Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200105531/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105531/2.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te [woonplaats],

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Heeze-Leende,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch bedrijf met vleesvarkens, rundvee en paarden, met tuinbouw op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 11 oktober 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 6 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2001, en appellant sub 2 bij brief van 14 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2001, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2002, waar appellant sub 1 in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellant sub 2 in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door M.C.I. Smits, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellant sub 1 heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit niet omtrent alle schriftelijk ingebrachte bedenkingen de overwegingen van verweerders zijn weergegeven, omdat de schriftelijke bedenkingen met betrekking tot de wijziging van de aanvraag en de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden niet zijn vermeld bij de bekendmaking van het bestreden besluit.

Ingevolge artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen.

Vaststaat dat voornoemde bedenkingen tijdig zijn ingediend. De Afdeling stelt vast dat verweerders in het bestreden besluit onder “overige milieu-aspecten” overwegingen hebben opgenomen over de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden. Voorts hebben verweerders in het bestreden besluit overwegingen opgenomen waaruit kan worden opgemaakt dat zij de aanvulling van de aanvraag niet als een nieuwe aanvraag hebben beschouwd.

Gezien het vorenstaande kan niet met vrucht worden gesteld dat verweerders in zoverre in strijd met artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht hebben gehandeld. Deze beroepsgrond faalt.

2.2. Appellant sub 1 voert aan dat de aanvraag van 8 september 2000 na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit zodanig is gewijzigd dat sprake is van een nieuwe aanvraag. Deze gewijzigde, en volgens appellant sub 1 nieuwe, aanvraag is bij verweerders ingekomen na 8 december 2000. Appellant sub 1 acht dit van belang in verband met de Wet ammoniak en veehouderij. Ingevolge artikel 10, zevende lid, van deze wet wordt een beroep tegen een vergunning, waarvan de aanvraag dateert van na 8 december 2000, met inachtneming van deze wet afgedaan, aldus appellant sub 1. Hij is van mening dat de Wet ammoniak en veehouderij aan vergunningverlening in de weg staat, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Blijkens de stukken is op 8 september 2000 een ontvankelijke aanvraag om vergunning van vergunninghouder bij verweerders ingekomen. Naar aanleiding van bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit heeft vergunninghouder ter aanvulling/wijziging van de oorspronkelijke aanvraag aanvraagformulier aangepast en daarbij enkele stukken opgesteld welke op 25 januari 2001 bij verweerders zijn ingekomen. Vergunninghouder beoogde hiermee niet de aanvraag van 8 september 2000 in te trekken of een geheel nieuwe aanvraag in te dienen. De aanvulling betreft een kleine toename van het veebestand en een omschakeling van stal 7 van een traditioneel stalsysteem naar Groen Label-stalsysteem. De wijziging in het stalsysteem van stal 7 brengt geen bouwkundige veranderingen met zich nu slechts koellamellen onder de roosters in de drijfmest worden aangebracht. De situering en de omvang van de gebouwen in de inrichting verandert als gevolg van de aanvulling van de aanvraag niet.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het hier niet gaat om een zodanige wijziging dat deze zich niet verdraagt met de oorspronkelijke aanvraag en dat verweerders derhalve terecht bij de bepaling van het toepasselijke recht zijn uitgegaan van 8 september 2000 als de datum van indiening van de aanvraag. Dit beroepsonderdeel faalt derhalve.

2.3. Appellant sub 1 voert aan dat verweerders de bestaande rechten onjuist hebben vastgesteld. Volgens hem beschikte vergunninghouder op grond van de onderliggende vergunning slechts over rechten voor het houden van 500 mestvarkens. Appellant sub 1 wijst in dit verband op voorschrift 19 van de op 10 januari 1979 krachtens de Hinderwet verleende veranderingsvergunning, volgens welk voorschrift in de inrichting maximaal 500 mestvarkens aanwezig mogen zijn. Subsidiair voert appellant sub 1 aan dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten te onderzoeken in hoeverre de onderliggende vergunningen zijn komen te vervallen voor meer dan 1000 legkippen.

2.3.1. Verweerders zijn van mening dat de op 10 januari 1979 verleende vergunning betrekking had op een uitbreiding van het reeds vergunde veebestand met 500 mestvarkens en dat het voorschrift alleen op die uitbreiding betrekking heeft.

2.3.2. Bij besluit van 13 april 1972 is voor de inrichting krachtens de Hinderwet een oprichtingsvergunning verleend voor het houden van 480 mestvarkens en 3000 legkippen. Bij aanvraag van 24 augustus 1978 heeft vergunninghouder een veranderingsvergunning voor de uitbreiding van het veebestand met 500 mestvarkens aangevraagd. Op die aanvraag staat vermeld onder “reeds aanwezig” een aantal van 480 mestvarkens en 3000 legkippen. Onder “te realiseren” stond in eerste instantie 980 mestvarkens, hetgeen is doorgestreept en is gewijzigd in 500 mestvarkens. De bij de aanvraag behorende tekening heeft betrekking op een stal voor het houden van 500 mestvarkens.

2.3.3. Voorschrift 19 van de op 10 januari 1979 verleende veranderingsvergunning luidt als volgt.

“In de inrichting mogen in afwijking van het in de aanvraag genoemde aantal slechts de navolgende aantallen dieren maximaal aanwezig zijn: 500 mestvarkens”.

De Afdeling overweegt dat in voorschrift 19 weliswaar wordt gesproken over de inrichting, doch dat, nu de veranderingsvergunning betrekking had op een uitbreiding van het te houden veebestand met 500 mestvarkens, evident is dat dit voorschrift alleen ziet op de bij de veranderingsvergunning vergunde varkensstal en het hierin te houden veebestand en geen beperking ten aanzien van het bij de oprichtingsvergunning vergunde veebestand inhoudt.

Voorzover appellant sub 1 heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte niet hebben onderzocht in hoeverre de onderliggende vergunningen zijn komen te vervallen voor meer dan 1000 legkippen overweegt de Afdeling dat het in beginsel op de weg van appellant sub 1 ligt om feiten en omstandigheden aan te voeren welke althans een begin van bewijs opleveren voor de juistheid van deze stelling. Appellant sub 1 heeft dit niet aannemelijk gemaakt en ook overigens is niet gebleken dat zulks het geval is.

2.4. Appellanten vrezen stankhinder van de inrichting. Wat betreft de enkelvoudige stankhinder voeren zij aan dat verweerders de woning aan de [locatie] ten onrechte als categorie IV bebouwing hebben aangemerkt. Ten opzichte van deze woning wordt niet voldaan aan de minimaal aan te houden afstand tot aan de stallen waarin paarden en rundvee worden gehouden, aldus appellant sub 1.

Wat betreft cumulatieve stankhinder voert appellant sub 1 aan dat verweerders in hun cumulatieberekeningen zijn uitgegaan van een onjuiste afstand van stal 7 ten opzichte van [locatie]. Voorts zijn verweerders volgens appellant sub 1 bij de berekening van de relatieve bijdrage van de inrichting op de woning [locatie] en [locatie], wat betreft stal 7 uitgegaan van een onjuiste factor N.

2.4.1. Voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder hebben verweerders de omrekeningsfactoren en afstandsgrafiek van de Richtlijn stankhinder en veehouderij (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Verweerders hebben voor de beoordeling van de van het rundvee te duchten stankhinder de tabel met vaste afstanden, die als bijlage 2 bij de Richtlijn is opgenomen, tot uitgangspunt genomen. Wat betreft de categorie-indeling hebben verweerders zich gebaseerd op de brochure Veehouderij en Hinderwet. Ter voorkoming van stankhinder veroorzaakt door paarden zijn verweerders van de vaste bestuurspraktijk uitgegaan dat een afstand van tenminste 50 meter ten opzichte van het dichtstbijzijnde stankgevoelige object voldoende is om stankhinder te voorkomen. Voor de beoordeling van de cumulatie van stankhinder hebben verweerders het rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij” (Publikatiereeks Lucht 46; hierna: het rapport) tot uitgangspunt genomen.

2.4.2. Ter zitting is onbestreden komen vast te staan dat de bewoner van [locatie], appellant sub 2, ongeveer 750 vleesvarkens houdt. Naar het oordeel van de Afdeling moet deze woning derhalve worden beschouwd als een bedrijfswoning bij een veehouderij. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de woning [locatie] als categorie IV bebouwing dient te worden aangemerkt.

Ter zitting is voorts onbestreden komen vast te staan dat het dichtstbijzijnde emissiepunt van de stallen waarin paarden en rundvee worden gehouden zich bevindt op 50 meter van de dichtstbijgelegen woning. Aan de minimaal aan te houden afstand wordt derhalve voldaan, zodat wat betreft dit deel van het veebestand voor stankhinder niet hoeft te worden gevreesd.

Ter zitting is gebleken dat de afstand van stal 7 tot de woning [locatie] niet langer in geschil is en dat deze ongeveer 169 meter bedraagt. Verweerders zijn in de cumulatieberekening derhalve van de juiste afstand uitgegaan. Wat betreft de door verweerders bij de berekening van de relatieve bijdrage van de inrichting op de woningen [locatie] en [locatie] gehanteerde factor N stelt de Afdeling aan de hand van de in het door verweerders gehanteerde rapport opgenomen geëxtrapoleerde afstandsgrafiek vast dat verweerders zijn uitgegaan van de juiste factor N. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken dat de door verweerders uitgevoerde cumulatieberekeningen onjuist zijn.

2.5. De Afdeling begrijpt de beroepsonderdelen inzake geluidhinder aldus dat appellanten vrezen dat niet aan de in voorschrift 11.1.2 opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld geluidsniveau (LAr,LT) kan worden voldaan en dat verweerders ten onrechte in voorschrift 11.2.1 en 11.4.1 hogere geluidgrenswaarden hebben opgenomen.

Verweerders hebben zich bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Omdat in de gemeente Heeze-Leende (nog) geen gemeentelijk beleid als bedoeld in de Handreiking is vastgesteld hebben verweerders overeenkomstig het bepaalde in de Handreiking de in hoofdstuk 4 van de Handreiking aanbevolen beoordelingswijze tot uitgangspunt genomen.

In de Handreiking zijn richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving gelden als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode, voor een rustige woonwijk gelden waarden van 45, 40 en 35 dB(A) en voor een woonwijk in de stad worden richtwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) aanbevolen. Overschrijding van deze richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

Voorts hebben verweerders paragraaf 5.3 van de Handreiking als uitgangspunt genomen. Deze paragraaf houdt onder meer in dat volgens vaste jurisprudentie een ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 maal per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. Dat wil niet zeggen dat daaraan geen limiet kan worden gesteld: jurisprudentie en alara-beginsel vereisen dat in deze gevallen wordt nagegaan in hoeverre de hinder kan worden beperkt. Dat kan bijvoorbeeld door minder ontheffingen te verlenen, maximale geluidgrenzen op te leggen of de duur van de ontheffing te beperken.

Paragraaf 5.3 bevat naast het 12 dagen criterium een ontheffingsregeling voor inrichtingen waarin met een beperkte frequentie (maar vaker dan 12 maal per jaar) activiteiten worden uitgevoerd met een daarbij behorende hogere geluidemissie dan onder de representatieve bedrijfsomstandigheden. Hierin wordt in principe uitgegaan van een frequentie van maximaal ongeveer één dag-, avond- en nachtperiode per week. Voor deze situaties kan het, na bestuurlijke afweging, toelaatbaar worden geacht dat vergunning wordt verleend tot een hogere grenswaarde. Volgens de Handreiking zal daarbij het feit of er in die situaties sprake is van hinder en zo ja, in welke mate en in welke frequentie, een belangrijke rol spelen. Ook hier geldt dus, volgens de Handreiking, dat steeds een belangenafweging zal moeten plaatsvinden bij de vraag of de vergunning op deze wijze kan worden verleend, afhankelijk van het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van voorkomen, de hoogte van het geluidniveau (absoluut en relatief), de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid van de desbetreffende activiteit, de redelijkerwijs te treffen maatregelen en het al dan niet vóórkomen van incidentele bedrijfssituaties. Verder is het gewenst dat de desbetreffende activiteiten zo nauwkeurig mogelijk in de aanvraag worden vermeld, en in de vergunningvoorschriften worden vastgelegd. Daarnaast is het, nog steeds volgens de Handreiking, redelijk dat van de vergunninghouder wordt verlangd dat deze een registratie bijhoudt van deze activiteiten dan wel deze, afhankelijk van de aard van de desbetreffende activiteit, in sommige gevallen tevoren meldt. Dit is zeker van belang als ten tijde van de aanvraag niet exact vaststaat wanneer deze activiteiten zullen plaatsvinden. Indien regelmatig in een deel van de week (veel) meer geluid wordt veroorzaakt dan in de rest van de week, wordt ervan uitgegaan dat dit geluid zo dominant is dat de desbetreffende activiteit deel uitmaakt van de representatieve bedrijfssituatie.

2.5.1. Verweerders hebben in voorschrift 11.1.2 als grenswaarden voor het langtijdgemiddeld geluidniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, de richtwaarden uit de Handleiding voor een landelijke omgeving opgenomen. In voorschrift 11.2.1 hebben zij voor geluidhinder veroorzaakt door een regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie gedurende de dagperiode voor het langtijdgemiddeld geluidniveau een grenswaarde opgenomen van 44 dB(A). In voorschrift 11.2.2. is voorts bepaald dat de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie het vullen van de voersilo’s betreft en dit slechts één keer per week gedurende de dagperiode mag plaatsvinden. Ingevolge voorschrift 11.2.3 is de vergunninghouder verplicht in een logboek datum en tijdstip te registreren van de optredende regelmatige afwijking.

In voorschrift 11.4.1 hebben verweerders voor geluidhinder veroorzaakt door een incidentele afwijking van de representatieve bedrijfssituatie gedurende de dagperiode voor het langtijdgemiddeld geluidniveau een grenswaarde opgenomen van 44 dB(A) bij de gevel van de woning aan de [locatie]. In voorschrift 11.4.2. is voorts bepaald dat de incidentele afwijking van de representatieve bedrijfssituatie het drogen van aardappels betreft en dit slechts 6 keer per jaar gedurende 4 uur per dag mag plaatsvinden.

2.5.2. Voorzover appellanten betogen dat niet aan de in voorschrift 11.1.2 opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan worden voldaan overweegt de Afdeling dat uit het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport blijkt dat aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch rapport ondeugdelijk is.

2.5.3. Wat betreft de in voorschrift 11.2.1 en 11.4.1 opgenomen hogere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau overweegt de Afdeling dat deze waarden alleen zien op geluidhinder veroorzaakt door het vullen van de voersilo’s en het drogen van aardappels. Verweerders hebben deze geluidgrenswaarden opgenomen omdat blijkens het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport deze activiteiten leiden tot een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 44 dB(A). Daarbij hebben zij aangevoerd dat het treffen van maatregelen om geluidhinder tengevolge van deze activiteiten te voorkomen niet eenvoudig is en een investering zou vergen die in redelijkheid niet van vergunninghouder kan worden gevergd. Voorts komen deze activiteiten slechts een beperkt aantal keren per jaar in de dagperiode voor.

Gezien het vorenstaande en de aan de vergunning verbonden voorschriften hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij naleving van de geluidgrenswaarden voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het vullen van de voersilo’s en het drogen van aardappels niet hoeft te worden gevreesd.

2.6. Appellant sub 1 stelt dat vergunningverlening in strijd met de Interimwet ammoniak en veehouderij leidt tot een toename van de ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied.

2.6.1. Voorzover appellant sub 1 in dit verband aanvoert dat het voor stal 7 vergunde Groen Label-stalsysteem niet in de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij is opgenomen overweegt de Afdeling dat dit systeem in de ten tijde van het bestreden besluit geldende Uitvoeringsregeling is opgenomen onder categorie D 3.2.6.2.1. Dit onderdeel van het beroep mist derhalve feitelijke grondslag.

2.6.2. Ten aanzien van de stelling van appellant sub 1 dat de afstand ten opzichte van het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied ten opzichte van de onderliggende vergunning is afgenomen overweegt de Afdeling dat verweerders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de afstand ten opzichte van de onderliggende situatie gelijk blijft.

2.6.3. Voorzover appellant sub 1 aanvoert dat het hokoppervlak van de varkens gehouden in stal 4 niet, zoals verweerders stellen 0,75 m2 bedraagt maar 0,77 m2, overweegt de Afdeling dat dit niet leidt tot een andere emissiefactor.

Voorzover appellant sub 1 betoogt dat bij de berekening van het staloppervlak voor de varkens in de stallen 4 en 5 het oppervlak van de ziekenboeg moet worden betrokken overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 7 november 2001, no. 200100209/1 (JM 2002, aflevering 1) dat in de ziekenboeg alleen zieke dieren, die normaliter in de afdelingen verblijven, worden gehouden. Na genezing keren deze dieren terug naar hun hok. Met deze dieren is bij de emissieberekening voor het in de stallen gehouden veebestand reeds rekening gehouden, zodat ze niet nogmaals apart bij de emissieberekening betrokken dienen te worden. Gelet hierop zijn verweerders voor de dieren gehouden in de stallen 4 en 5 derhalve van de juiste hokoppervlakte en de juiste emissiefactoren uitgegaan.

2.7. Appellant sub 1 heeft aangevoerd dat hij vreest voor schade aan de begroeiing op zijn perceel als gevolg van de stallucht die uit de ventilator van stal 7 wordt geblazen.

Verweerders hebben ten aanzien van de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe ammoniakschade het rapport Stallucht en Planten 1981 (verder: het rapport), opgesteld door het Instituut voor Plantenziektekundig Onderzoek (IPO) als uitgangspunt gehanteerd. Volgens het rapport kan directe schade door de uitstoot van ammoniak zich in de praktijk voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen aanbevolen. Voor akkerbouwgewassen en graslanden wordt in het rapport geen minimale afstand aanbevolen.

Verweerders hebben in het bestreden besluit overwogen dat voor directe ammoniakschade aan de gewassen op het perceel van appellant sub 1 niet behoeft te worden gevreesd nu zijn perceel grotendeels bestaat uit grasland en overigens wordt gebruikt voor akkerbouw hetgeen blijkens het rapport niet gevoelig is voor directe ammoniakschade.

Gezien de aanbevelingen uit het rapport is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voor onaanvaardbare directe ammoniakschade aan de gewassen van appellant sub 1 niet behoeft te worden gevreesd.

2.8. Appellant sub 1 heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning hebben verbonden met betrekking tot de hoeveelheid vloeistof die in de bodem mag worden geloosd.

2.8.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming (hierna te noemen: het Lozingenbesluit) is het verboden een lozing van koelwater in de bodem uit te voeren.

Ingevolge artikel 24a, eerste lid, van het Lozingenbesluit kan ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 24, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is artikel 26 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b van het Lozingenbesluit worden aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 24 en 25 ten minste voorschriften verbonden met betrekking tot de samenstelling en de hoeveelheid van de vloeistof die in de bodem wordt geloosd.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat de hoeveelheid te lozen vloeistof inherent is aan het toegepaste groen label systeem en uit de beschrijving van het systeem en de aanvraag kan worden afgeleid. De wijze waarop de lozing plaatsvindt is eveneens weergegeven in de beschrijving van het systeem en in de aanvraag. De vergunningaanvraag is gewaarmerkt als behorende bij het bestreden besluit. Verder moet ingevolge voorschrift 4.1.1 de betrokken stal overeenkomstig de bij de vergunning behorende tekeningen en bijlagen worden uitgevoerd. In de vergunning is aldus bepaald hoeveel vloeistof mag worden geloosd. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.9. Gezien het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

312.