Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200102079/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102079/2.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Snelcore B.V.", gevestigd te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Desmepol B.V.", gevestigd te Arnhem,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Arnhem,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2001, kenmerk SB/TVG/2001/975M, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Snelcore B.V." een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor kunststofverwerking, gelegen op het perceel Bruningweg 1 te Arnhem, kadastraal bekend gemeente Arnhem, sectie D, ongenummerd. Dit aangehechte besluit is op 1 april 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 26 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2001, en appellante sub 2 bij brief van 4 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2001, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 6 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 december 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J. Hindriks, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellante sub 1 haar beroep met betrekking tot de voorschriften 3.10 en 3.17 ingetrokken.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante sub 1 voert aan dat door de in de voorschriften 3.12, 3.13 en 3.14 opgenomen afstanden het gebruik van het terrein door de wordt beperkt. Uit een oogpunt van brandveiligheid is een afstand van 5 meter volgens appellante sub 1 voldoende.

2.3.1. De voorschriften 3.12, 3.13 en 3.14 luiden:

Voorschrift 3.12

De vrije ruimten tussen de klampen, waarin materiaal op PET-basis zijn opgeslagen, dienen minimaal 10 meter te bedragen.

Voorschrift 3.13

De vrije ruimte tussen de erfgrens en de klampen dient minimaal 7,5 meter te bedragen. Dit geldt niet voor de opslag grenzend aan de betonnen wand, welke is geplaatst tussen de buitenopslag en de opslagloods. Daar dient de vrije ruimte minimaal een 0,5 meter te bedragen.

Voorschrift 3.14

De vrije ruimte tussen de klampen en een naastgelegen object dient minimaal 10 meter te bedragen.

2.3.2. Verweerders hebben overwogen dat de in de voorschriften 3.12 tot en met 3.14 genoemde afstanden zijn gebaseerd op het brandbeveiligingsconcept “beheersbaarheid van brand” van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Zij hebben ter nadere motivering aangevoerd dat bij het bepalen van deze afstanden het uitgangspunt is geweest dat er geen onbeheersbaar incident kan ontstaan en dat er bij een incident een adequate inzet van hulpdiensten mogelijk moet zijn.

Op het open terrein worden in klampen van 25 bij 25 meter op pallets zogeheten trays opgeslagen. Bij brand gaan trays volgens verweerders brandend vloeien, waardoor de bereikbaarheid voor de brandweer in gevaar kan komen. Bovendien, zo stellen verweerders, is inzet door de brandweer alleen mogelijk tot een stralingsintensiteit van 3 kW/m2; de afstanden zijn noodzakelijk om deze norm niet te overschrijden.

In het kader van de behandeling van het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht is een deskundigenbericht door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak uitgebracht; partijen hebben hiervan kunnen kennisnemen. In dit deskundigenbericht is een berekening gegeven voor de in aanmerking te nemen afstanden tussen de klampen en van de klampen tot de erfgrens en naastgelegen objecten. In die berekening is ervan uitgegaan dat de stapelhoogte van de klampen met trays ongeveer 2 meter bedraagt. Verweerders hebben betoogd dat overeenkomstig voorschrift 3.10 dient te worden uitgegaan van een stapelhoogte van 4 meter. Nu dit voorschrift in beroep niet is betwist en de stapelhoogte niet in de aanvraag is aangegeven, acht de Afdeling dit uitgangspunt juist. Niet is gebleken of aangevoerd, dat verweerders op dit punt het brandbeveiligingsconcept onjuist hebben toegepast. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de voorschriften 3.12, 3.13 en 3.14 nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.4. Appellante sub 1 heeft bezwaar tegen in de voorschiften 3.15 en 3.16 gestelde eisen ten aanzien van de weerstand tegen brand. Deze voorschriften zijn volgens appellante sub 1 strenger dan de eisen welke voorheen gangbaar waren en zijn opgenomen zonder te beoordelen of deze voorzieningen technisch mogelijk zijn.

2.4.1. De voorschriften 3.15 en 3.16 luiden:

Voorschrift 3.15 (productiehal)

De wanden en bouwdelen welke een scheiding vormen tussen tot de inrichting behorende ruimten en naastgelegen bedrijfsruimten van derden moeten een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag bezitten van ten minste 240 minuten, bepaald overeenkomstig NEN 6068.

Voorschrift 3.16 (opslaghal)

De wanden en bouwdelen welke een scheiding vormen tussen tot de inrichting behorende ruimten en naastgelegen bedrijfsruimten van derden moeten een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag bezitten van ten minste 240 minuten, bepaald overeenkomstig NEN 6068.

2.4.2. Op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorschriften tot gevolg hebben dat de grondslag van de aanvraag wordt verlaten en/of dat zij niet uitvoerbaar zijn.

Verweerders hebben naar aanleiding van het deskundigenbericht gesteld dat bij de berekening waarop voorschrift 3.15 is gestoeld een foutieve verbrandingswaarde van PET is gehanteerd. Indien wordt uitgegaan van de hoeveelheid PET die in de productiehal kan worden opgeslagen, hetgeen te berekenen is aan de hand van de in de aanvraag aangegeven opslagoppervlakte, kan volgens hen worden volstaan met een geringere weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (hierna: WBDBO) dan de thans voorgeschreven WBDBO van 240 minuten. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het besluit wat betreft voorschrift 3.15 niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zodat het is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Ten aanzien van voorschrift 3.16 is in het deskundigenbericht gesteld dat indien de opslaghal wordt gebruikt voor de opslag van PET-granulaten en rollen folie, de scheidingswanden een WDBDO van minimaal 240 minuten moeten hebben om branddoorslag en -overslag naar naastgelegen ruimten van derden te voorkomen. Niet is gebleken dat dit uitgangspunt onjuist is. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat dit voorschrift nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Dat vergunninghoudster de opslaghal thans niet meer gebruikt voor opslag leidt niet tot een ander oordeel, omdat de opslag van PET-granulaat en folie in deze hal is aangevraagd en vergund. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.5. Appellante sub 2 voert aan dat op grond van haar eigen vergunning een brandkraan in haar inrichting aanwezig dient te zijn en dat een brandkraan in de hier in geding zijnde vergunning niet voorgeschreven wordt.

2.5.1. Zoals hiervoor is overwogen hebben verweerders zich gebaseerd op het brandbeveiligingsconcept “beheersbaarheid van brand” van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De Afdeling is van oordeel dat verweerders op goede gronden het standpunt hebben ingenomen dat de aard en de omvang van de inrichting geen aanleiding geeft tot het voorschrijven van een brandkraan. Dat in de vergunning van appellante sub 2 wel een brandkraan is voorgeschreven, wat hier ook van zij, doet aan het vorenstaande niet af. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.6. Appellante sub 2 heeft betoogd dat in het besluit ten onrechte voorschrift 3.10 van de ontwerp-vergunning niet is overgenomen.

Ingevolge voorschrift 3.10 van de ontwerp-vergunning moet bij elke toegang tot de productieruimte van de inrichting met duidelijk leesbare letters van tenminste 3 cm hoogte het opschrift ‘ROKEN EN VUUR VERBODEN’ zijn aangebracht.

2.6.1. Verweerders hebben in hun besluit in reactie op de bedenkingen van appellanten sub 1 en sub 2 overwogen dat het verbod niet noodzakelijk is aangezien binnen de inrichting geen direct brandgevaarlijke stoffen worden opgeslagen.

2.6.2. De Afdeling overweegt dat appellante sub 2 noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen heeft aangevoerd waarom de overwegingen naar aanleiding van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het desbetreffende voorschrift niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.7. Met betrekking tot voorschrift 6.9 voert appellante sub 1 aan dat ten onrechte een bodemonderzoek wordt verlangd, omdat in 1992 reeds een bodemonderzoek is uitgevoerd. Daarbij betoogt zij dat sprake is van een revisievergunning en geen oprichtingsvergunning, nu het zusterbedrijf Texplast sinds 1992 een oprichtingsvergunning had van de provincie. Tevens voert appellante sub 1 in dit kader aan dat er in de bedenkingen verwezen is naar het bodemonderzoek van 1992 en naar een rapport van de Stichting Bodemrevitalisering uit 1999. Deze rapporten geven volgens haar aan dat er geen sprake is van bodemverontreiniging.

2.7.1. De Afdeling stelt vast dat een oprichtingsvergunning is aangevraagd. De eerder krachtens de Afvalstoffenwet voor de inrichting verleende vergunnning is ingetrokken.

Verweerders hebben gesteld dat een bodemonderzoek is voorgeschreven om op het moment van vergunningverlening de bodemsituatie vast te leggen en om te kunnen vaststellen of als gevolg van het in werking zijn van de inrichting bodemverontreiniging optreedt. De door appellante genoemde rapporten zijn volgens verweerders totstandgekomen op basis van dossieronderzoek en zijn niet gebaseerd op feitelijk onderzoek van de bodem ter plaatse.

Niet is gesteld of gebleken dat dit standpunt van verweerders over de door appellante genoemde onderzoeken onjuist is. De Afdeling is derhalve van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen, dat voorschrift 6.9 nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.8. Appellante sub 2 voert aan dat het in werking zijn van de inrichting leidt tot schadelijke trillingen op haar tankpark. Zij acht de trillingnormen, gelet op het aantal machines dat trillinghinder zou kunnen veroorzaken, onvoldoende gespecificeerd. Haars inziens zouden de normen op de afzonderlijke trillingveroorzakende bronnen moeten worden afgestemd.

2.8.1. Verweerders hebben naar aanleiding van de bedenking advies ingewonnen bij de Stichting Bouwresearch. Zij hebben in voorschrift 2.7 trillingnormen aan de vergunning verbonden. Ter bepaling van de gestelde normen is in de voorschriften 2.8 en 2.9 verwezen naar achtereenvolgens de SBR-richtlijn 2 “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen” en de SBR-richtlijn 1 “Schade aan bouwwerken door trillingen”.

2.8.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in redelijkheid het uitgangspunt kunnen hanteren dat de normen gelden voor het geheel van de activiteiten in de inrichting en kunnen oordelen dat de gestelde normen toereikend zijn ter bescherming tegen trillinghinder. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.9. Appellante sub 2 stelt dat er twee toegangswegen tot het terrein zijn en dat duidelijk aangegeven moet worden welke toegangsweg vrijgehouden moet worden. Voorts voert appellante sub 2 aan dat zij wordt benadeeld indien het gebruik van de toegangswegen niet goed wordt geregeld in de onderhavige vergunning, waarbij zij verwijst naar een door haar met appellante sub 1 gesloten privaatrechtelijke overeenkomst.

2.9.1. Voorschriften 1.3 en 3.9 luiden:

Voorschrift 1.3

De toegangsweg(en) naar de gebouwen van de inrichting moeten te allen tijde zijn vrijgehouden om in geval van brand de brandweer toegang tot het terrein te kunnen verschaffen.

Voorschrift 3.9

Het bedrijf met bijbehorend open terrein moet zodanig worden onderhouden dat elk gebouw en het opslagterrein bij eventuele onregelmatigheden en bij calamiteiten onder alle omstandigheden bereikbaar is voor blusvoertuigen, alsmede voor voertuigen van hulpdiensten.

2.9.2. De Afdeling is van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de voorschriften 1.3 en 3.9 een toereikende regeling inzake de toegang tot de inrichting bevatten. De privaatrechtelijke overeenkomst tussen appellante sub 1 en appellante sub 2 kan in deze geen rol kan spelen en moet derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.10. Appellante sub 2 betoogt dat in haar vergunning andere geluidsnormen zijn opgenomen dan in de onderhavige vergunning en dat op grond van het gelijkheidsbeginsel dezelfde normen voorgeschreven moeten worden.

2.10.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast, dat de bedrijven van appellante sub 1 en appellante sub 2 wat betreft de bedrijfsvoering, de omvang en de situering zodanig van elkaar verschillen, dat het zonder meer overnemen van de voor appellante sub 2 geldende geluidnormen zich niet verdraagt met het uitgangspunt dat de aanvraag van appellante sub 1 op zichzelf diende te worden beoordeeld. Niet is gesteld of gebleken dat de normstelling onvoldoende is onderbouwd. Dat in de vergunning van appellante sub 2 andere geluidvoorschriften zijn opgenomen, doet aan het vorenstaande niet af. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.11. Ten slotte voert appellante sub 2 aan dat de inrichting van appellante sub 1 jarenlang in werking is geweest zonder vergunning en dat er derhalve sprake was van een onrechtmatige situatie.

Deze beroepsgrond richt zich niet tegen de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.12. Het beroep van appellant sub 1 is gedeeltelijk gegrond. Het beroep van appellant sub 2 is ongegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het hierna in het dictum genoemde voorschrift betreft.

2.13. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 1 te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten gunste van appellante sub 2 zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 1 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Arnhem van 10 april 2001, SB/TVG/2001/975m, voorzover het voorschrift 3.15 betreft;

III. draagt burgemeester en wethouders van Arnhem op wat betreft voorschrift 3.15 binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Arnhem in de door appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Arnhem te worden betaald aan appellante sub 1;

VI. gelast dat de gemeente Arnhem aan appellante sub 1 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

191-389.