Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
200200841/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2002/108 met annotatie van Zigenhorn
Milieurecht Totaal 2002/1049

Uitspraak

200200841/1.

Datum uitspraak: 28 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Regionaal Inspecteur Milieuhygiëne Noord, gevestigd te Groningen,

appellant,

en

gedeputeerde staten van Groningen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2001, kenmerk 2001-173/4/A.24, RMT, hebben verweerders een verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Akzo Nobel Chemicals B.V." (hierna: Akzo) op het adres Oosterhorn 4 te Farmsum afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 2 januari 2002, kenmerk 2001-10.320a/51/A.30, RMT, verzonden op dezelfde datum, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door C. de Haas, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting waar het bestreden besluit betrekking op heeft is een chloorkoolwaterstoffenbedrijf. Binnen de inrichting is een koelinstallatie aanwezig, die chloorfluorkoolwaterstofhoudend koelmiddel (CFK-12) bevat. De installatie is in december 2000 door AKZO bijgevuld tot een inhoud van 11,5 à 12 ton CFK-12.

2.2. Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan eenieder aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen, of in werking te hebben.

Ingevolge artikel 8.11, eerste lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer maakt de vergunningaanvraag deel uit van de vergunning, voorzover dat in de vergunning is aangegeven.

2.3. Appellant voert aan dat verweerders zijn bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten onrechte ongegrond hebben verklaard. Hij betoogt dat de koelinstallatie op grond van de voor de inrichting geldende vergunning niet mag worden bijgevuld met cfk-houdend koelmiddel boven een niveau van circa 8 ton.

2.3.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij onbevoegd zijn handhavend op te treden. Volgens hen is er geen sprake van een overtreding van de aan de vergunning van 10 juni 1997 verbonden voorschriften, noch van enig algemeen verbindend voorschrift. Volgens verweerders behoort het bijvullen van de installatie tot de toegestane onderhoudsactiviteiten. Voorts voeren zij aan dat vergunninghoudster niet heeft beoogd een maximale inhoud aan te geven in de vergunningaanvraag, maar een indicatie van de aanwezige CFK-12 inhoud op het moment van de aanvraag.

2.3.2. Vast staat dat AKZO de koelinstallatie heeft bijgevuld zonder te beschikken over een specifiek daarvoor krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleende vergunning.

Bij besluit van 10 juni 1997, kenmerk 97/7294/24, RMM, hebben verweerders aan AKZO een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor de onderhavige inrichting. In de vergunningaanvraag, die blijkens de vergunning op onderdelen deel uitmaakt van de vergunning, staat vermeld dat de inhoud van de het koelsysteem circa 8 ton bedraagt. Niet in geschil is dat dit onderdeel van de vergunningaanvraag staat vermeld bij de op basis van artikel 8.11, eerste lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer van de vergunning deel uitmakende onderdelen.

Nu de aanvraag wat betreft de gegevens met betrekking tot het koelsysteem deel uitmaakt van de vergunning, strekt deze vergunning ertoe de activiteiten en de omvang van dit onderdeel van de inrichting te beperken tot hetgeen is aangevraagd. Noch uit de aanvraag, noch uit de vergunning is gebleken dat de inhoud van de koelinstallatie slechts in de aanvraag is vermeld als indicatie voor de installatie-inhoud ten tijde van de vergunningaanvraag. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Kamerstukken II 1988/1989, 21 087, nr. 3) blijkt dat de wetgever met de tweede volzin van het eerste lid heeft beoogd dat de vergunninghouder niet slechts is gebonden aan de aan de vergunning verbonden voorschriften, maar tevens aan de gegevens betreffende opzet en constructie van zijn inrichting die hij, omdat ze van belang zijn voor aard en omvang van de mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu, in zijn vergunningaanvraag heeft vastgelegd. De gegevens met betrekking tot de koelinstallatie betreffen gegevens met betrekking tot een ten behoeve van activiteiten of processen in de inrichting toegepaste installatie, als bedoeld in artikel 5.1, aanhef en onder e (thans: d), van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, welke gegevens, gelet op het gebruik van cfk-houdend koelmiddel, redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, zodat niet aannemelijk is dat de inhoud van de koelinstallatie slechts indicatief is vermeld in de vergunningaanvraag. Hierbij acht de Afdeling tevens van belang dat een inhoud van circa 8 ton aansluit bij de minimale inhoud die blijkens de stukken benodigd is om de koelinstallatie goed te laten functioneren, zijnde 6 tot 7 ton CFK-12. Voorts kunnen de in de aanvraag gebruikte woorden 'circa 8 ton' naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig worden uitgelegd, dat hieronder ook een inhoud van 11,5 ton zou kunnen worden verstaan.

2.3.3. Ter zitting is gebleken dat verweerders bij besluit van 13 november 2001 aan AKZO krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning hebben verleend voor de onderhavige inrichting, welke vergunning op 1 januari 2002, derhalve daags voor het nemen van het bestreden besluit, in werking is getreden. Uit de door verweerders ingebrachte stukken blijkt niet of het gebruikte koelmiddel in de thans aanwezige hoeveelheid met deze vergunning is gelegaliseerd.

2.3.4. De Afdeling overweegt dat nu ten tijde van het nemen van het primaire besluit sprake was van een overtreding van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verweerders in het bestreden besluit, in ieder geval voorzover het de periode tot 1 januari 2002 betrof, ten onrechte hebben geconcludeerd dat zij niet bevoegd waren om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen. Het bestreden besluit berust derhalve, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering. Voorts hebben verweerders verzuimd de aan AKZO verleende revisievergunning van 13 november 2001 in hun overwegingen bij het nemen van het bestreden besluit te betrekken. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Groningen van 2 januari 2002, kenmerk 2001-10.320a/51/A.30, RMT;

III. gelast dat de provincie Groningen aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002

271-407.