Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200105478/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105478/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 24 september 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Veendam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Veendam (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een stal voor vleeskuikens op het [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Veendam, sectie N, nr. 76.

Bij besluit van 23 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften en klachten van 11 augustus 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 24 september 2001, op dezelfde dag verzonden, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. T. Knoop, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het op 10 mei 1999 inwerking getreden, maar nog niet onherroepelijk geworden, bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1997” (hierna: het bestemmingsplan), rust op het perceel de bestemming “Agrarisch gebied”.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor agrarisch gebied aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en de overige bestaande agrarische bedrijven, met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken, met dien verstande dat op de gronden waarop de aanduiding ‘gemengde lintbebouwing’ betrekking heeft alleen grondgebonden agrarische bedrijven zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen op de in het eerste lid omschreven gronden de bepaling dat agrarische bedrijven uitsluitend mogen worden gevestigd binnen de op de kaart aangewezen bebouwingsvlakken en binnen de aanduiding gemengde lintbebouwing.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de planvoorschriften mogen bouwwerken, welke afwijken van het plan en ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaan of nadien legaal gebouwd zijn of kunnen worden, gedeeltelijk worden vernieuwd, veranderd en/of uitgebreid, met dien verstande dat:

a.de gedeeltelijke vernieuwing, verandering en/of uitbreiding geen wijziging van het gebruik ten doel mag hebben, tenzij dit andere gebruik ingevolge het plan is of kan worden toegestaan;

b. de uitbreiding niet groter mag zijn dan 10% van de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande dan wel krachtens de verleende bouwvergunnng bepaalde inhoud van het bouwwerk tot een maximum inhoud van 50 m3.

2.2. Vast staat dat ten tijde van de beslissing op bezwaar op de plankaart voor het perceel van appellant geen bebouwingsvlak was aangewezen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3. Appellant heeft er op gewezen dat hem in 1997 een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een vleesvarkensstal. Tegen deze vergunning is bezwaar gemaakt en bij beslissing op bezwaar van 8 mei 1998 is die vergunning ingetrokken. Bij uitspraak van 26 mei 1999 heeft de rechtbank het besluit van 8 mei 1998 vernietigd. Het verloop van deze procedure heeft ertoe geleid dat de in 1997 verleende vergunning ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan was ingetrokken, hetgeen voor de gemeenteraad aanleiding was om in dat plan geen bouwblok aan het perceel van appellant toe te kennen. Door voornoemde uitspraak van de rechtbank herleefde de in 1997 verleende bouwvergunning. Appellant wenst dit bouwplan evenwel niet meer te realiseren en in plaats daarvan een vleeskuikenstal op te richten. Gegeven de voorgeschiedenis rust in de visie van appellant op burgemeester en wethouders een beginselplicht om met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de Wro) ten behoeve van dat bouwplan vrijstelling te verlenen. Hij meent dat de rechtbank hieraan ten onrechte voorbij is gegaan.

2.3.1. Dit betoog faalt. Burgemeester en wethouders waren gehouden het bouwplan te toetsen aan het bestemmingsplan zoals dat van kracht was geworden. Voor het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wro, zoals dat luidde tot 3 april 2000, bestond geen wettelijke basis. Voor zover appellant van mening is dat burgemeester en wethouders de gemeenteraad hadden moeten verzoeken een voorbereidingsbesluit te nemen ten einde een zodanige wettelijke basis te creëren, merkt de Afdeling op dat burgemeester en wethouders rechtens daartoe niet zijn gehouden en dat appellant de gemeenteraad ook zelf daarom kan verzoeken.

2.4. De Afdeling merkt ten slotte op dat – gelijk appellant ter zitting ook heeft erkend – een beroep op het overgangsrecht als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de planvoorschriften niet opgaat. De rechtbank heeft zulks terecht overwogen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

47-397.