover appellant ter rechtvaardiging van een groter bouwblok heeft gewezen op de op handen zijnde veranderingen in de varkenssector, acht de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen zij in 2.7.1.2. heeft overwogen, het standpunt van verweerders niet onjuist. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken van omstandigheden waarin verweerders aanleiding hadden moeten vinden om niet aan hun beleid vast te houden.

2.9.4.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 19] is op dit onderdeel ongegrond.

2.10. Niet toekennen bouwblok

2.10.1. [Appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voor zover geen bouwblokken zijn opgenomen voor op te richten boomkwekerijen te Hulsel. Zij stellen dat de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch de beslissing op bezwaar betreffende de weigering van de bouwvergunning heeft vernietigd.

2.10.1.1. De gemeenteraad heeft geen bouwblokken toegekend, omdat de raad geen reden zag nieuwvestiging toe te staan. Tevens was er geen aanleiding dit standpunt te wijzigen zolang er nog geen zekerheid bestond over de beroepen tegen de geweigerde bouwvergunning.

2.10.1.2. Verweerders hebben geen reden gezien deze onderdelen van het plan van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze onderdelen van het plan goedgekeurd. Zij hebben daarbij overwogen dat de aan de orde zijnde percelen geheel dan wel gedeeltelijk in de GHS zijn gelegen, terwijl nieuwvestiging van agrarische bedrijven in de GHS is uitgesloten. Voorts hebben verweerders gesteld dat vaststaat dat appellanten nog niet beschikten over een bouwvergunning voor het oprichten van een agrarisch bedrijf ten behoeve van een boomkwekerij. Een dergelijk bedrijf kan derhalve nog niet worden opgericht en in exploitatie genomen.

2.10.1.3. De Afdeling stelt vast dat het perceel aan de [locatie], waar [appellant sub 1], [appellant sub 3], en [appellant sub 4] hun bedrijf wensen te vestigen, in het plan blijkens plankaart 1 de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische waarden” met de differentiatie “geomorfologie (dalvormige laagte)” heeft gekregen. Het perceel maakt deel uit van de GHS.

De percelen aan de [locatie] en de [locatie], waar [appellant sub 5] respectievelijk [appellant sub 2] zich wensen te vestigen, hebben in het plan de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische waarden” gekregen met de differentiaties “struweelvogels”, “geomorfologie (dalvormige laagte)” en “hydrologie (droogtegevoeligheid)”. Het perceel [locatie] ligt geheel en het perceel [locatie] ligt gedeeltelijk in de GHS.

Het in het streekplan opgenomen beleid sluit in beginsel alle vormen van nieuwvestiging van agrarische bedrijven en omschakeling naar glastuinbouw en niet-grondgebonden landbouw voor zover gepaard gaan met nieuwe bebouwing binnen de GHS uit. Dit beleid komt de Afdeling niet onjuist voor.

Voorts wijst de Afdeling erop dat appellanten op 17 april 1997 bouwvergunningen voor evengenoemde percelen hebben aangevraagd, welke zijn geweigerd. Vervolgens heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch op 28 januari 1999 de beslissingen op bezwaar vernietigd. Nadien zijn de bezwaarschriften tegen de geweigerde vergunningen opnieuw ongegrond verklaard. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerders zich op goede gronden op het standpunt hebben gesteld dat ten tijde van het nemen van een bestreden besluit er geen zekerheid bestond over de oprichting van de bedrijven van appellanten.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn ongegrond.

2.11. Beroep BMF voorzover niet betreffende bouwblokken

2.11.1. De BMF voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voorzover hierin de GHS uit het streekplan niet op de plankaart is opgenomen.

2.11.1.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze goedgekeurd. Zij hebben hiertoe in aanmerking genomen dat de gelegde bestemmingen inhoudelijk recht doen aan de belangen die de GHS beoogt te beschermen.

2.11.1.2. De Afdeling overweegt dat in het algemeen, mede gelet op de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht, geen verplichting bestaat om bij de vaststelling van een bestemmingsplan uit te gaan van een gekozen indeling in het van toepassing zijnde streekplan, zolang de gekozen bestemmingen niet in strijd zijn met het streekplanbeleid en overigens recht wordt gedaan aan alle betrokken belangen.

Blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad ervoor gekozen de beleidsmatige indeling in een AHS en een GHS uit het streekplan niet over te nemen in het bestemmingsplan, maar deze te vervangen door een functionele gebiedsindeling met bestemmingen die zijn gebaseerd op het gebruik van de gronden en de aanwezige waarden. Door middel van differentiaties worden de aanwezige waarden nader benoemd, terwijl de bescherming hiervan wordt beoogd met behulp van op deze differentiaties afgestemde aanlegvergunningstelsels. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bescherming inhoudelijk niet voldoet aan de provinciale GHS.

Gelet hierop is het standpunt van verweerders dat de gelegde bestemmingen inhoudelijk recht doen aan de belangen die de GHS beoogt te beschermen en het plan in zoverre niet in strijd is met het streekplanbeleid, niet onjuist.

2.11.2. De BMF is voorts van mening dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voorzover hierin enkele aanlegvergunningplichten niet zijn opgenomen.

2.11.2.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze goedgekeurd. Zij zijn van mening dat het aanlegvergunningstelsel blijk geeft van voldoende afweging van enerzijds de agrarische belangen en anderzijds de belangen van de aanwezige gebiedswaarden en voorts voldoet aan de uitgangspunten die het streekplan terzake geeft. Toevoegingen achten zij niet nodig.

2.11.2.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid met het aanlegvergunningenstelsel hebben kunnen instemmen. In dit verband is van belang dat uit de plantoelichting blijkt dat de gemeenteraad voor de in het plangebied te beschermen waarden is nagegaan welke werken en werkzaamheden een bedreiging vormen en op basis van deze ingreep-effect-relatie het aanlegvergunningstelsel heeft opgesteld. Voor zover appellante ter zitting zeer gedetailleerd heeft aangegeven voor welke werken en werkzaamheden in gebieden met nader aangeduide bestemmingen en differentiaties aanlegvergunningplichten noodzakelijk zouden zijn, is de Afdeling van oordeel dat het op deze wijze geven van een nadere invulling aan de bezwaren in dit stadium van de procedure in strijd is met een goede procesorde. Deze nadere invulling is derhalve buiten beschouwing gelaten.

2.11.3. Gezien al het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze punten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van de BMF is in zoverre ongegrond.

2.12. Speciale bestemmingen en aanlegvergunningstelsels

2.12.1. [Appellant sub 17] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de plandelen op plankaart 1 met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” en differentiatie “cultuurhistorisch waardevol open akkerlandcomplex”, gelegen aan de [locatie], alsmede aan het met deze bestemming samenhangende aanlegvergunningstelsel. Volgens appellant wordt hij onaanvaardbaar in de bedrijfsvoering van zijn laanboomkwekerij belemmerd.

2.12.1.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze goedgekeurd. Zij hebben hiertoe in aanmerking genomen dat de openheid van het gebied niet grootschalig is, maar voldoende kenmerkend om deze kwaliteit in het bestemmingsplan op te nemen. Een aanlegvergunningvereiste ter bescherming hiervan achten zij niet onaanvaardbaar.

2.12.1.2. Uit de toelichting bij het plan blijkt dat het gemeentelijke beleid ten aanzien van de open akkerlandcomplexen is gericht op het behoud en herstel van de karakteristieke openheid. In de voorschriften is daarom een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor onder meer het beplanten van gronden met houtgewas (bos, boomteelt, heesterteelt). Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, liggen de gronden van appellant in een gebied dat bestaat uit grote open akkerbouwpercelen, en kan een deel van de gronden worden aangeduid als een open-akker-complex, ontstaan voor 1840 en deels voor 1500. Voorts hebben de gronden cultuurhistorische waarden. Hieruit blijkt genoegzaam dat de waarden welke de gemeenteraad in dit deel van het plangebied beoogt te beschermen, hier ook aanwezig zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste voor de genoemde werkzaamheden in gebieden met de differentiatie “cultuurhistorisch waardevol open akkerlandcomplex” niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Niet aannemelijk is voorts gemaakt dat het aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden.

2.12.1.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 17] is ongegrond.

2.12.2. [Appellant sub 14] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de plandelen op plankaart 1 met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” en differentiatie “cultuurhistorisch waardevol open akkerlandcomplex”, kadastraal bekend […], gelegen langs [locatie], alsmede aan het met deze bestemming samenhangende aanlegvergunningstelsel. Volgens appellant zijn de te beschermen waarden in dit gebied niet aanwezig.

2.12.2.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze goedgekeurd. Zij hebben hiertoe in aanmerking genomen dat de kenmerken aanwezig zijn van een open akkerlandcomplex (een samenhang van kenmerken zoals reliëf, bodemopbouw, inrichting, bebouwingspatroon). Het uitgangspunt van het bestemmingsplan om een groter gebied met de genoemde kenmerken aan te geven, achten zij niet onaanvaardbaar.

2.12.2.2. Blijkens het deskundigenbericht liggen de gronden van appellant in een gebied waarvan de landschapseenheid wordt gekenmerkt door open, bolle terreinen, begrensd door bebouwing in kernen en langs radiale wegen. Door erf- en wegbeplanting hebben de gronden een meer besloten karakter. Deze elementen voorkomen dat het gebied een uitgestrekte openheid bezit.

Ter zitting hebben verweerders verklaard dat zij de bevindingen in het deskundigenbericht dat met betrekking tot de gronden van appellant geen sprake is van een open landschap, onderschrijven. In verband hiermee achten zij de aanlegvergunningplicht niet langer noodzakelijk.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende op de hoogte hebben gesteld van de relevante feiten en omstandigheden. Het beroep van [appellant sub 14] is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Nu verweerders hebben verklaard dat zij niet met de aan de in geding zijnde plandelen gegeven bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” en differentiatie “cultuurhistorisch waardevol open akkerlandcomplex” kunnen instemmen, ziet de Afdeling voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien, door alsnog aan de desbetreffende plandelen goedkeuring te onthouden.

2.12.3. [Appellant sub 14], [appellant sub 19] en [appellanten sub 20] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de plandelen op plankaart 1 aan weerszijden van [locatie] met de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden” met de differentiaties “struweelvogels”, “geomorfologie (dalvormige laagte)” en “hydrologie (droogtegevoeligheid)” en de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische waarden” met de differentiatie “geomorfologie (dalvormige laagte)” voor zover het betreft de gronden waar appellanten hun bedrijven uitoefenen. Volgens appellanten zijn de betreffende waarden ter plaatse niet aanwezig en worden zij door de bestemmingen en het hieraan gekoppelde aanlegvergunningstelsel onaanvaardbaar in hun bedrijfsvoering beperkt.

2.12.3.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze goedgekeurd. Zij hebben hierbij in aanmerking genomen dat voldoende onderzoeksgegevens beschikbaar zijn die aantonen dat de waarden ter plaatse aanwezig zijn. Derhalve achten zij regelgeving die is gebaseerd op de landschappelijke kenmerken geboden.

2.12.3.2. De Afdeling stelt vast dat de beroepen van [appellant sub 19] en [appellanten sub 20], voorzover deze zijn gericht tegen de goedkeuring van de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische waarden” met de differentiatie “geomorfologie (dalvormige laagte)” voor gronden waarop zij hun bedrijven uitoefenen, feitelijke grondslag missen. Blijkens het deskundigenbericht hebben appellanten dergelijke gronden niet in hun bezit.

Uit de toelichting bij het plan blijkt dat de gemeenteraad zich voor de noodzakelijke onderzoeksgegevens in hoofdzaak heeft gebaseerd op de zogenoemde “Paraplunota”. Deze nota is opgesteld door zes gemeenten met het oog op de herziening van de bestemmingsplannen voor het buitengebied van deze gemeenten en bevat onder meer informatie over het voorkomen van (a)biotische waarden ter plaatse van het buitengebied van deze gemeenten. De gemeenteraden van de voormalige gemeenten Reusel en Hooge en Lage Mierde hebben deze nota vastgesteld op respectievelijk 19 juni 1995 en 23 januari 1996. Verder is gebruik gemaakt van verschillende (ecologische) notities, terwijl voorts uit het streekplan en het hierbij behorende rapport “Ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur” blijkt dat het gebied behoort tot een natuurkerngebied van de GHS voor onder meer struweelvogels. Aan laatstgenoemde nota is uitgebreid onderzoek voorafgegaan. Niet aannemelijk is geworden dat niet van de gegevens uit deze stukken mocht worden uitgegaan, terwijl voorts niet is gebleken dat de gegevens op onjuiste wijze in het bestemmingsplan zijn verwerkt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid met de bestemming hebben kunnen instemmen. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste in gebieden met de differentiaties “struweelvogels”, “geomorfologie (dalvormige laagte)” en “hydrologie (droogtegevoeligheid)” niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Niet aannemelijk is voorts gemaakt dat het aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden.

2.12.3.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze punten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan.

De beroepen van [appellant sub 14], [appellant sub 19] en [appellanten sub 20] zijn in zoverre ongegrond.

2.12.4. [Appellant sub 18] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de plandelen langs de [locatie] met de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden” met de differentiaties “weidevogels”, “geomorfologie (dalvormige laagte)” en “hydrologie (droogtegevoeligheid)” waar appellant zijn agrarisch bedrijf uitoefent. Volgens appellant is er onvoldoende onderzoek verricht ter rechtvaardiging van de differentiatie “weidevogels” en wordt hij door het aan deze differentiatie gekoppelde aanlegvergunningstelsel en gebruiksvoorschriftenregime onaanvaardbaar in zijn bedrijfsvoering beperkt. Voorts betwist appellant de opname van zijn gronden in de EHS. Hij vreest dat een agrarisch bedrijf in de EHS zich in de toekomst niet verder zal kunnen ontplooien.

2.12.4.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze goedgekeurd. Zij hebben hierbij in aanmerking genomen dat voldoende onderzoeksgegevens beschikbaar zijn die aantonen dat de waarden ter plaatse aanwezig zijn. Derhalve achten zij regelgeving die is gebaseerd op de landschappelijke kenmerken geboden.

2.12.4.2. Zoals in overweging 2.12.3.2. reeds is overwogen, is voldoende onderzoek naar de ter plaatse aanwezige natuurwaarden verricht. Niet is aannemelijk gemaakt dat de hieruit voortkomende gegevens op onjuiste wijze in het bestemmingsplan zijn verwerkt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid met de bestemming en de differentiatie hebben kunnen instemmen. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding om te oordelen dat het aanlegvergunningvereiste en gebruiksvoorschriftenregime in gebieden met de differentiaties “struweelvogels”, “geomorfologie (dalvormige laagte)” en “hydrologie (droogtegevoeligheid)” niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Niet aannemelijk is voorts dat het aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden.

Voor zover appellant een beroep doet op het Koninklijk Besluit van 26 juli 1990, no. 90.01730, merkt de Afdeling op dat in dit Koninklijk Besluit goedkeuring werd onthouden aan de aanduiding “weidevogel- en ganzengebied”, omdat de begrenzing van het gebied waar de aanduiding betrekking op had, uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar werd geacht. Niet is overwogen dat deze aanduiding en het daaraan gekoppelde aanlegvergunningstelsel niet noodzakelijk zouden zijn.

Op plankaart 3 is een deel van de gronden van appellant aangewezen als reservaatsgebied ten behoeve van de toekomstige ontwikkeling van de EHS. Volgens de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 23.2. van de voorschriften zal het beheer in dit gebied primair gericht worden op behoud en ontwikkeling van de aanwezige waarden van natuur en landschap. Na verwerving zullen de reservaatsgebieden worden aangepast aan de geformuleerde doelstellingen. Voor zover ter realisering van de doelstellingen een wijziging van de bestemming nodig is, wordt in artikel 23.5. aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om, voorzover noodzakelijk na verwerving op vrijwillige basis van de betrokken gronden, de bestemmingen ingevolge het bestemmingsplan te wijzigen. Hieruit volgt dat eerst nadat overeenstemming is bereikt met de eigenaar van de gronden en de gronden zijn aangekocht, gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Weliswaar is aan artikel 23.5. door verweerders goedkeuring onthouden en is dit door de Afdeling aanvaardbaar geacht, doch dit is gebeurd om andere redenen, zoals reeds overwogen in overweging 2.5.4.2. Uit de stukken blijkt dat verweerders geen bezwaar tegen de wijzigingsbevoegdheid als zodanig hebben.

2.12.4.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 18] is ongegrond.

2.13. Detailhandel

2.13.1. De gemeenteraad en [appellant sub 9] voeren aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan artikel 10.3.11. van de voorschriften, inzake een vrijstellingsregeling voor detailhandel/agrotoerisme.

2.13.1.1. Verweerders hebben dit artikel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij zijn van mening dat het gedeelte onder a geen zelfstandige betekenis toekomt, het gedeelte onder b in strijd is met het streekplanbeleid en dat de vrijstellingsmogelijkheid voor extensieve dagrecreatie en/of educatie te onbepaald is.

2.13.1.2. Artikel 10.3.11., aanhef en onder a, bepaalt dat de verkoop in het klein als niet-zelfstandig onderdeel van het agrarisch bedrijf voorzover deze geacht wordt te behoren tot de agrarische bedrijfsvoering c.q. voorzover deze verkoop in het bedrijf geproduceerde goederen betreft, steeds is toegestaan. Nu deze bepaling vrijwel letterlijk ook is opgenomen in de begripsomschrijving van agrarisch bedrijf (artikel 1, onder 36) en voorts de doeleindenomschrijving voor een agrarisch bouwblok (artikel 10.1.) hiermee niet in strijd is, hebben verweerders in redelijkheid kunnen overwegen dat dit artikelgedeelte geen zelfstandige betekenis toekomt.

Artikel 10.3.11, aanhef en onder b, geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid vrijstelling te verlenen voor detailhandel in streekeigen agrarische producten.

Blijkens het streekplan is het provinciaal beleid erop gericht bedrijvigheid die niet functioneel aan het buitengebied is gebonden, hieruit te weren. Ter realisering van dit beleid is het van belang niet functioneel gebonden bedrijvigheid te voorkomen. Dit beleid is in het algemeen niet onredelijk. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat de vrijstellingsbevoegdheid de mogelijkheid geeft tot de vestiging van nieuwe detailhandel, waarbij niet duidelijk is hoe deze activiteit zich dient te verhouden tot de agrarische functie van de bedrijven in dit gebied. Gelet hierop hebben verweerders dit artikel in zoverre in redelijkheid in strijd met hun beleid kunnen achten.

Ten aanzien van de mogelijkheid vrijstelling te verlenen voor extensieve dagrecreatie en/of educatie biedt artikel 10.3.11. ruime mogelijkheden, aangezien dit in gehele bedrijfsgebouwen wordt mogelijk gemaakt en niet duidelijk is hoe deze activiteit zich dient te verhouden tot het uitgeoefende agrarische bedrijf. Derhalve hebben verweerders dit artikel op dit punt in redelijkheid te onbepaald kunnen achten.

2.13.1.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan dit onderdeel van het plan. Het beroep van de gemeenteraad is ook op dit punt en het beroep van [appellant sub 9] is in zoverre ongegrond.

2.13.2. [Appellant sub 9] voert verder aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend, voorzover hierin aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch bouwblok” aan de [locatie], waar appellant zijn agrarisch bedrijf uitoefent, niet de nevenbestemming “detailhandel” is toegekend.

2.13.2.1. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben hierbij in aanmerking genomen dat hun beleid erop is gericht detailhandel alleen toe te staan als ondergeschikte nevenactiviteit bij een aanwezig bedrijf of beroep. Ten aanzien van verkoop van elders gekweekte bloemen en planten zijn verweerders van mening dat deze activiteit niet thuishoort in het buitengebied.

2.13.2.2. Het bedrijf van appellant is in hoofdzaak een agrarisch bedrijf. Sinds 1993 worden als nevenactiviteit bloemen en planten geteeld en verkocht. Deze activiteiten worden door het plan toegestaan. Voorts worden op kleine schaal bloemen en aanverwante artikelen bij een groothandel ingekocht en in de winkel van appellant verkocht. Dit is niet in overeenstemming met de op het plandeel gelegde bestemming. Uit de stukken blijkt voorts dat dit onder het vorige plan evenmin was toegestaan. Indien het bedrijf de nevenbestemming “detailhandel” krijgt, is ook deze activiteit in overeenstemming met het plan.

Zoals hiervoor in overweging 2.13.1.2 reeds overwogen is het provinciaal beleid erop gericht bedrijvigheid die niet functioneel aan het buitengebied is gebonden, hieruit te weren. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders naar aanleiding van de bedenkingen van [appellant sub 9] dit beleid, voorzover het betreft detailhandel, zo willen invullen dat verkoop van in het eigen bedrijf geproduceerde artikelen is toegestaan, maar verkoop van elders geproduceerde artikelen, dient te worden geweerd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het gemeentebestuur voorafgaande aan de vaststelling van het plan een inventarisatie heeft gemaakt welke agrarische bedrijven in het plangebied als nevenactiviteit detailhandelsactiviteiten ontplooien. Ter zitting heeft de gemeenteraad aangegeven dat niet ondenkbaar is dat het bedrijf van [appellant sub 9] bij deze inventarisatie over het hoofd is gezien. Voorts staat vast dat een aantal van deze bedrijven die evenals appellant over een verkoopruimte beschikken en niet door het bedrijf geproduceerde artikelen verkopen, wel een nevenbestemming “detailhandel” hebben gekregen. Appellant heeft hier reeds in zijn bedenkingen op gewezen.

Gelet op deze omstandigheden hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aangegeven, waarom zij in dit geval niet met een nevenbestemming “detailhandel” zouden kunnen instemmen.

2.13.2.3. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 9] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.14. Beroep Johema

2.14.1. Johema voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voorzover dit niet voorziet in extra mogelijkheden voor bebouwing, detailhandel, groothandel, buitenopslag en parkeervoorzieningen voor haar bedrijf aan de Turnhoutseweg 40/42 te Reusel.

2.14.1.1. Verweerders hebben geen reden gezien deze gedeelten van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze planonderdelen goedgekeurd. Zij hebben bij hun toetsing in aanmerking genomen dat extra mogelijkheden in strijd zijn met het provinciaal beleid inzake niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid.

2.14.1.2. Blijkens het streekplan is het provinciaal beleid erop gericht bedrijvigheid die niet functioneel aan het buitengebied is gebonden, hieruit te weren. Ter realisering van dit beleid is het van belang niet functioneel gebonden bedrijvigheid te voorkomen en waar mogelijk te saneren. Bestaande niet-functioneel gebonden bedrijven in het buitengebied waarvoor de overheid geen actief saneringsbeleid nastreeft, dienen in een positieve bestemming te worden vervat, waarbij in het algemeen redelijke uitbreidingsmogelijkheden moeten worden gewaarborgd. Dit hoeft niet te gebeuren indien voor het bedrijf een zodanige uitbreiding in de lijn der verwachting ligt, dat handhaving van dat bedrijf in het buitengebied de gewenste ontwikkeling van de buitengebiedfuncties blokkeert en verplaatsing naar een bedrijven- of industrieterrein voor de hand ligt. Dit beleid is in het algemeen niet onredelijk.

2.14.1.3. Johema is een detailhandel in huis-, tuin- en dierbenodigdheden, hobby- en vrijetijdsartikelen alsmede agrarische en industriële producten. Voorts vinden op beperkte schaal groothandelsactiviteiten plaats en worden reparatiewerkzaamheden verricht in een werkplaats. Het bedrijf is derhalve een niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijf. Het bedrijf heeft thans 2540 m2 aan bebouwing.

Het perceel waarop het bedrijf wordt uitgeoefend, is gedeeltelijk bestemd tot “Detailhandel” en gedeeltelijk tot “Agrarisch gebied”. Ingevolge artikel 13.1.1. van de voorschriften is de detailhandel beperkt tot de eerste bouwlaag. Voorts staan de bouwvoorschriften maximaal 2800 m2 aan bedrijfsbebouwing toe. Hieruit volgt dat de bestaande legale activiteiten als zodanig zijn bestemd en het plan hiervoor enige uitbreidingsmogelijkheden biedt.

Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de buitenopslag en de detailhandel op illegale wijze tot stand zijn gekomen. Voorzover appellante heeft aangevoerd dat de buitenopslag en detailhandel op de tweede bouwlaag onder de werking van het vorige plan waren toegestaan, wijst de Afdeling erop dat het perceel in het vorige plan was bestemd voor een textiel- en schoenhandel en het plan enkel activiteiten toestond ten dienste van deze bestemming. Appellante kan hieraan dan ook geen rechten ontlenen voor haar detailhandel in huis-, tuin- en dierbenodigdheden, wat er verder ook zij van de vraag of in het algemeen aan het vorige plan rechten kunnen worden ontleend. Artikel 13.1.1. van de voorschriften staat geen groothandelsactiviteiten toe, terwijl buitenopslag tot verboden gebruik wordt gerekend. Voorts is ter zitting gebleken dat het gemeentebestuur ten aanzien van deze illegaal tot stand gekomen activiteiten handhavend zal optreden.

2.14.1.4. Gelet op het vorenstaande volgt de Afdeling verweerders in hun standpunt dat de mogelijkheden die het plan biedt, in overeenstemming zijn met het provinciaal beleid, maar extra mogelijkheden hiermee in strijd zouden komen. Verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein ligt dan in de rede. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. In dit verband is nog van belang dat parkeervoorzieningen zijn toegestaan op gronden met de bestemming “Detailhandel”. Nu uit de stukken is af te leiden dat deze gronden niet volledig zijn bebouwd, is niet aannemelijk dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt om in voldoende parkeerplaatsen te voorzien.

2.14.1.5. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van Johema is ongegrond.

2.15. Cultuurhistorisch waardevol pand

2.15.1. [Appellant sub 6] voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover hierin zijn bedrijfswoning is aangeduid als “cultuurhistorisch waardevol pand”. Deze aanduiding zou wijziging van zijn bedrijfsvoering onmogelijk maken.

2.15.1.1. De gemeenteraad en verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het pand, gelet op de typering van het pand in het Monumenten Inventarisatie Plan van de provincie Noord-Brabant (1992), van cultuurhistorisch belang is en daarom als zodanig nader aangeduid moet worden.

2.15.1.2. Niet in geding is dat de woning is opgenomen in de “Cultuurhistorische Inventarisatie Noord-Brabant, Monumenten Inventarisatie Plan Gemeente Hooge en Lage Mierde” van de provincie Noord-Brabant (1992). De keuze om ten behoeve van het behoud en de bescherming van het pand een nadere aanduiding in het plan op te nemen, is dan ook niet onredelijk. Dat er wellicht nog meer panden zijn met een vergelijkbare cultuurhistorische waarde kan hieraan niet afdoen. Het is de Afdeling voorts niet gebleken dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen te weinig gewicht hebben toegekend aan het belang van appellant bij een gewijzigde bedrijfsvoering.

2.15.1.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht in zoverre goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.

2.16. Proceskostenveroordeling

2.16.1. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 12], [appellant sub 14], [appellanten sub 20] en [appellanten sub 21] te worden veroordeeld. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om verweerders in de proceskosten van [partij] te veroordelen, nu zij, naar ter zitting is gebleken, thans een ander standpunt innemen dan in het bestreden besluit is vastgelegd.

Ten aanzien van [appellant sub 9] en de gemeenteraad is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], de BMF, [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 13], Johema, [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19] en [appellante sub 22] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 21] geheel en de beroepen van [appellant sub 9], [appellanten sub 12], [appellant sub 14], de gemeenteraad en [appellanten sub 20] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 6 april 1999, nummer 204501,

voorzover hierbij goedkeuring is verleend aan:

a. het plandeel op plankaart 1 met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” en differentiatie “cultuurhistorisch waardevol open akkerlandcomplex”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 1;

b. het plandeel op plankaart 2 met de bestemming “Agrarisch bouwblok” en de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2;

en voorzover bij dit besluit goedkeuring is onthouden aan:

c. de plandelen op plankaart 2 met de bestemming “Agrarisch bouwblok” en de subbestemming “agrarisch bouwblok, geen glastuinbouw”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaarten 3 en 4;

d. het plandeel op plankaart 2 met, ingevolge plankaart 1, de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” en differentiatie “cultuurhistorisch waardevol besloten akkerlandcomplex”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 5;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder IIa. genoemde plandeel;

IV. verleent goedkeuring aan het onder IId. genoemde plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd en door de Afdeling zelf in de zaak is voorzien;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], de BMF, [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 13], Johema, [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19] en [appellante sub 22] geheel en de beroepen van [appellant sub 9], [appellanten sub 12], [appellant sub 14], de gemeenteraad en [appellanten sub 20] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door een aantal appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot de volgende bedragen:

a. € 644,00 aan [appellanten sub 12], welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 644,00 aan [appellant sub 14], welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 322,00 aan [appellanten sub 20], welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. € 644,00 aan [appellanten sub 21], welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. € 38,40 aan [partij];

de bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan de volgende appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt: [appellant sub 9] (€ 102,10), [appellanten sub 12] (€ 102,10), [appellant sub 14] (€ 102,10), de gemeente Reusel-De Mierden (€ 204,20), [appellanten sub 20] (€ 102,10), en [appellanten sub 21] (€ 102,10).

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002

196-350.