Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6711

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200201126/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201126/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Losser, op voorstel van burgemeester en wethouders van 15 mei 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Overdinkel, partiële herziening locatie Het Welpelo".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 11 december 2001, kenmerk RWB/2001/2807, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2002, beroep ingesteld.

Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2002, waar

verweerders, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar van de provincie,

zijn verschenen. Tevens is de raad van de gemeente Losser, vertegenwoordigd door H.A.M. Plegt, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord. Appellanten zijn met kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van een speelvoorziening in een woonwijk, op een perceel gelegen aan het Welpelo.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders goedkeuring aan het plan verleend.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten kunnen zich niet met het plan verenigen en stellen dat verweerders daaraan ten onrechte goedkeuring hebben verleend. Zij voeren aan dat zij overlast zullen ondervinden van de beoogde speelvoorziening, omdat deze naar hun mening door de oudere jeugd als ontmoetingsplek zal worden gebruikt. Voorts hebben zij bezwaar tegen de in het plan maximaal toegestane hoogte van de speeltoestellen van 6,50 meter, die volgens hen visueel onacceptabel is en een inbreuk vormt op hun privacy.

2.3.1. De gemeenteraad heeft overwogen dat de eventuele overlast van spelende kinderen, gelet op de doelgroep van de speelvoorziening namelijk kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot en met 6 jaar, niet meer zal zijn dan maatschappelijk aanvaardbaar is.

2.3.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien goedkeuring aan het plan te onthouden en stellen zich op het standpunt dat de speelvoorziening uit ruimtelijk oogpunt niet bezwaarlijk is. Onaanvaardbare overlast van de categorie kinderen waarvoor de speelvoorziening bedoeld is, is volgens hen niet te verwachten.

2.3.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ernstige overlast van de categorie kinderen waarvoor de speelvoorziening bedoeld is, niet is te verwachten. In dit verband is van belang dat het een kleinschalige speelvoorziening betreft voor kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot en met 6 jaar. Voor de oudere jeugd zal, zo heeft het gemeentebestuur ter zitting verklaard, zeer waarschijnlijk een nieuwe zogenoemde jeugdontmoetingsplaats (JOP) worden ingericht met inbegrip van de daarbij behorende voorzieningen.

De in het plan maximaal toegestane hoogte van 6,50 meter voor andere bouwwerken betekent niet dat de speelvoorzieningen die hoogte zullen krijgen, zo is tevens door het gemeentebestuur ter zitting meegedeeld. Deze hoogte geldt voor de bestemming “Openbaar erf” in het plan “Overdinkel” en is nodig voor bijvoorbeeld lantaarnpalen. Niet aannemelijk is derhalve dat deze hoogte zal leiden tot een visueel onacceptabele situatie of tot aantasting van de privacy van appellanten. In dit verband weegt de Afdeling ook mee dat de inrichting van de speelvoorziening zal plaatsvinden in overleg met de omwonenden.

2.4. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

234-417.