Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200105119/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/675
M en R 2003, 31K
Milieurecht Totaal 2002/4419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105119/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

burgemeester en wethouders van Maasbree,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2001, kenmerk V1999-05, hebben verweerders geweigerd krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een vergunning te verlenen voor het oprichten en inwerking hebben van een zeugenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit aangehechte besluit is op 6 september 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en verweerders, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning geweigerd voor een inrichting voor het houden van 240 zeugen met als huisvestingssysteem “groepshuisvesting met weide-uitloop”. Vergunning is geweigerd omdat de uitloopweide waarin de zeugen mede verblijven te dicht bij stankgevoelige objecten is gelegen en omdat door het mesten in deze weide de door verweerders gehanteerde fosfaatnorm wordt overschreden.

2.2. Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of de uitloopweide waarin de zeugen mede verblijven deel uitmaakt van de inrichting. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de uitloopweide een functioneel onderdeel is van de inrichting, omdat er vanaf de voederplaat uitsluitend een doorgang is naar dit weiland, zodat de zeugen alleen daar kunnen mesten en niet op verder weg gelegen weilanden. Bovendien wordt de uitloopweide volgens hen intensief gebruikt. Volgens appellante bestaat de inrichting slechts uit het (afsluitbare en overdekte) schuilhok en de met beton verharde voederplaats met een voedersilo. Zij wijst hiertoe naar de aanvraag.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.2.2. De uitloopweide, die is omheind met prikkeldraad, ligt direct aansluitend aan de schuilhut en de voederplaats met voedersilo en wordt daarvan slechts gescheiden door een hekwerk dat op enkele plaatsen open kan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zeugen in de bovengenoemde uitloopweide mesten. In de omgeving liggen weliswaar meerdere weilanden van appellante, maar appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat die weilanden door de zeugen zijn te bereiken. Het schuilhok en de voerderplaats bieden geen reële mogelijkheid voor het mesten van 240 zeugen, hetgeen ter zitting door appellante is erkend.

Het weiland heeft een oppervlakte van ongeveer 3,2 hectare. Gelet hierop hebben verweerders, ook wanneer er rekening mee wordt gehouden dat de zeugen alleen van april tot en met november aanwezig zijn, op goede gronden overwogen dat het weiland niet extensief wordt gebruikt, hetgeen door appellante niet is weersproken.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de uitloopweide deel uitmaakt van de inrichting.

2.2.3. Voorzover appellant voor zijn betoog op de aanvraag om vergunning wijst, overweegt de Afdeling dat daarin onder 2.2. als huisvestingssysteem staat vermeld “groepshuisvesting met weide-uitloop”. Op de bij de aanvraag als bijlage 1 gevoegde situatietekening staan het schuilhok, de voederplaats met voedersilo en de uitloopweide als één geheel gearceerd weergegeven. In de aanvulling van de aanvraag van 29 april 1999 staat onder 3. dat de varkens mesten op het weiland dat als open grond bij de inrichting behoort.

De aanvraag om vergunning ziet dus mede op de uitloopweide. Verweerders hebben de uitloopweide terecht bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellante heeft verder aangevoerd dat verweerders de stankhinder verkeerd hebben beoordeeld omdat de uitloopweide geen emissiepunt is als bedoeld in de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn).

2.4.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn gehanteerd, voorzover het de omrekeningsfactoren en de afstandsgrafiek betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

2.4.2. De Richtlijn gaat voor het meten van de afstand tot stankgevoelige objecten uit van het emissiepunt van natuurlijk of mechanisch geventileerde stallen. Voor in de buitenlucht gehouden dieren wordt in de Richtlijn geen wijze van afstandsmeting gegeven. Verweerders zijn echter, zonder nadere motivering, voor het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting zoals bedoeld in de Richtlijn uitgegaan van de grens van het weiland. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Appellante heeft tenslotte betoogd dat verweerders evenmin de vergunning hebben kunnen weigeren vanwege de bescherming van de bodem tegen verontreiniging door fosfaat. Zij heeft betwist dat bij de beoordeling van dit aspect moet worden uitgegaan van een fosfaatproductie van 6 kg per dier. Het bestreden besluit geeft volgens haar bovendien ten onrechte geen inzicht in hoe de waarde van 6 kg tot stand is gekomen. Verder heeft zij aangevoerd dat verweerders er ten onrechte van uitgaan dat de door hen aanvaardbaar geachte bemestingsnorm zal worden overschreden en in dit verband ten onrechte geen doelvoorschrift aan de vergunning hebben verbonden.

2.5.1. Voor de beoordeling van de bodemverontreiniging hebben verweerders met gebruikmaking van de hen toekomende beoordelingsvrijheid een norm van maximaal 125 kilogram fosfaat per hectare gehanteerd. Deze norm hebben zij ontleend aan de Meststoffenwet, zoals deze luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Deze norm is door appellante niet bestreden.

2.5.2. Verweerders hebben voor de beoordeling van de vraag of aan de door hen gehanteerde norm wordt voldaan als uitgangspunt genomen dat er 7 maanden per jaar 240 zeugen op 3,2 hectare grond zullen worden gehouden. Nu de zeugen gelet op het vorenstaande uitsluitend op de uitloopweide mesten, zijn verweerders op goede gronden van deze gegevens uitgegaan.

Voor de vaststelling van de omvang van de fosfaatproductie door zeugen zijn verweerders afgegaan op door hen ingewonnen telefonische informatie van het Expertisecentrum LNV. Blijkens het bestreden besluit wordt volgens dit expertisecentrum op basis van voedselopname met daarin aanwezig fosfaat en de gemiddelde voederopname een fosfaatuitscheiding van ongeveer 6 kg per jaar per dier als meest aannemelijk beschouwd. Verweerders beschikken echter niet over een berekening op papier van de omvang van de fosfaatuitscheiding. Ook ter zitting hebben zij niet duidelijk kunnen maken hoe de omvang van de fosfaatuitscheiding van ongeveer 6 kg per jaar per dier is berekend. Nu niet duidelijk is hoe de berekening hiervan tot stand is gekomen, staat evenmin vast dat het, zoals verweerders hebben overwogen, niet mogelijk is om zonder de grondslag van de aanvraag te verlaten zodanige voorschriften en beperkingen aan de vergunning te verbinden dat de nadelige gevolgen voor het milieu door verontreiniging van de bodem worden voorkomen dan wel voldoende worden beperkt. Daargelaten of verweerders de hen toekomende beoordelingsvrijheid op juiste wijze hebben ingevuld door uit te gaan van een norm van 125 kg fosfaat per hectare, moet reeds het vorenstaande tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.7. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Maasbree van 30 augustus 2001, V 1999-05;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Maasbree in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Maasbree te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat gemeente Maasbree aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. H. Beekhuis en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

154-314.