Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200200045/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200045/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2001, kenmerk 97-92A, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een veehouderij annex minicamping op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 21 november 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 februari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2002, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door P. Hermans en A. Schuurman, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders vergunning verleend voor het houden van 120 melk- of kalfkoeien, 100 stuks vrouwelijk jongvee, 120.000 vleeskuikens, 2 paarden, 1 pony in opfok jonger dan 3 jaar en 2 volwassen pony’s ouder dan 3 jaar alsmede voor een minicamping.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant heeft de gronden inzake het ontbreken van een akoestisch onderzoek naar stemgeluid, de hoogte van de vergunde geluidgrenswaarden, het ontbreken van een onderzoek naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid en de geluidhinder van de kuilvoerplaatsen niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant betoogt dat in de omgeving van de inrichting niet alleen stankgevoelige objecten zijn gelegen die moeten worden aangemerkt als categorie IV-objecten, maar ook categorie III- en categorie II-objecten, als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna te noemen: de brochure). De afstandsgrafiek van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna te noemen: de Richtlijn) is dan ook onjuist toegepast, aldus appellant.

2.4.1. Verweerders hebben voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn gehanteerd. Daarbij hebben zij wat betreft de indeling in omgevingscategorieën de brochure tot uitgangspunt genomen.

Verweerders hebben ter zitting gesteld dat het dichtst bij de inrichting gelegen stankgevoelig object de op een afstand van 190 meter gelegen agrarische bedrijfswoning aan de [locatie] is, welke moet worden aangemerkt als een categorie IV-object als bedoeld in de brochure. Voorts hebben zij gesteld dat de op een afstand van 215 meter gelegen woning aan de [locatie] het dichtst bij de onderhavige inrichting gelegen stankgevoelig categorie III-object als bedoeld in de brochure is en dat in de omgeving van de inrichting geen categorie II-objecten zijn gelegen.

De Afdeling is van oordeel, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, waar een kaart van de omgeving van de inrichting is bezien, dat verweerders de omgevingscategorie waartoe bovengenoemde objecten moeten worden gerekend, op de juiste wijze hebben vastgesteld. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de Richtlijn en de brochure onjuist zijn toegepast of dat niet wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn minimaal aan te houden afstanden van de inrichting tot deze objecten.

2.5. Appellant betoogt voorts dat de mestopslagplaat te klein is voor een veebestand met een omvang als vergund, zodat niet kan worden voldaan aan de voorschriften 7.13 en 7.14. Dit zal overlast van stank en vliegen tot gevolg hebben, aldus appellant.

2.5.1. In voorschrift 7.13 is bepaald dat de opslag van vaste mest buiten de stal moet geschieden op een mestplaat. De mestplaat moet mestdicht zijn en zijn voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening. De stapeling van de mest op deze plaat moet zodanig geschieden dat uitzakkend mestvocht niet van de mestplaat kan vloeien. Dit vocht moet, voorzover van toepassing, door middel van een gesloten, mestdichte riolering, worden afgevoerd naar een mestdichte opslagruimte of opslagput. De opslagruimte moet van voldoende inhoud zijn om ook het hemelwater dat binnen de mestplaat valt te kunnen bergen.

In voorschrift 7.14 staat dat ter vermijding van stankverspreiding en vliegenontwikkeling, behoudens tijdens het bijstorten of afvoeren van mest, de opslag van vaste mest moet zijn en blijven afgedekt, zodanig dat geen licht of lucht wordt toegelaten.

2.5.2. Blijkens de vergunningaanvraag, die op grond van voorschrift 1.1 van de vergunning onderdeel hiervan uitmaakt, heeft de mestplaat een oppervlakte van 240 m2. Ter zitting heeft de vergunninghouder verklaard dat de oppervlakte van de mestplaat niet te klein is, omdat hierop slechts mest wordt opgeslagen die over het eigen land wordt uitgereden. De overige mest wordt afgevoerd naar de mestkelders. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan de voorschriften 7.13 en 7.14 of dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn om hinder van stank en vliegen vanwege de mestplaat te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

2.6. Appellant betoogt verder dat het akoestisch onderzoek onjuistheden bevat met betrekking tot de geluidproductie van de ventilatoren, de aanvoer van mengvoer, de afvoer van vleeskuikens, de aanvoer van eendagskuikens en het uitmesten van de stal alsmede met betrekking tot de benodigde tijd voor de afvoer van mest en het gebruik van plastic in plaats van stalen kratten.

2.6.1. Ten behoeve van de aanvraag voor de onderhavige vergunning is door Know How Acoustics een akoestisch rapport, gedateerd 24 juli 2001, opgesteld. Dit rapport maakt op grond van voorschrift 1.1 onderdeel uit van de vergunning. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het akoestisch rapport niet de juiste uitgangspunten worden gehanteerd en dat de uitkomsten van het akoestisch onderzoek niet juist zijn.

2.7. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het betreft het ontbreken van een akoestisch onderzoek naar stemgeluid, de hoogte van de vergunde geluidgrenswaarden, het ontbreken van een onderzoek naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid en de geluidhinder van de kuilvoerplaatsen;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Breda, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Breda

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

310.