Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE7140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
03-09-2002
Zaaknummer
200103491/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi RV20010019 met annotatie van A.B. Terlouw
AB 2002, 383 met annotatie van I. Sewandono

Uitspraak

Raad

van State

200103491/1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant A en B],

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 5 juli 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 juli 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door hen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 juli 2001 heeft de Staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de Afdeling zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.

2.2. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van artikel 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep, die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.

2.3. In grief I betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat aanvragen als de hunne niet in het aanmeldcentrum mogen worden afgewezen, omdat die procedure slechts bedoeld is voor kennelijk ongegronde of frauduleuze asielverzoeken. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat het er bij de toetsing of de aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen om gaat of het desbetreffende besluit binnen 48 uur op zorgvuldige wijze is genomen. Dit mondt uit in een beoordeling van het naar de gedane aanvraag verrichte onderzoek en de motivering van de afwijzing. De wet biedt geen grondslag voor het betoog dat bepaalde categorieën aanvragen, als door appellanten aangegeven, zijn uitgesloten van behandeling in het aanmeldcentrum. Het aangevoerde levert dan ook geen grond op voor het oordeel dat de rechtbank ten aanzien van appellanten ten onrechte heeft overwogen dat hun aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen. Deze grief treft geen doel.

2.4. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift wordt aangevoerd, stelt geen rechtsvragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Dat de rechtbank in een andere zaak, naar appellanten stellen, anders heeft geoordeeld, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat van een zodanig belang sprake is en ook anderszins leidt het door appellanten aangevoerde niet tot dat oordeel.

Gelet op het vorenstaande, kunnen de grieven II en III evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, worden volstaan.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Groeneweg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2001

32-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,