Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200106191/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlening van vergunning als bedoeld in art. 7 Visserijwet is privaatrechtelijk van aard en levert geen besluit in de zin van de Awb op.

Verlening van een privaatrechtelijke vergunning met voorwaarden aan appellanten voor de sleepnetvisserij in de Voordelta.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2001 inzake no. 200004500/1 (url(''LJN AE8170'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AE8170) ) overweegt de Afdeling met de rechtbank dat de Staatssecretaris de bezwaren van appellanten tegen de privaatrechtelijke vergunning terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze vergunning behelst de toestemming, als bedoeld in art. 7 Visserijwet, juncto art. 1 van het Besluit beperking vrije visserij kustwateren die de Staat der Nederlanden als rechthebbende op het visrecht in de Voordelta aan appellanten geeft om in deze wateren te vissen en levert geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb op.

Het bij of krachtens art. 9 van de Visserijwet bepaalde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat door het uit een oogpunt van natuurbescherming stellen van de hiervoor bedoelde bijzondere voorwaarde, de Staatssecretaris wel een besluit in de zin van de Awb heeft genomen. Deze voorwaarde doet niet af aan het privaatrechtelijke karakter van de onderhavige beslissing, waarbij de positie van de Staat als rechthebbende op het visrecht voorop staat. Een oordeel over de vraag of de Staatssecretaris met het stellen van deze voorwaarde onrechtmatig heeft gehandeld, is voorbehouden aan de civiele rechter.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, H.G. Lubberdink, T.M.A. Claessens

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Visserijwet 1963
Besluit beperking vrije visserij kustwateren
Besluit beperking vrije visserij kustwateren 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/297
M en R 2002, 250K

Uitspraak

200106191/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellant sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], gevestigd te [plaats],

6. [appellant sub 6], gevestigd te [plaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], gevestigd te [plaats],

9. [appellant sub 9], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 18 oktober 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 31 december 1999 respectievelijk 24 januari 2000 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Staatssecretaris) aan appellanten een privaatrechtelijke vergunning verleend voor de sleepnetvisserij in de Voordelta. Daarbij is als bijzondere voorwaarde opgenomen dat het uitoefenen van de boomkorvisserij met wekkerkettingen in een viertal gebieden ("accent natuur-gebieden"), zoals nader aangegeven op de Plankaart Voordelta, niet is toegestaan.

Bij besluiten van 8 februari 2001 respectievelijk 12 februari 2001 en 13 februari 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 18 oktober 2001, verzonden op 5 november 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 17 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2002 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2002, waar appellanten vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen en mr. A.A. den Hollander, beiden advocaat te Middelharnis, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.C. Bootsma, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Visserijwet 1963 (hierna: de Visserijwet) is het verboden in een water, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, te vissen voor zover een ander rechthebbende is op het visrecht van dat water.

Dit verbod geldt ingevolge artikel 7, tweede lid, van die wet niet: a. voor hem, die voorzien is van een schriftelijke vergunning van de rechthebbende, geldende voor de visserij, welke wordt uitgeoefend; b. voor hem, die de rechthebbende op het visrecht of de houder der vergunning behulpzaam is bij het vissen met een vistuig, dat niet door één persoon kan worden bediend; c. indien en voor zover het Rijk de rechthebbende op het visrecht is, behoudens in de gevallen bij algemene maatregel van bestuur bepaald; d. voor hem, die vist met ten hoogste twee hengels.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Visserijwet kunnen in het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Visserijwet wordt bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid, mede rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit beperking vrije visserij kustwateren geldt het verbod van artikel 7, eerste lid, van de Visserijwet tevens voor het vissen met andere vistuigen dan de hengel, het spieringtuig en de peur in de wateren die bij het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 (Stb. 176) als kustwateren zijn aangewezen, voor zover het Rijk rechthebbende op het visrecht is en met uitzondering van:

a. het in artikel 2, eerste lid, van dat besluit bedoelde Nederlandse gedeelte van de Dollard en de Eems voor zover op grond van het Eems-Dollardverdrag 1960 (Trb. 69) als gemeenschappelijk visserijgebied aangewezen en

b. het in artikel 2, onderdeel 6, van dat besluit bedoelde deel van de Westerschelde.

2.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2001 inzake no. 200004500/1, welke is aangehecht, overweegt de Afdeling met de rechtbank dat de Staatssecretaris de bezwaren van appellanten tegen de privaatrechtelijke vergunning terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze vergunning behelst de toestemming, als bedoeld in artikel 7 van de Visserijwet, juncto artikel 1 van het Besluit beperking vrije visserij kustwateren die de Staat der Nederlanden als rechthebbende op het visrecht in de Voordelta aan appellanten geeft om in deze wateren te vissen en levert geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op.

Het bij of krachtens artikel 9 van de Visserijwet bepaalde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat door het uit een oogpunt van natuurbescherming stellen van de hiervoor bedoelde bijzondere voorwaarde, de Staatssecretaris wel een besluit in de zin van de Awb heeft genomen. Deze voorwaarde doet niet af aan het privaatrechtelijke karakter van de onderhavige beslissing, waarbij de positie van de Staat als rechthebbende op het visrecht voorop staat. Een oordeel over de vraag of de Staatssecretaris met het stellen van deze voorwaarde onrechtmatig heeft gehandeld, is voorbehouden aan de civiele rechter.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

91-405.