Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6935

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
200003531/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 8.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/769
M en R 2003, 66 met annotatie van J.B. Claassen-Dales
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200003531/2.

Datum uitspraak: 28 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. vereniging "Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer" en coöperatie U.A. "Coöperatie Mobilisation of the Environment U.A.", beide gevestigd te Nijmegen,

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2000, kenmerk MW97.7761, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de Stichting Katholieke Universiteit Nijmegen een revisievergunning verleend als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet voor inrichting welke omvat een universiteit (KUN) en een academisch ziekenhuis (AZN), kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit aangehechte besluit is op 22 juni 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 22 juli 2000, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2000, en appellant sub 2 bij brief van 3 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2000, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 maart 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 april 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1, verweerders en de Stichting Katholieke Universiteit Nijmegen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door drs. M.C. Zweerman en ing. E. Lambrechts, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Namens de Stichting Katholieke Universiteit Nijmegen is het woord gevoerd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten sub 1 de beroepsgronden betreffende de inspectie van de riolering, genetisch gemodificeerde organismen, pathogene organismen en CFK’s ingetrokken.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.3. Appellanten sub 1 stellen dat niet duidelijk is waarvoor vergunning is verleend. Daartoe voeren zij in het bijzonder aan dat relevante delen van de aanvraag geen deel uitmaken van de vergunning en dat het op grond van het besluit onduidelijk is in hoeverre de vergunning ook betrekking heeft op de in de aanvraag om vergunning aangekondigde bouwplannen. Daarbij voeren zij verder aan dat de bouwvergunningen die voor het uitvoeren van die plannen zijn vereist gecoördineerd dienden te worden behandeld met de onderhavige vergunning. Om de hiervoor genoemde reden achten zij verder de vergunning onvoldoende handhaafbaar.

2.3.1. Aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat de hiervoor bedoelde onderdelen van de aanvraag zien op de hoofdstukken 9 (fysische experimenten) 32 (groenbeheer) en 34 (intern transport) van de vergunningaanvraag. Met appellanten sub 1 is de Afdeling van oordeel dat, nu niet alle op die aspecten betrekking hebbende gegevens uit de aanvraag deel uitmaken van de vergunning, het onvoldoende duidelijk is wat rechtens geldt ten aanzien van die aspecten. Het besluit is in zoverre in strijd met het beginsel der rechtszekerheid. Het beroep is op dit onderdeel gegrond. De Afdeling ziet op dit onderdeel aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door in het dictum van deze uitspraak te bepalen dat de hoofdstukken 9.3, 9.4, 32 en 34 deel uitmaken van de vergunning. De Afdeling is daarbij van oordeel dat aldus ook wordt tegemoetgekomen aan de inhoudelijke beroepsgronden van appellanten sub 1 betreffende fysische experimenten, groenbeheer en intern transport, zodat die hier geen verdere beoordeling behoeven.

Van reeds ingediende aanvragen om een bouwvergunning waarvan de behandeling ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet afgestemd dient te worden met de totstandkoming van de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is geen sprake. De onderhavige vergunning is alleen verleend voor hetgeen is aangevraagd. Of de toekomstige bouwplannen waarvan in de aanvraag om vergunning melding is gemaakt zullen leiden tot wijzigingen van de inrichting die nu is aangevraagd, valt aldus buiten de beoordeling van de rechtmatigheid van de onderhavige vergunning.

2.4. Ten aanzien van emissies naar de lucht voeren appellanten sub 1 aan dat het niet duidelijk is wat is toegestaan, nu de vergunde emissies van de inrichting kennelijk zijn weergegeven in tabel 36.3 van de aanvraag, terwijl in vergunningvoorschrift 5.3.1 is bepaald dat ten minste moet worden voldaan aan de Nederlandse Emissie richtlijnen (NER), die volgens hen veel hogere emissies toestaan dan hetgeen volgt uit tabel 36.3. Verder achten zij de in vergunningvoorschrift 5.3.3 opgelegde onderzoeksverplichting naar de reductie van emissies naar de lucht te vrijblijvend, nu in dat voorschrift geen concrete reductiedoelstelling is opgenomen.

2.4.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de emissies naar de lucht de NER gehanteerd. Indien wordt voldaan aan de normen uit de NER, zoals in vergunningvoorschrift 5.3.1 is voorgeschreven, wordt voldoende tegemoetgekomen aan het belang van de bescherming van het milieu. Tabel 36.3 van de aanvraag maakt deel uit van de vergunning. In deze tabel is een indicatie gegeven van de emissies die worden veroorzaakt door de inrichting. Die emissies blijven volgens het deskundigenbericht onder de emissienormen van de NER. Aannemelijk is derhalve dat aan de NER kan worden voldaan. Van onduidelijkheid ten aanzien van de normstelling is naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen sprake. In vergunningvoorschrift 5.3.1 is verder bepaald dat de vergunninghouder moet streven naar een nul-emissie van de stoffen die onder de minimalisatieverplichting van de NER vallen. Ingevolge vergunningvoorschrift 5.3.3 dient, kort gezegd, binnen één jaar onderzoek te worden uitgevoerd naar mogelijkheden om de emissie van stoffen die onder die minimalisatieverplichting vallen te minimaliseren. Aldus blijkt uit de samenhang tussen de vergunningvoorschriften 5.3.1 en 5.3.3 dat het onderzoek moet zijn gericht op het streven naar een nul-emissie voor de desbetreffende stoffen.

2.5. Volgens appellanten sub 1 zijn in de vergunning ten onrechte geen kwantitatieve doelstellingen opgenomen in het kader van de afvalpreventie en -reductie. Het stellen van concrete hoeveelheden afvalproductie bevordert volgens hen bovendien de handhaafbaarheid van de vergunning op dit punt.

2.5.1. De vergunningvoorschriften 6.1, 6.2 en 6.3 bevatten bepalingen omtrent afval. Vergunningvoorschrift 6.2 bevat de verplichting om binnen twee jaar een nader omschreven afvalpreventieonderzoek uit te voeren. In de inrichting dient een regeling inzake het milieuverantwoord omgaan met afvalstoffen aanwezig te zijn. Ingevolge vergunningvoorschrift 12.1.4 dient in het tweejaarlijkse milieuverslag een overzicht te worden gegeven van de afgevoerde hoeveelheden per afvalstroom en de wijze van verwerking. Uit dat overzicht moet in ieder geval een vergelijking met de voorgaande jaren mogelijk zijn.

2.5.2. Op grond van de vergunningvoorschriften kan een volledig inzicht worden verkregen in de omvang van de afvalstromen en in de reductie die daarbij in de loop der jaren wordt gerealiseerd. Uit de stukken blijkt dat de afvalstromen, in ieder geval sinds deze worden geregistreerd, jaarlijks zijn afgenomen. Gelet daarop en op het ontbreken van een algemeen aanvaard normstellend kader voor het stellen van afvalstoffenreductieverplichtingen, hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van het stellen van concrete reductiedoelen.

2.6. Appellanten sub 1 voeren aan dat vergunninghoudster het niet in haar macht heeft om de naleving van alle vergunningvoorschriften te garanderen, aangezien binnen de inrichting structureel activiteiten uitgevoerd worden door derden. Volgens hen dienen daarom in de vergunning duidelijke eisen te worden gesteld aan de bedrijven en activiteiten van derden die op het terrein van de inrichting worden toegestaan en dient het bevoegd gezag te beoordelen of aan die eisen wordt voldaan.

2.6.1. De vergunning is aangevraagd door en is verleend aan de Stichting Katholieke Universiteit Nijmegen, eigenares van de inrichting. Verweerders konden die stichting beschouwen als de drijver van de inrichting. Dat enkele deelactiviteiten binnen de inrichting worden uitgevoerd door derden, doet daaraan niet af. Die derden zijn ook gebonden aan de vergunning, hetgeen de stichting bovendien nog eens contractueel heeft vastgelegd. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in het belang van de bescherming van het milieu niet nodig is dit uitdrukkelijk vast te leggen in de vergunning.

2.7. Volgens appellanten sub 1 dienen aan de vergunning meet- en onderzoeksverplichtingen als bedoeld in artikel 8.13, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wet milieubeheer te worden verbonden ten behoeve van een gebiedsgericht verkeers- en vervoersplan en ter ondersteuning van de mobiliteitsdoelstellingen van vergunninghoudster.

2.7.1. Volgens verweerders blijkt uit berekeningen dat het verkeer van en naar de inrichting slechts een beperkt deel uitmaakt van de verkeersstromen in de omgeving van de inrichting. Voorzover het geluid van af- en aanrijdend verkeer aan de inrichting dient te worden toegerekend, blijft dat volgens hen binnen de grenswaarden uit de circulaire van 29 februari 1996 betreffende geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting. De Wet milieubeheer biedt volgens verweerders rechtens geen grondslag voor het meten en registeren van gegevens voor een gebiedsgericht verkeers- en vervoersplan, omdat dat plan is gebaseerd op het algemene verkeersbeleid.

2.7.2. De Afdeling leidt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet milieubeheer af dat in een vergunning in zijn algemeenheid geen eisen gesteld kunnen worden aan het woon/werkverkeer. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders ten aanzien van deze inrichting in redelijkheid kunnen afzien van het opleggen van meet- en registratieverplichtingen op dit punt. Evenmin kunnen in deze vergunning meet- en registratieverplichtingen worden opgelegd ten behoeve van algemene verkeersmaatregelen, voorzover die verplichtingen zich niet beperken tot de nadelige gevolgen voor het milieu van deze inrichting. Wat betreft de verkeersbewegingen in het kader van de aangevraagde bedrijfsvoering bestaat blijkens de stukken voldoende inzicht in de verkeersstromen van en naar de inrichting. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de geluidsbijdrage van het verkeer van en naar de inrichting blijft binnen de grenswaarden van de eerder genoemde circulaire. Het beroep is wat dit onderdeel betreft ongegrond.

2.8. Appellanten sub 1 stellen zich op het standpunt dat verweerders het magnetenlaboratorium ten onrechte hebben aangemerkt als deel van de bestaande inrichting, aangezien het een nieuw en groter laboratorium op een andere locatie betreft. Daarom is volgens hen in de vergunning ten onrechte een geluidnorm vergund die hoger is dan het referentieniveau ter plaatse.

2.8.1. Blijkens de stukken is bij besluit van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 19 september 1974 onder meer vergunning verleend voor een magnetenlaboratorium. Het nu vergunde laboratorium is geprojecteerd op een andere locatie, die niet valt binnen de grenzen van de inrichting waarop het besluit van 19 september 1974 ziet. De oude en de nieuwe locatie vallen echter binnen de begrenzing van de nu aangevraagde en vergunde inrichting, zodat sprake is van een verplaatsing binnen de inrichting. De capaciteit van het nieuwe laboratorium is gelijk aan die van het oude. Door de gewijzigde koelwijze is de geluidemissie van het nieuwe laboratorium weliswaar groter dan van het oude laboratorium, doch op de voor het nieuwe laboratorium relevante geluidreferentiepunten 8 en 9 van vergunningvoorschrift 4.1 blijft het inrichtingsgeluid, met inbegrip van het nieuwe laboratorium, niettemin binnen de grenswaarden die op grond van de onderliggende vergunningen golden ter plaatse van die referentiepunten. Onder die omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het niet nodig is strengere geluidgrenswaarden te stellen.

2.9. Appellanten sub 1 en 2 vrezen geluidhinder te ondervinden van het gebruik van de traumahelikopter van de inrichting. Volgens hen zijn er - kort gezegd - onvoldoende maatregelen en voorzieningen getroffen om het geluid vanwege het gebruik van de traumahelikopter te beperken.

2.9.1. In vergunningvoorschrift 4.10 is bepaald dat uitsluitend gebruik van de helikopter mag worden gemaakt indien daar een medische noodzaak voor is, met uitzondering van stationeringsvluchten. In vergunningvoorschrift 4.11 is bepaald dat binnen één jaar na het van kracht worden van dat voorschrift onderzoek moet worden uitgevoerd naar de doelmatigheid van de inzet van de traumahelikopter bij calamiteiten. In vergunningvoorschrift 4.3 is bepaald dat het gebruik van de traumahelikopter is uitgesloten van de grenswaarden die in de vergunningvoorschriften 4.1 en 4.2 zijn gesteld voor het equivalente geluidniveau (Laeq) en het piekgeluid (Lmax).

2.9.2. Verweerders hebben vergunningvoorschrift 4.3 aan de vergunning verbonden omdat het gebruik van de traumahelikopter onregelmatig is en de aanvaardbaarheid van de geluidemissie van de traumahelikopter volgens hen niet op grond van het gebruikelijke toetsingskader kan worden afgewogen. Geluidbeperkende voorzieningen aan de helikopter zelf zijn volgens hen niet mogelijk. Vanwege het maatschappelijk belang van de traumahelikopter is het volgens hen niet wenselijk en niet mogelijk om daaraan ten behoeve van de geluidbeperking grenzen te stellen in deze vergunning. Daarbij hebben zij er op gewezen dat, uitgaande van het aantal aangevraagde vluchten (1000 vluchten, dus 2000 vliegbewegingen), de inzet van de traumahelikopter een slechts zeer geringe overschrijding van de equivalente geluidgrenswaarden veroorzaakt en dat de inzet van de helikopter alleen plaatsvindt bij daglicht, omdat er geen voorzieningen zijn om in het donker te vliegen.

2.9.3. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Afdeling uit van de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot de traumahelikopter.

De helikopterhaven bevindt zich op het dak van verpleeggebouw B, dat deel uitmaakt van de inrichting. De traumavluchten worden van daaruit uitgevoerd. De helikopter wordt dagelijks tussen ongeveer 19.00 en 07.00 uur gestald op een plaats, gelegen buiten de inrichting. Dagelijks vliegt een helikopter rond 07.00 uur van de nachtstalling naar de helikopterhaven en rond 19.00 uur terug naar die stalling (de zogeheten stationeringsvluchten). Gezien hetgeen is aangevraagd vormen de stationeringsvluchten ruim 40% van het totaal aantal vluchten, uitgaande van gegevens over de afgelopen jaren. Het traumateam dient stand-by te zijn als de helikopter in de inrichting aanwezig is. Blijkens de aanvraag is voor de berekening van het equivalente geluidniveau van de helikopter aangenomen dat het geluid van de helikopter tot een hoogte en tot een afstand van 150 meter moet worden toegerekend aan de inrichting. De bij de berekeningen gehanteerde stijgingshoek voor het landen en dalen is gesteld op 40o.

2.9.4. De Afdeling stelt voorop dat de helikopterhaven en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt onder de activiteiten van de inrichting vallen, zodat de nadelige gevolgen daarvan die redelijkerwijs toegerekend kunnen worden aan het in werking zijn van de inrichting beoordeeld dienen te worden in het kader van deze vergunning ingevolge de Wet milieubeheer.

Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de geluidemissie van de inrichting hebben verweerders hoofdstuk 4 toegepast van de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. De toepassing van de Handreiking houdt in, kort samengevat, dat aan de hand van door de omgeving bepaalde streef- of referentiewaarden ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen van derden buiten de inrichting ten hoogste toegestane waarden worden gesteld voor het equivalente geluidniveau (Laeq), teneinde onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen. Verder dienen waarden te worden gesteld voor het piekgeluidniveau (Lmax). In bijzondere gevallen, waarin het activiteiten betreft die nodig zijn in het algemeen belang, staat de Handreiking toe dat het piekgeluidniveau niet aan voorschriften wordt gebonden. Aldus spitst het beroep zich op dit punt met name toe op de vraag of verweerders bij de beslissing op de aanvraag het geluid van de traumahelikopter hebben kunnen uitzonderen van toetsing aan het Laeq.

De Wet milieubeheer verzet zich er tegen dat alleen op grond van het algemeen belang de geluidemissie van de traumahelikopter, ongeacht de hoogte en de frequentie waarmee deze optreedt, onder alle omstandigheden aanvaardbaar wordt geacht. Het uitzonderen van de geluidgrenswaarden kan aanvaardbaar geacht worden indien sprake is van overschrijdingen en deze door het treffen van redelijkerwijs te treffen akoestische maatregelen niet voorkomen kunnen worden. Dit dient te blijken uit onderzoek. Daarbij moet het bevoegd gezag, indien mogelijk, de geluidhinder (ook anderszins) zoveel mogelijk beperken en daar onderzoek naar doen of laten doen.

Uit de stukken blijkt dat verweerders zich bij de beoordeling van de geluidbelasting van de helikopter uitsluitend hebben gebaseerd op de aannames daaromtrent uit de aanvraag, zonder te onderzoeken of binnen de grondslag van de aanvraag een minder geluidbelastende vliegroute mogelijk is. Dit betreft zowel de vliegrichting als de variaties in de stijgingshoek. Het ingevolge vergunningvoorschrift 4.11 uit te voeren doelmatigheidsonderzoek naar de inzet van de traumahelikopter voorziet evenmin in onderzoek terzake. Weliswaar hebben verweerders ter zitting gesteld dat de vliegrichting en de stijgingshoek geen relevante invloed hebben op de geluidemissie, aangezien die met name wordt bepaald door het stationair draaien, doch die stelling is niet nader gestaafd. Daarnaast kan zonder nadere motivering niet worden ingezien waarom de aan de inrichting toe te rekenen nadelige gevolgen zijn beperkt tot een aandachtsgebied van 150 meter rondom de helikopterhaven, zodat ook niet voetstoots uitgegaan kan worden van de geluidbelasting die volgens het akoestisch onderzoek ter plaatse van woningen van derden optreedt.

Verder kan er in dit verband niet aan voorbij worden gezien dat het aantal vluchten voor een groot deel (40%) bestaat uit stationeringsvluchten waarvoor geen medische noodzaak is aan te wijzen. Op geen enkele wijze blijkt uit het besluit dat onderzocht is of de inzet van de traumahelikopter op andere wijze georganiseerd kan of zal kunnen worden. Vergunningvoorschrift 4.11 voorziet niet expliciet in onderzoek hiernaar. Evenmin zijn wat dit betreft beperkingen gesteld waaraan op termijn dient te worden voldaan. Weliswaar dienden verweerders bij de beslissing op de aanvraag uit te gaan van de in de aanvraag omschreven situatie, doch dat neemt niet weg dat de beslissing over de aanvaardbaarheid van het buiten toepassing laten van de Handreiking op dit onderdeel mede dient te worden beoordeeld aan de hand van kennis omtrent mogelijke alternatieven.

Concluderend is de Afdeling op dit onderdeel van oordeel dat vergunningvoorschrift 4.3 wat de traumahelikopter betreft op onvoldoende akoestisch onderzoek is gebaseerd en niet draagkrachtig is gemotiveerd. Het besluit is op dit onderdeel in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Vergunningvoorschrift 4.3 dient te worden vernietigd wat het gebruik van de traumahelikopter betreft. Verweerders dienen op dit onderdeel opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

2.10. Gelet op het vorenstaande dient het beroep van appellanten sub 1 gedeeltelijk gegrond te worden verklaard en dient het beroep van appellant sub 2 geheel gegrond te worden verklaard.

2.11. Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van appellanten sub 1. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van appellant sub 2 is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 1 gedeeltelijk gegrond en het beroep van appellant sub 2 geheel gegrond;

II. vernietigt het aan het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 30 mei 2000, kenmerk MW97.7761, verbonden voorschrift 4.3 wat betreft de zinsnede ‘de traumahelikopter en’;

III. bepaalt dat de hoofdstukken 9.3, 9.4, 32 en 34 van de aanvraag, inclusief de daarbij bijbehorende tabellen en tekeningen, onderdeel uitmaken van de vergunning;

IV. verklaart het beroep van appellanten sub 1 voor het overige ongegrond;

V. draagt gedeputeerde staten van Gelderland op binnen 6 maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen voorzover het besluit van 30 mei 2000 is vernietigd en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 126,77; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten sub 1;

VII. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20 door appellanten sub 1 en € 102,20 door appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid

van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002

125-157.