Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200101745/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101745/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 3 maart 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2000 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) aan appellant een CPL(A), een bewijs van bevoegdheid voor beroepsvlieger op vliegtuigen, verleend.

Bij brief van 11 mei 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 26 juni 2000 heeft appellant beroep ingesteld tegen het achterwege blijven van een beslissing op het bezwaarschrift.

Bij besluit van 18 augustus 2000 heeft de minister het tegen het besluit van 5 april 2000 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 maart 2001, verzonden op 6 maart 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het beroep dat door appellant is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2000 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 september 2001 heeft de Minister een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.B. Westerhuis, gemachtigde, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat hetgeen appellant ter comparitie heeft aangevoerd, namelijk dat de Rijksluchtvaartdienst hem in verband met een dreigende schorsing van zijn A-brevet ten onrechte niet in staat heeft gesteld om nog voor 1 april 1999 herexamen te doen en hij daarom een beroep had kunnen doen op de afwijkingsmogelijkheid van termijnen in de Regeling geldigheidsduur van 3 maart 1988, in bezwaar niet is aangevoerd, zodat de Minister daarmee bij de beslissing op bezwaar geen rekening heeft kunnen houden. Reeds om die reden kan dit standpunt, zo overweegt de rechtbank, dan ook niet leiden tot vernietiging van de beslissing op bezwaar.

Appellant bestrijdt dat oordeel en stelt dat hem de motivering van de primaire beslissing onthouden is en hij in bezwaar niet kon reageren op hetgeen hem onbekend was.

2.2. De grief faalt. Niet valt in te zien waarom tijdens de hoorzitting op 3 augustus 2000 van de zijde van appellant niet naar voren kon worden gebracht dat hem ten onrechte de mogelijkheid was onthouden vóór 1 april 1999 herexamen te doen. De Afdeling wijst er in dit verband nog op dat appellant al op 26 april 2000 een verzoek om schadevergoeding bij de Minister heeft ingediend, wegens het te laat indelen voor het praktisch examen beroepsvlieger.

Overigens zou dit argument, indien het wel in de beoordeling van het geschil was betrokken, niet tot een andere uitkomst hebben kunnen leiden. Immers, ook al zou appellant verwijtbaar door de Minister te laat zijn ingedeeld voor zijn herexamen, dan kan dat er niet toe leiden dat hem de gewenste bevoegdheden worden toegekend, zonder dat er op dat tijdstip van enige toets met een positief resultaat sprake is.

Voor zover appellant zich beroept op artikel 2 van de Regeling Geldigheidsduur van de examens met betrekking tot de afgifte van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen, wordt overwogen dat deze niet van toepassing is, omdat de regeling betrekking heeft op de termijn tussen examen en afgifte van een bewijs van bevoegdheid.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

91-405.