Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200100445/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/659
Omgevingsvergunning in de praktijk 2002/4039
Omgevingsvergunning in de praktijk 2002/2655
Omgevingsvergunning in de praktijk 2002/3229
Milieurecht Totaal 2002/5424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200100445/2.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te Heerjansdam,

2. de vereniging "Vereniging Milieu Belangen", gevestigd te Heerjansdam,

3. burgemeester en wethouders van Heerjansdam,

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2000, kenmerk DWM/2000/13378, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting aan [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 18 december 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 26 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, appellante sub 2 bij brief van 25 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellanten sub 3 bij brief van 25 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juli 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2002, waar appellant sub 1 in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en appellanten sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen. Voorts zijn verschenen verweerders, vertegenwoordigd door ing. K.J. Alblas, H. Hagen en T. Verheyke, ambtenaren van de provincie, en vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, [gemachtigde[, en [deskundigen].

2. Overwegingen

2.1. Voor de inrichting is krachtens de Afvalstoffenwet bij besluit van 30 augustus 1988 een vergunning verleend. Aangezien deze vergunning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was vervallen, hebben verweerders bij het bestreden besluit krachtens de Wet milieubeheer opnieuw een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting verleend.

De inrichting betreft een bedrijf dat zich met name bezig houdt met de op- en overslag van grondstoffen en afvalstoffen, het sorteren van bouw-, sloop- en bedrijfsafval en het breken en zeven van steenachtige materialen. Tevens vindt er in de inrichting stalling van bouwmaterialen en eigen materieel plaats en wordt er strooizout opgeslagen. Verder is er een werkplaats voor het uitvoeren van onderhouds- en herstelwerkzaamheden onder meer aan eigen motorvoertuigen, een wasplaats voor het reinigen van eigen materieel en een kantoor voor de administratie. De inrichting is gesitueerd op het [locatie] te [plaats]. Op een afstand van ongeveer 150 meter van de grens van de inrichting bevinden zich woningen van derden. Aan de zuidzijde wordt de inrichting begrensd door de Oude Maas.

2.2. Appellanten sub 3 hebben ter zitting de beroepsgronden inzake de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.13, 14.8 en 14.9 ingetrokken. Tevens hebben zij de gronden inzake het tuin/gft-afval, en het ontbreken van de mogelijkheid sancties op te leggen bij het verstrekken van foutieve informatie ingetrokken.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten stellen dat de aanwezigheid van een puinbreekinstallatie binnen de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.5. Appellanten sub 1 en 2 stellen voorts dat verweerders miskennen dat door de inrichting, met name door de acht meter hoge puinhopen en de vier meter hoge hopen bouw- en sloopafval, de landschappelijke waarden van het gebied worden aangetast, horizonvervuiling zal plaatsvinden en visuele hinder zal optreden.

Vooropgesteld moet worden dat de beoordeling van deze (milieu)gevolgen, gelet op de aard daarvan, primair dient plaats te vinden in het kader van de planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van de vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets.

Verweerders stellen in verband hiermee dat de opslag op ongeveer 250 meter van de woningen langs de Randweg is gelegen. Tussen de inrichting, gesitueerd op een industrieterrein, en de woningen ligt een ongeveer vijf meter hoge dijk. Gelet hierop achten verweerders het uit milieuhygiënisch oogpunt niet nodig de voorgeschreven opslaghoogtes verder te beperken. Voorts verwijzen verweerders naar de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, waarin is uiteengezet dat aan de oostzijde van de inrichting een beplantingsstrook wordt aangelegd.

Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht en de foto’s van de situatie ter plaatse, is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de door appellanten sub 1 en 2 genoemde gevolgen niet zodanig zijn, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Voorzover appellanten sub 3 in dit verband aanvoeren dat verweerders hebben nagelaten een voorschrift aan de vergunning te verbinden waarin is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders van Heerjansdam zijn goedkeuring moet verlenen aan het soort beplanting dat wordt aangebracht, overweegt de Afdeling dat – daargelaten of het opnemen van een dergelijk voorschrift in de vergunning binnen het stelsel van de Wet milieubeheer past – verweerders in redelijkheid het standpunt hebben kunnen innemen dat geen noodzaak bestaat voor de door appellanten sub 3 gewenste aanvulling.

2.6. Appellanten sub 1 en 2 stellen verder dat verweerders bij de vaststelling van de geluidgrenswaarden van een onjuiste omgevingscategorie zijn uitgegaan. Naar hun mening moet de omgeving van de inrichting als landelijk getypeerd worden en hadden verweerders lagere geluidgrenswaarden moeten stellen. In verband hiermee voeren appellanten sub 1 en 2 aan dat verweerders ten onrechte het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid niet hebben bepaald.

2.6.1. Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidoverlast hebben verweerders onder meer de voorschriften 10.1 en 10.2 aan de vergunning verbonden, waarin grenswaarden voor het equivalente geluidniveau respectievelijk het piekgeluidniveau zijn neergelegd. Het equivalente geluidniveau vanwege de inrichting mag ter plaatse van woningen van derden niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De grenswaarden voor het piekgeluidniveau zijn gesteld op 70, 65 en 60 dB(A) voor dezelfde perioden.

2.6.2. Verweerders hebben bij de invulling van de beoordelingsvrijheid wat het aspect geluidhinder betreft hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In dit hoofdstuk is voor nieuwe inrichtingen, waarvan in dit geval in juridisch opzicht sprake is, vermeld dat wordt getoetst aan de richtwaarden van tabel 4 en dat overschrijding van deze richtwaarden toelaatbaar kan worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol speelt.

Verweerders stellen dat zich in de omgeving van de inrichting een aantal relevante geluidbronnen bevindt, waaronder het wegverkeer over de Randweg, bedrijven die eveneens op het bedrijventerrein […] zijn gesitueerd, het vrachtvaartverkeer op de Oude Maas en het ten noordoosten van de inrichting gelegen gezoneerde industrieterrein […]. Zij staan op het standpunt dat de omgeving van de inrichting om die reden kan worden gekarakteriseerd als een “woonwijk in de stad”. Bij de vaststelling van de geluidgrenswaarden hebben zij dan ook aangesloten bij de in hoofdstuk 4 van de Handreiking opgenomen richtwaarden voor deze omgevingscategorie.

Gelet op de aard van de omgeving van de inrichting acht de Afdeling dit uitgangspunt niet onjuist. Vaststaat dat de in voorschrift 10.1 gestelde equivalente geluidgrenswaarden overeenkomen met de in hoofdstuk 4 van de Handreiking voor deze omgevingscategorie aanbevolen richtwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Reeds hierom was het, anders dan appellanten sub 1 en 2 betogen, niet nodig het referentieniveau van het omgevingsgeluid te meten ter bepaling van de te stellen geluidgrenswaarden. Overigens hebben verweerders na het nemen van het bestreden besluit alsnog een meting naar het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 3 april 2001. Uit deze metingen is gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid 48 dB(A) bedraagt.

De Afdeling stelt voorts vast dat de in voorschrift 10.2 voorgeschreven grenswaarden voor het piekgeluidniveau vallen binnen de marges die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich, gezien het door hen gehanteerde beoordelingskader, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften 10.1 en 10.2 gestelde geluidgrenswaarden voldoende bescherming bieden tegen geluidhinder. Ten aanzien van de stelling van appellant sub 1 dat de geluidnormen ten onrechte zijn gesteld op ruim 200 meter van de inrichting, omdat de dichtstbijzijnde woning op ongeveer 150 meter van de inrichting ligt, overweegt de Afdeling dat deze stelling feitelijke grondslag mist. In de voorschriften 10.1 en 10.2 is bepaald dat de gestelde geluidgrenswaarden van toepassing zijn voor niet tot de inrichting behorende woningen, ongeacht de afstand van deze woningen tot de inrichting.

2.7. Wat betreft de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting zijn verweerders uitgegaan van een door Adviesbureau Peutz & Associes BV (hierna: Peutz) verricht akoestisch onderzoek naar de te verwachten geluidbelasting vanwege de inrichting, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 14 september 1999. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek hebben verweerders zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.7.1. Appellanten sub 1 en 2 zijn van mening dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geluidrapport van Peutz geen juist beeld geeft van de te verwachten geluidbelasting. Volgens hen moet dan ook worden betwijfeld of aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. In dit verband stelt appellant sub 1 – kort samengevat - dat in het akoestisch onderzoek de geluidbelasting vanwege het laden en lossen van schepen niet op zorgvuldige wijze is bepaald, dat van een te hoge opslaghoogte is uitgegaan en mitsdien van een te hoge afscherming, dat geen aandacht is besteed aan het piekgeluid van de kiepwagens die worden gelost en dat een te laag bronvermogenniveau van de vrachtwagens is gehanteerd. Appellanten sub 2 wijzen verder nog op hinderlijke geluiden vanwege vallend gesteente, veiligheidssignalen van achteruitrijdende vrachtwagens en het dichtvallen van laadkleppen.

2.7.2. In het geluidrapport van 14 september 1999 is in paragraaf 2.3 de maximale representatieve bedrijfssituatie beschreven. In deze beschrijving is uiteengezet dat de overslag plaatsvindt op de westelijke loskade (ca. 60%, overeenkomend met ongeveer 30, 10 en 8 vrachtwagens gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode) en op de oostelijke laad- en losplaats (ca. 40%, overeenkomend met ongeveer 20, 7 en 5 vrachtwagens gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode).

Uit de stukken, waaronder een nader door Peutz opgesteld geluidrapport van 9 juli 2002, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de in het bij de aanvraag behorende geluidrapport gehanteerde bronvermogenniveaus van het laad- en losmaterieel betrekking hebben op de geluiduitstraling van het materieel in combinatie met de geluidbijdrage vanwege het lossen van goederen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze bronvermogenniveaus niet representatief zijn. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel, mede gelet op het deskundigenbericht van de StAB, dat het geluid van rijdende vrachtwagens op onjuiste wijze in de beoordeling door verweerders is betrokken.

Voorzover appellant sub 1 stelt dat in het akoestisch onderzoek van een te hoge opslaghoogte is uitgegaan, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 6.14 bedraagt de opslaghoogte voor bouw- en sloopafval en daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval maximaal vier meter. Voor de overige stoffen, waaronder ongebroken puin, mag de maximale opslaghoogte acht meter zijn. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met een afscherming van maximaal vijf meter. Indien de puinberg lager zal zijn dan vijf meter zullen, zo staat in het bij de aanvraag behorende geluidrapport vermeld, geen breekactiviteiten plaatsvinden. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat de afscherming waarmee in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden niet representatief is voor de situatie waarin wordt gebroken.

Verder blijkt uit het geluidrapport van 9 juli 2002 dat de geluidbelasting vanwege het manoeuvreren van schepen, de mobiele hydraulische kranen gedurende de dag- en avondperiode en een deel van de nachtperiode, het lossen van kiepwagens, vallend gesteente, veiligheidssignalen van achteruitrijdende vrachtwagens en het dichtvallen van laadkleppen niet zodanig is dat dit tot overschrijding van de gestelde geluidgrenswaarden zal leiden. Niet is aannemelijk gemaakt noch geworden dat de onderzoeksresultaten in dit geluidrapport onjuist of onvolledig zijn. Er bestaat dan ook geen reden om aan te nemen dat de gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Verweerders hebben derhalve terecht het standpunt ingenomen dat het niet nodig is, zoals appellanten sub 1 en 2 verlangen, verdere geluidreducerende maatregelen in de vergunning op te nemen.

2.8. Appellanten sub 1 en 2 stellen voorts dat verweerders ten onrechte niet hebben voorgeschreven dat vergunninghoudster geluidcontrolemetingen moet uitvoeren.

Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden, voorzover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden, inhoudende dat op een daarbij aangegeven wijze moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan en dat de daarbij verkregen gegevens ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

Nu de voorschriften 10.1 en 10.2 voorschriften zijn als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer volgt uit artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer dat aan de vergunning ook een voorschrift moet worden verbonden dat strekt tot het houden van een controleonderzoek. Nu verweerders een dergelijk voorschrift niet aan de vergunning hebben verbonden, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met dit artikel.

2.9. Appellant sub 1 stelt verder dat de inrichting aan een doodlopende weg ligt, zodat de geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting moet worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting.

Blijkens de stukken wordt de inrichting in westelijke richting, over het bedrijventerrein, door de Industrieweg ontsloten. Van deze ontsluitingsweg wordt ook door verschillende andere op het terrein gevestigde bedrijven gebruik gemaakt. Deze ontsluitingsweg buigt in noordoostelijke richting af en sluit door middel van een kruising aan op de Randweg, waaraan de meest nabij de inrichting gelegen woningen van derden liggen. Mede gelet op het deskundigenbericht acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat ter plaatse van die woningen het verkeer van en naar de inrichting zich door zijn snelheid, rij- en stopgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat daar kan rijden. Verweerders hebben zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat bij die woningen geen aan het in werking zijn van de inrichting toe te rekenen, door het verkeer veroorzaakte geluidhinder optreedt.

2.10. Appellanten sub 1 en 2 stellen dat, mede gelet op de toegestane hoogte van de puinhopen, de aan de vergunning verbonden voorschriften niet toereikend zijn om stofhinder vanwege de inrichting in voldoende mate te beperken. Appellant sub 1 voert in dit verband aan dat, gelet op het gevaar van de aanwezigheid van asbest in partijen bouwafval, de opslag en het lossen van puin in een afgesloten, overdekte ruimte moeten plaatsvinden. Ook is volgens appellant sub 1 ten onrechte niet voorgeschreven dat bij bepaalde hogere windsnelheden het laden en lossen van stuifgevoelige stoffen niet is toegestaan en dat binnen de inrichting een windsnelheidsmeter aanwezig moet zijn. Appellante sub 2 stelt dat in de vergunning een kwantitatieve stofnorm en een stofreductieprogramma had moeten worden opgenomen. Verder vrezen appellanten sub 1 en 2 voor nadelige gezondheidseffecten vanwege de emissie van fijn stof.

2.10.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de aanvraag wat stofhinder betreft de Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht (hierna: NeR) als uitgangspunt genomen. In paragraaf 3.8 van de NeR zijn richtlijnen gegeven in de vorm van maatregelen ter beperking van diffuse stofemissies ten gevolge van handelingen met stuifgevoelige stoffen, welke zijn ingedeeld in vijf verschillende stuifklassen (S1 tot en met S5). Voor de verschillende stuifklassen worden maatregelen aanbevolen ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder, zoals het bevochtigen, afdekken en afschermen van stuifgevoelige materialen.

Blijkens de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, behoren de stoffen die binnen de inrichting worden op- en overgeslagen en be- en verwerkt tot de stuifklassen S3, S4 en S5. Ter voorkoming van stofhinder is in de aanvraag een aantal te treffen maatregelen genoemd. In aanvulling daarop hebben verweerders diverse voorschriften aan de vergunning verbonden.

De Afdeling constateert dat de voorgeschreven maatregelen niet geheel overeenstemmen met de in de NeR aanbevolen maatregelen. In de NeR wordt voor de klassen S3, S4 en S5 nog een aantal andere, relevante maatregelen genoemd ter beperking van diffuse stofemissies. Mede gelet op het deskundigenbericht is met name van belang dat in de vergunning geen maatregelen, zoals het in gesloten ruimten opslaan van S3-producten, het bespuiten van S4 en S5 producten met een vastleggend middel bij langdurige opslag, het plaatsen van windreductie- en langsschermen, het beperken van de vullinggraad van storttrechters, het voorzien van een deugdelijke bovenafsluiting van de grijpers en een windsnelheidsafhankelijk overslagverbod, zijn opgenomen.

Nu de voorschriften die zijn gesteld ter voorkoming en beperking van stofhinder in betekenende mate afwijken van de aanbevelingen die de NeR doen en verweerders daarvoor in het bestreden besluit geen deugdelijke motivering hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Ter zitting hebben verweerders overigens te kennen gegeven dat zij het niet bezwaarlijk vinden dat bovengenoemde maatregelen ter bescherming tegen stofhinder in middelvoorschriften worden opgenomen. Daarbij hebben zij in aanmerking genomen hun uitgangspunt dat in het geheel geen stofhinder naar de omgeving mag optreden. Dit uitgangspunt is in het aan de vergunning verbonden doelvoorschrift 8.1 neergelegd. De Afdeling overweegt met betrekking tot dit voorschrift het volgende.

Niet in geding is dat als gevolg van het in werking zijn van de inrichting fijn stof kan vrijkomen. In de NeR, die verweerders bij de beoordeling van de stofemissie als uitgangspunt hebben genomen, wordt het bestrijden van de emissie van fijn stof geregeld via de algemene eisen voor stof. Doekfilters worden volgens de NeR beschouwd als stand der techniek voor de bestrijding van de emissie van fijn stof.

De Afdeling leidt uit het verhandelde ter zitting af dat verweerders met voorschrift 8.1 hebben beoogd de stofveroorzakende activiteiten te doen staken indien visueel waarneembaar is dat stofhinder buiten de inrichting optreedt. Deze interpretatie strookt echter niet met de redactie van voorschrift 8.1, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen grof en (visueel niet waarneembaar) fijn stof. Derhalve komt het bestreden besluit ook in zoverre in aanmerking voor vernietiging, wegens strijd met het rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.11. Appellanten sub 3 voeren aan dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 8.2 onjuist is, omdat dit gedeeltelijk ziet op verkeersbewegingen buiten de inrichting waarop de Wegenverkeerswet betrekking heeft.

Ingevolge voorschrift 8.2 dienen de transportvoertuigen zodanig te zijn geladen en/of afgedekt dat tijdens het transport van en naar de inrichting geen lading kan worden afgeschud dan wel op andere wijze verspreiding kan optreden van fijnkorrelig materiaal.

Verweerders hebben dit voorschrift aan de vergunning verbonden om onder meer te voorkomen dat stofhinder naar de omgeving kan optreden. Anders dan appellanten sub 3 kennelijk veronderstellen kunnen krachtens de Wet milieubeheer in een vergunning voorschriften worden opgenomen ter beperking van stofhinder van transportbewegingen die aan het in werking zijn van de inrichting kunnen worden toegerekend. Bovendien kunnen de in voorschrift 8.2 voorgeschreven maatregelen binnen de inrichting worden afgedwongen. Verweerders hebben dit voorschrift naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid nodig kunnen achten ter bescherming van het milieu.

2.12. Appellanten sub 3 stellen verder dat voorschrift 8.5 onduidelijkheid schept, omdat reeds is voorgeschreven dat stankverspreidende stoffen afgedekt moeten worden of in gesloten containers moeten worden opgeslagen. Voorts is sprake van een onduidelijke verhouding tussen de voorschriften 8.5 en 14.7, aldus appellanten sub 3.

Ingevolge voorschrift 8.5 dient voldoende afdekmateriaal binnen de inrichting aanwezig te zijn voor het eventueel afdekken van stankverspreidende stoffen.

Ingevolge voorschrift 14.7 is het binnen de inrichting niet toegestaan groenafval te accepteren dat in een zodanige staat van ontbinding verkeert dat geurhinder voor de omgeving ontstaat.

Verweerders stellen dat voorschrift 8.5 op incidentele situaties ziet. Het kan volgens hen vóórkomen dat tijdens de opslag van stoffen binnen de inrichting geuremissie ontstaat, terwijl dit bij de inname niet het geval was. Om geurhinder in dergelijke situaties te voorkómen, hebben verweerders de in voorschrift 8.5 opgenomen maatregel voorgeschreven.

Verweerders hebben dit voorschrift naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid nodig kunnen achten. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voorschriften 14.7 en 8.5 zich niet duidelijk tot elkaar verhouden. Uit het samenstel van deze voorschriften volgt dat binnen de inrichting alleen tuinafval mag worden ingenomen dat op het moment van inname niet in een dermate staat van ontbinding verkeert dat dit tot geurhinder aanleiding kan geven. Voorschrift 8.5 heeft betrekking op de situatie dat bij handelingen met dit afval onverhoopt toch geuremissie ontstaat. Voor het oordeel dat de betekenis die verweerders in het bestreden besluit aan voorschrift 8.5 hebben toegekend niet strookt met de bewoordingen van dit voorschrift, zoals appellanten sub 3 betogen, bestaat geen reden.

2.13. Appellanten sub 3 stellen voorts dat in de overwegingen van het bestreden besluit is betrokken dat de aan- en afvoer van stoffen over het water plaatsvindt en dat hier vanuit economische overwegingen een voorkeur voor bestaat. Naar hun mening laat de Wet milieubeheer een dergelijke afweging niet toe.

Blijkens de considerans van het bestreden besluit hebben verweerders enkel geconstateerd dat transport over water plaatsvindt en dat dit overeenkomstig het provinciaal milieubeleidsplan is, waarmee zij op grond van artikel 8.8, tweede lid, van de Wet milieubeheer rekening moeten houden. Van een door verweerders gemaakte afweging van vormen van hinder, waarop appellanten sub 3 doelen, is de Afdeling niet gebleken. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de door appellanten sub 3 gemaakte vergelijking met het geding met nummer E03.98.0660 in dit geval opgaat.

2.14. Appellanten sub 3 stellen tevens dat voorschrift 9.1, waarin is bepaald dat de in de inrichting aan te brengen hoeveelheid blusmiddelen en de locaties daarvan in overleg met de brandweer moeten worden bepaald, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Verweerders stellen dat een beoordeling van de brandweer ten aanzien van de aanwezigheid van brandblusmiddelen voldoende zekerheid biedt dat wordt voldaan aan de gangbare eisen die op dit gebied worden gesteld.

Nu uit voorschrift 9.1 niet blijkt aan welke eisen die de plaatselijke brandweer stelt, moet worden voldaan, kan dit voorschrift naar het oordeel van de Afdeling aanleiding geven tot onduidelijkheden over de uitvoering van de voorzieningen die vergunninghoudster moet treffen. Het bestreden besluit is daarom, wat voorschrift 9.1 betreft, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.15. Appellanten sub 3 kunnen zich verder niet verenigen met voorschrift 13.2. In dit voorschrift is bepaald dat de herstelwerkzaamheden aan motorvoertuigen en de daarvoor bestemde ruimte moeten voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit). Naar de mening van appellanten sub 3 hadden verweerders, gezien de aard van de herstelwerkzaamheden in de inrichting, duidelijk moeten maken welke concrete maatregelen en voorzieningen van vergunninghoudster worden verlangd.

De Afdeling stelt voorop dat het Besluit niet op de inrichting in kwestie van toepassing is. Verweerders hebben naar haar oordeel niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de van toepassing zijnde voorschriften uit het Besluit zonder in de vergunningvoorschriften concrete maatregelen of voorzieningen voor te schrijven die zijn toegespitst op de betrokken situatie. Het bestreden besluit verdraagt zich, wat voorschrift 13.2 betreft, evenmin met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.16. Appellanten sub 3 betogen tot slot dat, indien het aan de vergunning verbonden voorschrift 14.6 overeenkomstig de aanvraag is, dit voorschrift overbodig is.

In voorschrift 14.6 is bepaald dat de hoeveelheid groenafval die op jaarbasis mag worden geaccepteerd niet meer mag bedragen dan 150 ton.

In de aanvraag van 16 september 1999 is vermeld dat de maximale opslagcapaciteit voor groenafval 10 ton is. De hoeveelheid groenafval die op jaarbasis wordt geaccepteerd bedraagt - zo blijkt uit een nadere aanvulling van de aanvraag van 10 november 1999 - maximaal 150 ton. Verweerders hebben het uit oogpunt van kenbaarheid en ter voorkoming van geurhinder nodig gevonden de maximaal toegestane hoeveelheid groenafval expliciet in voorschrift 14.6 op te nemen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders voorschrift 14.6 niet in redelijkheid nodig hebben kunnen achten ter bescherming van het milieu.

2.17. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen deels gegrond zijn. Het bestreden besluit komt gedeeltelijk voor vernietiging in aanmerking. Verweerders dienen in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.18. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 11 december 2000, kenmerk DWM/2000/13378, voorzover het betreft de aan de vergunning verbonden voorschriften 8.1, 9.1 en 13.2, alsmede het niet voorschrijven van een controleonderzoek naar geluidhinder en het niet stellen van nadere middelvoorschriften ter voorkoming van stofhinder;

III. draagt gedeputeerde staten van Zuid-Holland op binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 351,11, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de door appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 670,91, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; deze bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan respectievelijk appellanten sub 1 en 2;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten sub 1, 2 en 3 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (respectievelijk € 102,10, € 204,20 en € 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

334.