Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200106292/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106292/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 7 november 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van appellant om verlening van het Nederlanderschap buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 16 november 2000 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 november 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 februari 2000 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P. Scholtes, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet had voldaan aan het verzoek om een na verificatie gelegaliseerde geboorteakte over te leggen.

2.2. Appellant betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris de aanvraag niet om die reden buiten behandeling mocht stellen, omdat het overleggen van een gelegaliseerde geboorteakte geen vereiste is voor verlening van het Nederlanderschap.

2.3. Dit betoog faalt. Bij de toepassing van artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap wordt van degene die voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking wenst te komen gevraagd de identiteit aan te tonen door middel van een gelegaliseerde geboorteakte. Voor het oordeel dat dit niet mag, bestaat geen grond. De staatssecretaris heeft zich, nadat appellant niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek had voldaan, dan ook op het standpunt mogen stellen dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende waren om de aanvraag te kunnen beoordelen en daarin aanleiding mogen vinden om de aanvraag buiten behandeling te stellen.

2.4. Verder betoogt appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2000 in zaak nr. 200000752/1 (JB 2001/8 en JV 2001/21), dat de rechtbank heeft miskend dat overlegging van een na verificatie gelegaliseerde geboorteakte, indien al in het algemeen vereist, in zijn geval niet kan worden verlangd, nu hij bij zijn verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf een gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus, dat van appellant niet opnieuw legalisatie - thans na verificatie - kan worden verlangd, omdat legalisatie van de geboorteakte eerder heeft plaatsgevonden en dit besluit niet is herroepen.

2.5. Dat betoog faalt, omdat het beleid er toe strekt dat voor de naturalisatie nieuwe legalisatie is vereist en geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld, die tot het oordeel nopen dat de staatssecretaris niet in redelijkheid aan die eis heeft kunnen vasthouden. Dat de legalisatie in een geval als het onderhavige thans niet wordt verkregen, zonder voorafgaande verificatie, is voor dat oordeel niet voldoende.

2.6. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat, nu hij tweemaal om legalisatie van zijn geboorteakte heeft verzocht en dit tweemaal is geweigerd, de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Zijn identiteit kan volgens appellant ondanks het ontbreken van een na verificatie gelegaliseerde geboorteakte genoegzaam worden vastgesteld. Hij heeft met betrekking tot zijn afstamming aangeboden DNA-onderzoek te ondergaan. Nu de staatssecretaris niet op dit aanbod is ingegaan, is de beslissing voorts niet voldoende zorgvuldig tot stand gekomen, aldus appellant.

2.7. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beslissing op bezwaar onvoldoende is onderzocht of van het vereiste van het overleggen van een na verificatie gelegaliseerde geboorteakte kon worden afgezien, faalt. Uit die beslissing blijkt dat de mogelijkheid daartoe onder ogen is gezien. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich bij afweging van alle daarbij in aanmerking te nemen belangen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval niet van het legalisatievereiste wordt afgeweken. Daarbij is onder meer van belang dat niet alleen onzekerheid over de biologische afstamming aan legalisatie in de weg heeft gestaan, doch ook andere persoonsgegevens ontbreken, te weten de geboortedatum en de geboorteplaats. Deze gegevens zijn – naar appellant zelf stelt – niet vast te stellen. Gelet op de aan het Nederlanderschap verbonden gevolgen, heeft de staatssecretaris het belang van de vaststelling van de juiste persoonsgegevens van bijzonder gewicht kunnen achten. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris de gevolgen van de omstandigheid dat appellant, naar hij stelt, in bewijsnood verkeert, niet in redelijkheid voor zijn rekening heeft mogen laten, als is gedaan in het besluit van 16 november 2000.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Muller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

242-345.