Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6947

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
200004956/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 252K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200004956/1.

Datum uitspraak: 28 augustus 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Wijkopbouworgaan Tuindorp Oostzaan", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 1999 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Amsterdam-Noord van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van het stadsdeel, vastgesteld het bestemmingsplan "Cornelis Douwesterrein". Het besluit van de stadsdeelraad en het voorstel van het dagelijks bestuur zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 27 juli 2000, kenmerk 2000/2867, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2000, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 maart 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 oktober 2001 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door B. Burema, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn aldaar namens de stadsdeelraad mr. M. Hop en R.J. Vooren, ambtenaren van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan betreft het gebied tussen ongeveer de Cornelis Douwesweg, de ms. Van Riemsdijkweg, het IJ en de Coentunnel. Het plan is bedoeld om de ontwikkeling van het Cornelis Douwesterrein tot modern bedrijvengebied mogelijk te maken. Het plangebied is daartoe in deelgebieden verdeeld.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. De beroepsgrond, gericht tegen artikel 3, negende lid, van de planvoorschriften, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingediende zienswijze, noch op bij verweerders ingebrachte bedenkingen.

In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingediende zienswijze en in tegen het vastgestelde plan bij gedeputeerde staten ingebrachte bedenkingen.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te dienen en/of bedenkingen in te brengen.

Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor.

Het beroep is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. Appellante die betrokken is bij het overleg over een nieuwe invulling van de in het plangebied gelegen terreinen van de vroegere grote scheepsbouw, stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan. Zij voert in beroep samengevat aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de bewoners van de omliggende wijken.

Hiertoe stelt zij allereerst dat de kadastrale kaart bij het bestemmingsplan fouten bevat, waardoor onduidelijkheid bestaat over bestaande rechten.

2.5.1. De stadsdeelraad is van mening dat de kadastrale kaart voldoende duidelijk is. Er is gebruik gemaakt van de meest recente kaart.

2.5.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd.

2.5.3. De Afdeling overweegt dat een bestemmingsplan ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder te noemen: het Bro) wordt vervat in een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden worden aangewezen. Artikel 16 van het Bro stelt hieromtrent nadere eisen. Niet is voorgeschreven dat voor de plankaart gebruik dient te worden gemaakt van een kadastrale ondergrond.

Voorts is niet gebleken dat in het plangebied gronden zijn aangewezen die in aanmerking komen voor verwerkelijking in de naaste toekomst, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro is derhalve niet van toepassing.

De kadastrale kaart maakt gelet op hetgeen is bepaald in artikel 1, onder 2, van de planvoorschriften wel deel uit van het bestemmingsplan. Aan deze kaart wordt echter in de bindende onderdelen van het plan geen betekenis toegekend. Verder is gebleken dat voor deze kaart de meest recente gegevens gehanteerd zijn waarvan ten tijde van het opstellen van het plan kon worden uitgegaan. Verweerders hebben gelet hierop geen aanleiding hoeven te zien deze kaart niet goed te keuren.

2.6. Appellante stelt voorts dat dit bestemmingsplan en het facetbestemmingsplan "Geluidzonering Cornelis Douwesterrein" gelet op de cumulatieve effecten in samenhang dienden te worden behandeld.

2.6.1. Volgens de stadsdeelraad is het niet vereist dat de geluidszonering wordt vastgelegd voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan is een beschermende regeling opgenomen.

2.6.2. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij hebben zich aangesloten bij het standpunt van het gemeentebestuur.

2.6.3. De Afdeling stelt vast dat rond het Cornelis Douwesterrein een zone als bedoeld in artikel 53 van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) is vastgesteld. Op het terrein is de vestiging van bedrijven behorend tot categorieën inrichtingen bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer mogelijk. Niet in geding is dat de wijziging van de zone dient te worden aangemerkt als een wijziging van een bestaande situatie, zodat hoofdstuk V, afdeling 2, van de Wgh hierop van toepassing is. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Wgh kan een op grond van artikel 53 van de Wgh vastgestelde zone uitsluitend worden gewijzigd bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan. Hierin voorziet het bestemmingsplan "Geluidzonering Cornelis Douwesterrein" dat inmiddels onherroepelijk is goedgekeurd.

2.6.3.1. Uit de wetsgeschiedenis van de Wgh blijkt dat het mogelijk is te kiezen voor een plangebied dat slechts het te zoneren industrieterrein omvat. In een dergelijk geval zullen de aangrenzende bestemmingsplannen in die zin (partieel) moeten worden herzien dat daarin de zone wordt vastgelegd. Ondanks de samenhang tussen beide planologische regelingen hoeft dit niet in één bestemmingsplan te worden geregeld. Aan het bepaalde in hoofdstuk V, afdeling 2, van de Wgh kan voorts niet worden ontleend dat de procedures in dat geval gelijktijdig dienen plaats te vinden.

Hier komt bij dat ingevolge artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften het gebruik maken van gronden ten dienste van bedrijven en inrichtingen die zijn begrepen onder artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, verboden is, tenzij voor de betreffende gronden een geluidszone als bedoeld in hoofdstuk V van de Wgh is vastgesteld. Overigens houdt de wijziging van de geluidszonering een verbetering van de situatie in de omliggende wijken in.

Verweerders hebben zich gelet op het voorgaande niet op het standpunt hoeven te stellen dat beide bestemmingsplannen gelijktijdig in procedure hadden moeten worden gebracht.

2.7. Appellante stelt verder in het bijzonder dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de “Lijst van bedrijfstypen” (hierna: de lijst), behorend bij artikel 11 van de planvoorschriften, die te veel bedrijfstypen zou omvatten, en aan de in artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid voor het toelaten van bedrijven buiten de lijst van toegelaten bedrijven of van een hogere milieu-hindercategorie. Deze vrijstellingsbevoegdheid is volgens haar te ruim.

2.7.1. De stadsdeelraad stelt dat de lijst is bedoeld om de milieuzonering te regelen en dat voor het selecteren van bedrijven andere instrumenten moeten worden ingezet, waarbij gewezen wordt op hetgeen in de beschrijving in hoofdlijnen omtrent het beeld van het bedrijventerrein is opgenomen in samenhang met het instrument van de gronduitgifte.

Vrijstellingen kunnen alleen verleend worden als geen blijvende onevenredige afbreuk aan het woon- en leefmilieu wordt gedaan. De feitelijke hinder mag niet groter zijn dan van bedrijven die vallen onder de toegelaten categorieën, verwacht mag worden, aldus de stadsdeelraad.

2.7.2. Verweerders hebben geen reden gezien deze gedeelten van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en hebben deze planonderdelen goedgekeurd. Zij hebben zich aangesloten bij het door burgemeester en wethouders van Amsterdam over het bestemmingsplan en de ingebrachte bedenkingen uitgebrachte advies dat herstructurering van het Cornelis Douwesterrein in overeenstemming is met hetgeen is bepaald in het structuurplan Open Stad 1996. Verweerders achten het plan voorts in overeenstemming met het streekplan Noord-Holland Zuid, herziening grondgebied Amsterdam, van 9 september 1996.

2.7.3. In artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat voorzover op gronden binnen het plangebied mag worden gebouwd en gronden en/of bebouwing mogen worden gebruikt ten behoeve van bedrijven, dit slechts mag voor bedrijven die in de bij de voorschriften behorende lijst van bedrijfstypen vallen onder de milieucategorie zoals aangegeven op de plankaart in het desbetreffende bestemmingsvlak of deel van het bestemmingsvlak of een lagere dan de aangegeven milieucategorie.

In de bijlage behorende bij artikel 11 is de lijst opgenomen waarin de al dan niet toegelaten bedrijven met bijbehorende codering zijn vermeld.

Het verzoek van appellante om bepaalde bedrijven uit te sluiten ziet op de volgende vormen van bedrijvigheid: voedings- en genotmiddelenindustrie, alle coderingen, behalve 20.23 en 20.81.1, textielindustrie, de coderingen 22.41, 22.42, 22.52, 22.6, 22.94, 22.95, lederwarenindustrie, de codering 24.1, hout- en meubelindustrie, de coderingen 25.22, 25.23, 25.61, aardolie- en steenkoolverwerkende industrie, de coderingen 28.23, 28.29, chemische industrie, alle coderingen, basismetaalindustrie, alle coderingen en overige dienstverlenende bedrijven, de coderingen 98.11.3, 98.12, 98.13.

Met de bedrijfstypering is aangesloten bij de "Lijst van bedrijfstypen", zoals vermeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit juli 1992. Hiertoe bestaat geen verplichting. Indien voor de milieuzonering echter van de bedrijvenlijst gebruik wordt gemaakt, moet niet alleen de wijze van toepassen in de plantoelichting worden gemotiveerd, maar moet de lijst ook worden toegesneden op de specifieke kenmerken van het plangebied.

De Afdeling overweegt dat in de lijst bij diverse typen van bedrijven is vermeld dat deze niet als bedrijf in de zin van het plan worden aangemerkt dan wel niet zijn toegestaan. Daarmee is een grove selectie gemaakt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat het stadsdeelbestuur van mening is dat een groot aantal van de door appellante genoemde, niet door het plan uitgesloten bedrijven eigenlijk niet thuishoort op een modern stedelijk bedrijventerrein, maar dat de lijst niet het instrument is om verdergaand dan reeds is gebeurd te selecteren.

Onomstreden is dat het bestemmingsplan de vestiging van meer bedrijfstypen mogelijk maakt dan in dit geval gewenst is. Uit het bestreden besluit blijkt in onvoldoende mate waarom niet binnen de lijst, in zoverre het de door appellante bestreden bedrijfstypen betreft, een verdergaande selectie heeft plaatsgevonden opdat de lijst daarmee voldoende is toegesneden op de specifieke kenmerken van het plangebied. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het gronduitgiftebeleid voor appellante geen waarborg is, aangezien zij hierbij niet is betrokken. Duidelijkheid zal zo veel mogelijk moeten worden gegeven op bestemmingsplanniveau.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover het de door appellante bestreden onderdelen van de lijst betreft, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.7.3.1. Van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften kan het dagelijks bestuur op grond van het tweede lid van dit artikel vrijstelling verlenen voor het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een bedrijf dat:

a. niet in de lijst van bedrijfstypen voorkomt,

b. in de lijst van bedrijfstypen voorkomt en valt onder één of meer categorieën hoger dan toegelaten,

c. na uitbreiding, wijziging of aanpassing in de lijst van bedrijfstypen valt onder één of meer categorieën hoger dan toegelaten,

mits het desbetreffende bedrijf in vergelijking met bedrijven die vallen onder de toegelaten categorieën geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Een vrijstellingsregeling dient voldoende objectief omschreven te zijn, zodat duidelijk is in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik gemaakt kan worden. Met de woorden ‘mits het desbetreffende bedrijf in vergelijking met bedrijven die vallen onder de toegelaten categorieën geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu’ wordt hieraan niet voldaan. Uit deze bewoordingen kan niet zonder meer worden afgeleid dat vrijstelling kan worden verleend in geval van vergelijkbare, feitelijke hinder, hetgeen volgens verweerders en het stadsdeelbestuur de bedoeling van het voorschrift is. Voorts kan niet uitgesloten worden dat met de bewoordingen van het artikel na een belangenafweging meer hinder kan worden toegelaten. De vrijstellingsregeling is onvoldoende objectief begrensd.

Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften.

2.8. Appellante stelt voorts dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het overgangsrecht, zoals vermeld in artikel 12, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, aangezien dit naar haar mening het handhaven van bestaand gebruik aan te weinig beperkingen bindt en niet duidelijk is begrensd.

2.8.1. De stadsdeelraad is van mening dat hetgeen appellante wenst te ver strekt.

2.8.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit planonderdeel goedgekeurd. Zij hebben zich aangesloten bij het standpunt van het gemeentebestuur.

2.8.3. Uit artikel 12, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften kan worden afgeleid dat alleen dat gebruik dat reeds plaatsvond, mag worden voortgezet. Een vergroting van de afwijking is hiermee niet toegelaten. Een andere vorm van gebruik is ingevolge het bepaalde onder b van genoemd artikellid alleen toelaatbaar indien daardoor geen grotere afwijking van het plan ontstaat. Het bestreden planvoorschrift is daarmee voldoende begrensd.

2.9. Appellante stelt verder dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan plandelen betreffende gronden ten noorden van de tt. Vasumweg. Zij meent dat hieraan ten onrechte een hogere milieucategorie dan 3a is toegekend.

2.9.1. De stadsdeelraad wijst erop dat de milieuzonering ten noorden van de tt. Vasumweg is gebaseerd op de methode van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De regeling biedt een voldoende waarborg voor een evenwichtig woon- en leefklimaat.

2.9.2. Verweerders hebben geen reden gezien deze gedeelten van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze plandelen goedgekeurd. Zij hebben zich aangesloten bij het standpunt van het gemeentebestuur.

2.9.3. In de lijst is de aan te houden afstand van de diverse bedrijven tot de woonbebouwing opgenomen. Deze afstand is bij categorie 3b-bedrijven minimaal 100 meter en bij categorie 4a-bedrijven minimaal 200 meter. Op enkele plaatsen binnen het plangebied is de afstand bij laatstgenoemde categorie iets kleiner. Het toestaan van deze kleine afwijkingen is afdoende gemotiveerd. Verweerders hebben in redelijkheid met deze afwijkingen kunnen instemmen en zich op het standpunt kunnen stellen dat daarmee niet voor een onaanvaardbare aantasting van woon- en leefklimaat in de omliggende wijken behoeft te worden gevreesd.

2.10. Appellante stelt verder dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersareaal (Va)” in zoverre daarmee een aansluiting van de tt. Melissaweg op de Cornelis Douwesweg mogelijk wordt gemaakt. Zij stelt dat deze door middel van een rotonde uit te voeren ontsluiting van het plangebied overbodig is, de doorstroming belemmert, de groenstrook aantast en tot hinder voor omwonenden leidt.

2.10.1. De stadsdeelraad is van mening dat de extra ontsluiting ter hoogte van de tt. Melissaweg betere ontwikkelingsmogelijkheden biedt voor bedrijven in de deelgebieden 2noord en 3. De aantasting van de groenstrook is naar zijn mening beperkt.

2.10.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich aangesloten bij het standpunt van het gemeentebestuur.

2.10.3. Uit de stukken blijkt dat de ontsluitingsweg ter hoogte van de tt. Melissaweg bedoeld is voor aanliggende bedrijven en voor grondtransporten van en naar het in dit gedeelte van het plangebied aanwezige (tijdelijke) gronddepot.

De Afdeling is van oordeel dat verweerders niet ten onrechte een zwaarder gewicht hebben toegekend aan het belang van de ontsluitingsweg dan aan de door appellante gestelde belangen. Hiertoe overweegt zij dat beide naast de tt. Melissaweg gelegen ontsluitingswegen op een ruime afstand van ongeveer 500 m liggen en dat niet aannemelijk is dat de doorstroming ter plaatse in het geding zal komen. Evenmin is aannemelijk dat de bewoners in aanliggende wijken met een (grote) toeneming van sluipverkeer of hinder anderszins zullen worden geconfronteerd. Hoewel de precieze ligging van de rotonde binnen de bestemming “Verkeersareaal (Va)” binnen het stadsdeel nog in discussie is, kan uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, worden afgeleid dat de rotonde van groenvoorzieningen wordt voorzien en dat de noordelijke groensingel behouden kan blijven. De aantasting van de groenstructuur is derhalve beperkt.

2.11. Ten slotte stelt appellante dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan deelgebied 0. Dit deelgebied zou volgens haar geen deel moeten uitmaken van het plangebied. De inrichting van dit deelgebied is ongewenst, omdat hierdoor het aanwezige groen zal verdwijnen. Volgens appellante moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de gehele noordelijke IJ-oever en met name het NSM-terrein.

2.11.1. De stadsdeelraad wijst erop dat de inrichting van deelgebied 0 als bedrijventerrein voortvloeit uit diverse gemeentelijke beleidsstukken. Het verlies aan groen wordt volgens hem binnen het plangebied gecompenseerd. Het groen heeft bovendien een beperkte waarde.

2.11.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich aangesloten bij het standpunt van het gemeentebestuur.

2.11.3. Over de begrenzing van het plangebied ter plaatse van deelgebied 0 overweegt de Afdeling dat de stadsdeelraad gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de stadsdeelraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken, van oordeel dat in dit geval verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat zij deze ook overigens terecht hebben goedgekeurd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de ontwikkelingen in deelgebied 0 op de ontwikkeling van onder meer het NSM-terrein moeten worden afgestemd.

Het verlies aan groen in deelgebied 0 is beperkt en wordt gecompenseerd door het aanleggen van groen langs wegen en in het midden van het plangebied. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verlies aan groen binnen het plangebied in belangrijke mate wordt gecompenseerd.

2.12. Behoudens hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.7.3. en 2.7.3.1. is vastgesteld, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit behoudens hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.7.3. en 2.7.3.1. is vastgesteld, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders voor het overige terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.13. Verweerders dienen in beginsel in de proceskosten van appellante te worden veroordeeld, doch niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover gericht tegen de goedkeuring van artikel 3, negende lid, van de planvoorschriften;

II. verklaart het beroep, voorzover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 27 juli 2000, 2000-2867, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften;

b. de “Lijst van bedrijfstypen” in zoverre het de bedrijven betreft vermeld onder de categorieën:

- 20/21, voedings- en genotmiddelenindustrie: alle coderingen, behalve 20.23 en 20.81.1;

- 22, textielindustrie: de coderingen 22.41, 22.42, 22.52, 22.6, 22.94 en 22.95;

- 24, lederwarenindustrie: de codering 24.1;

- 25, hout- en meubelindustrie: de coderingen 25.22, 25.23 en 25.61;

- 28, aardolie- en steenkoolverwerkende industrie: de coderingen 28.23 en 28.29;

- 29, chemische industrie: alle coderingen;

- 33, basismetaalindustrie, alle coderingen;

- 98, overige dienstverlenende bedrijven: de coderingen 98.11.3, 98.12 en 98.13;

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder III.a. vermelde planvoorschrift;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit onder III.a. is vernietigd;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002.

176-371.