Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
200106060/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106060/1.

Datum uitspraak: 28 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Rietveldenweg", gevestigd te Rosmalen,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 13 november 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: burgemeester en wethouders) appellante bericht dat het gebruik van een gedeelte van het bedrijvencomplex "De Kwadrant" ten behoeve van een kantoorvestiging in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Rietvelden II".

Bij besluit van 22 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 november 2001, verzonden op 19 november 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 8 november 2000 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 juli 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] te [woonplaats] en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. van den Eertwegh, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt dat het gebruik van het bedrijvencomplex voor kantoordoeleinden niet in strijd is met artikel 7, in samenhang met artikel 3, van de voorschriften behorende bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

2.2. Ingevolge artikel 7, lid A, van de bestemmingsplanvoorschriften, voorzover hier van belang, wordt aan gronden, die blijkens de plankaart zijn bestemd voor “Bedrijven, klasse B, bebouwd (BB-B)”, als meest gewenste doel de uitoefening van lichte tot middelzware bedrijfsactiviteiten ( de voedings- en genotmiddelenindustrie inbegrepen) en groothandel (distributie) toegekend, alsmede detailhandelsdoeleinden in a.b.c.-goederen c.a. Hierbij is tevens van toepassing hetgeen onder meer is vermeld in artikel 3, lid B, met betrekking tot nieuwe bedrijfsactiviteiten. Ingevolge lid D, onder 1, is het verboden de op deze gronden aanwezige en op te richten bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid A bedoelde bestemming.

Ingevolge artikel 3, lid B, voorzover hier van belang, kunnen nieuwe bedrijven en activiteiten slechts worden toegelaten, indien deze niet hinderwetplichtig zijn, dan wel voor wat betreft de gronden met de bestemming “Bedrijven, klasse B, bebouwd (BB-B)” deze voorkomen in de categorieën 1 t/m 4a van de bij deze voorschriften behorende staat van inrichtingen. Kantoren behoren niet tot deze categorieën.

2.3. Gelet op de systematiek van de bestemmingsplanvoorschriften waarin naast onder meer bedrijfsbestemmingen afzonderlijke kantoorbestemmingen zijn opgenomen, is de Afdeling van oordeel dat het de kennelijke bedoeling van de planwetgever is geweest dat op gronden met de bestemming “Bedrijven, klasse B, bebouwd (BB-B)” aanwezige gebouwen niet mogen worden gebruikt voor kantoordoeleinden. Dat, naar appellante stelt, niet het gehele bedrijfscomplex voor kantoordoeleinden zou worden gebruikt maakt dit niet anders. Ook de stelling van appellante dat de bedrijvenbestemming zodanig algemeen is, dat de kantorenbestemming als een species-bestemming moet worden beschouwd, slaagt niet, nu een bedrijven- en een kantorenbestemming elkaar uitsluitende bestemmingen plegen te zijn en de voorschriften onvoldoende aanknopingspunten bieden om in dit geval anders te oordelen. De rechtbank heeft daarnaast met juistheid overwogen dat administratieve activiteiten binnen bedrijven die in overeenstemming zijn met de bestemming “Bedrijven, klasse B, bebouwd (BB-B)” niet als kantoordoeleinden in de door appellante bedoelde zin kunnen worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het appellante voor ogen staande gebruik van een gedeelte van het betrokken bedrijfscomplex voor kantoordoeleinden in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4. Voorzover appellante een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, is de Afdeling van oordeel dat dit beroep, nu het onderhavige geschil zich toespitst op de uitleg van bestemmingsplanvoorschriften, niet kan slagen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat deze bepaling niet de mogelijkheid biedt schadevergoeding toe te kennen in geval van ongegrondverklaring van het hoger beroep.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002

164.