Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
200200412/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200412/1.

Datum uitspraak: 28 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen, en de stichting "Stichting Wakker Dier", gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2001, kenmerk 99/2000, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 14 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 februari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. G.A.M. Bellomo, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord vergunninghouders, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 28 melkkoeien in een Groen Label-stal (BB 97.05.055) en 527 vleesstierkalveren.

2.2. Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet), zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel, zoals dat destijds luidde, kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 7 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die die veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

Het gemeentebestuur van Barneveld maakt gebruik van een door de gemeenteraad vastgesteld en door gedeputeerde staten van Gelderland goedgekeurd ammoniakreductieplan, het ammoniakreductieplan “Agrarische Enclave Uddel-Elspeet-Garderen-Speuld” (hierna: het ARP-AE), als bedoeld in artikel 8 van de Interimwet.

In paragraaf 7.3 van het ARP-AE is bepaald dat bij toepassing van de saldomethode een korting van 50% wordt toegepast op de te verplaatsen emissie. Voorts is in het ARP-AE vermeld dat voor vleeskalveren een korting van 25% geldt, tot voor vleeskalveren een emissie-arm stalsysteem voorhanden is. Zodra er een emissie-arm stalsysteem is, geldt, aldus het ARP-AE, ook voor kalveren een korting van 50%.

2.3. Appellanten betogen dat het ARP-AE in strijd is met de Interimwet, nu hierin verschillende reductiepercentages zijn opgenomen, afhankelijk van de diersoort ten behoeve waarvan toepassing wordt gegeven aan de saldomethode. Zij zijn voorts van mening dat de regeling in het ARP-AE onjuist is toegepast aangezien de korting van 25% die in het ARP-AE is vermeld, niet geldt voor vleesstierkalveren.

2.3.1. Vaststaat dat verweerders bij het verlenen van de gevraagde vergunning de saldomethode, als bedoeld in paragraaf 7.3 van het ARP-AE hebben toegepast. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 22 mei 2002, no. 200001930/1 (aangehecht), overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat deze in het ARP-AE neergelegde regeling van de saldomethode is aan te merken als een met het recht strijdige implementatie van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet. De Afdeling ziet in het onderhavige geval geen grond voor een ander oordeel. Weliswaar verzet de Interimwet zich, zoals appellanten stellen, er tegen dat in een ammoniakreductieplan een regeling wordt getroffen waarbij omstandigheden die geen verband houden met het bereiken van de doelstellingen van die wet bepalend zijn voor de vaststelling van de waarde van de ammoniakdepositie, maar blijkens het ARP-AE berust het gemaakte onderscheid op de beschikbare technische middelen om tot een reductie van de ammoniakemissie te komen. Dit is een onderscheid dat verenigbaar is met de Interimwet.

Wat de toegepaste korting van 25% op vleesstierkalveren betreft, heeft de Afdeling in haar hiervoor genoemde uitspraak van 22 mei 2002 geoordeeld dat onder de in paragraaf 7.3 van het ARP-AE genoemde vleeskalveren waarvoor een reductiekorting van 25% geldt, ook vleesstierkalveren moeten worden begrepen. Gelet hierop hebben verweerders in het onderhavige geval op goede gronden genoemd reductiepercentage toegepast.

Gezien het vorenstaande treffen de bezwaren op dit punt geen doel.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.5. Appellanten vrezen voor (cumulatieve) stankhinder. Zij voeren hiertoe aan dat verweerders de bestaande rechten onjuist hebben beoordeeld.

2.5.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd, voorzover het betreft de minimaal aan te houden afstanden en de afstandsmeting. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

Verweerders hebben het bestreden besluit voor zowel de van de inrichting te duchten enkelvoudige stankhinder als voor de van de inrichting te duchten cumulatieve stankhinder gebaseerd op bestaande rechten. Zij betogen dat er sprake is van een geringe afname van het aantal mestvarkeneenheden en dat de afstanden van de dichtstbijzijnde woningen tot de emissiepunten van de inrichting gelijk blijven. Ten aanzien van de cumulatieve stankhinder hebben zij zich, gezien de afname van het aantal mestvarkeneenheden, op het standpunt gesteld dat de cumulatieve stankhinder niet behoeft te worden berekend.

2.5.2. Niet in geschil is dat het bij het bestreden besluit vergunde veebestand met toepassing van de omrekeningsfactoren van de Richtlijn overeenkomt met 175,7 mestvarkeneenheden. Uit het bestreden besluit blijkt dat op een afstand van 30 meter een categorie III-object, als bedoeld in de brochure, is gelegen en op een afstand van 27 meter een categorie IV-object. Volgens de bij de Richtlijn behorende afstandsgrafiek moet, in geval van 175,7 mestvarkeneenheden, tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting en het dichtstbijzijnde categorie III-object een afstand van minimaal 60 meter worden aangehouden. Voorts is in bijlage 2 van de Richtlijn bepaald dat tussen het emissiepunt van een rundveestal en een categorie IV-woning een vaste afstand van 50 meter moet worden aangehouden. Gelet op het vorenstaande wordt aan de minimaal aan te houden afstanden niet voldaan. Evenwel staat vast dat het aantal mestvarkeneenheden, waarvoor op grond van de ten behoeve van de inrichting eerder verleende vergunning van 22 mei 2001 – die bij uitspraak van heden, no. 200103509/1, onherroepelijk is geworden - bestaande rechten gelden, afneemt van 176,7 mestvarkeneenheden naar 175,7 mestvarkeneenheden en dat er rechten bestaan voor het houden van 28 melkkoeien. Voorts is niet gebleken dat de afstanden van de dichtstbijzijnde emissiepunten van de inrichting tot de dichtstbijzijnde categorie III- en IV-objecten afnemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd vindt de Afdeling verder geen grond voor het oordeel dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid ervan hebben kunnen uitgaan dat de situatie vanuit een oogpunt van (cumulatieve) stankhinder niet zodanig is, dat met toepassing van artikel 8.4 in samenhang met afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer de aan de vergunning verbonden voorschriften zouden moeten worden aangescherpt dan wel de vergunning geheel of gedeeltelijk zou moeten worden geweigerd. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.6. Het beroep is gezien het vorenstaande ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002

187-374.