Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6717

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200100016/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200100016/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant]

2. [appellant]

3. [appellant]

allen wonend te Hengelo,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 29 november 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Defensie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2000 heeft de Staatssecretaris van Defensie (hierna: de Staatssecretaris) medegedeeld de woningen van appellanten niet in beschouwing te nemen voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen op kosten van het ministerie van defensie.

Bij besluit van 10 mei 2000 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie advisering bezwaarschriften defensie van 4 mei 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 november 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2002, waar [appellant sub 1] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.J. van Heusden en drs. A.N. Lefferts, ambtenaren ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge de aanhef van artikel 25, eerste lid, van de Luchtvaartwet (hierna: LVW), worden bij algemene maatregel van bestuur uniforme grenswaarden vastgesteld voor maximaal toegelaten geluidsbelasting door in het eerste lid nader aangeduide categorieën landende en opstijgende luchtvaartuigen.

Ingevolge artikel 25, derde lid, van de LVW, worden bij algemene maatregel van bestuur maximale waarden van geluidsbelasting boven de in het eerste lid bedoelde grenswaarden vastgesteld, ter bepaling van de toelaatbaarheid van zekere bestemmingen op gronden gelegen binnen de geluidszone.

Ingevolge artikel 25d van de LVW worden bij de aanwijzing van het luchtvaartterrein ten aanzien van iedere definitieve en tijdelijke geluidszone geluidscontouren vastgesteld, behorende bij de maximale waarden, bedoeld in artikel 25, derde lid.

Ingevolge artikel 26b van de LVW, voorzover van belang, stelt de Minister van Defensie in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu een regeling vast inzake geluidwerende voorzieningen ten aanzien van aanwezige woningen binnen de bedoelde vastgestelde geluidszone.

2.1.1. Ingevolge artikel 7 van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart (hierna: het Besluit), dat krachtens artikel 25, derde lid, van de LVW is vastgesteld, is 40 Kosteneenheden (Ke) de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van een woning die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen reeds aanwezig is en een geluidsbelasting ondervindt van 40 Ke of minder.

2.1.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de op artikel 26b van de LVW gebaseerde Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (hierna: de Regeling), voorzover hier van belang, worden op ’s Rijks kosten geluidwerende voorzieningen aangebracht aan geluidsgevoelige ruimten van een woning die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone in Ke daarbinnen reeds aanwezig is en volgens de in artikel 25d van de LVW bedoelde geluidscontouren een hogere geluidsbelasting dan 40 Ke ondervindt.

2.2. De door de Staatssecretaris ingestelde Landelijke Project Groep heeft een zoneringskaart, de zogenaamde LPG-kaart, opgesteld. Op deze kaart zijn de geluidscontouren omgezet in hanteerbare lijnen op perceelsniveau teneinde deze neer te leggen in de bestemmingsplannen van de betrokken gemeenten in het kader van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat het beleid van de Staatssecretaris om voor de beoordeling van het al dan niet aanbrengen van geluidwerende voorzieningen uit te gaan van de geluidsbelasting volgens de LPG-kaart in strijd is met de uitgangspunten van de wet. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat in andere gemeenten, ook in geval van twijfel, de voor bewoners meest gunstige keuze is gemaakt en dat de hantering van de LPG-lijn leidt tot een willekeurig of onredelijk resultaat omdat er geen sprake is van zoneringsneutrale overname van de geluidscontouren op de LPG-kaart.

2.4. Dit betoog treft doel. De Staatssecretaris hanteert bij de beoordeling van aanvragen om woningen in beschouwing te nemen voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen op kosten van het Ministerie van defensie de genoemde LPG-kaart zolang de betrokken gemeenten de geluidscontouren niet op bestemmingsplanniveau hebben verwerkt. De Staatssecretaris leidt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 april 1995, nr. RO1.92.1552, en de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2001, nr. 199903278/1, af dat de Afdeling van oordeel is dat dit beleid niet onredelijk is. In de desbetreffende gedingen stond echter ter toetsing het beleid inzake een aanwijzing aan gemeenten op grond van artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en niet de vraag of de Staatssecretaris bij de beoordeling van aanspraken op grond van artikel 2 van de Regeling aan de hand van de LPG-kaart mag beslissen in afwijking van de geluidscontouren.

Artikel 2 van de Regeling verschaft een onvoorwaardelijke aanspraak op geluidwerende voorzieningen op kosten van het Rijk aan woningen die volgens de in artikel 25d van de LVW bedoelde geluidscontouren een hogere geluidsbelasting dan 40 Ke ondervinden, woningen derhalve die zich in de desbetreffende geluidszone bevinden. Er is geen wettelijke basis om af te wijken van artikel 2 van de Regeling. De LPG-kaart die de Staatssecretaris hanteert bij zijn beoordeling van de aanvragen in het kader van de Regeling heeft geen wettelijke status. De LPG-kaart is eerst en vooral een hulpmiddel bij het maken van de vertaalslag van de bedoelde geluidscontouren naar het bestemmingsplanniveau. Het hanteren van de LPG-kaart bij de beoordeling van aanvragen als hierbedoeld, is, voorzover dat ertoe leidt dat eigenaren van woningen die liggen binnen de 40 Ke contourlijn niet in aanmerking komen voor de geluidwerende voorzieningen, dan ook in strijd met artikel 2 van de Regeling.

Niet in geschil is dat de in artikel 25d bedoelde geluidscontour van 40 Ke het woonblok, bestaande uit drie drie-onder-één-kapwoningen, van appellanten doorsnijdt en dat de woning aan de [locatie] geheel in de betrokken geluidszone ligt. De eigenaar van deze woning, [appellant sub 3], kan derhalve zonder meer aanspraak maken op geluidwerende voorzieningen op ’s Rijks kosten als bedoeld in artikel 2 van de Regeling. De rechtbank heeft dit miskend.

De Afdeling laat thans in het midden, hoe in het kader van de Regeling moet worden geoordeeld over de aanspraken van belanghebbenden, van wie de woning is gelegen op de 40 Ke-contourlijn. Het is aan de Staatssecretaris zich hierover als eerste uit te laten.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Staatssecretaris dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6 De Staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 29 november 2000, AWB 00/460 BESLU H1 A;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 10 mei 2000, CBD2000/009/A;

V. draagt de Staatssecretaris van Defensie op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt de Staatssecretaris van Defensie in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Defensie) te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Defensie) aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 256,39) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

66-362