Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6692

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200102904/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Besluit tankstations milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 94 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JBO 2005/364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102904/1.

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 1 mei 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Kesteren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 1998 hebben burgemeester en wethouders van Kesteren (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een tankstation op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 3 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 mei 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat, advocaat te Houten, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door T.P. Grünbauer en I.A. Hage, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Gesteld noch gebleken is dat de bouwvergunning moet worden geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet. Met betrekking tot de vraag of de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning had moeten worden aangehouden, wordt als volgt overwogen.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ter zake van de aanvraag om een bouwvergunning de aanhoudingsplicht op grond van artikel 52 van de Woningwet niet van toepassing is. Naar de mening van appellant valt het tankstation – dat door de vergunninghouder op 16 juli 1998 als een “tankstation type B” is gemeld - niet onder de werking van het “Besluit tankstations milieubeheer” (hierna: het Besluit) omdat het niet voldoet aan het voor de vereiste afstandscriterium als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, sub 8, van het Besluit. Dit betoog faalt.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder c, sub 8, van het Besluit er niet aan in de weg staat dat het onderhavige tankstation valt onder de werking van het Besluit. Artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit geeft onder sub 1 tot en met 10 voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een tankstation te kunnen aanmerken als een “tankstation voor het wegverkeer type B”. Onder 8 is voorgeschreven dat de kortste afstand tussen een woning van derden of een gevoelig object van derden en een afleverzuil waar aflevering van benzine of gasolie zonder direct toezicht mogelijk is ten minste 20 meter bedraagt.

Gebleken is dat de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft op het bouwen van een tankstation waarbij direct toezicht aanwezig is. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant niet gevolgd kan worden in zijn betoog dat het afstandscriterium ook geldt voor gevallen waarin wel direct toezicht is zoals in het onderhavige geval. Derhalve hebben burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt gesteld dat het tankstation, voor het bouwen waarvan vergunning is verleend, onder de werking van het Besluit valt, en dat daarvoor derhalve geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Derhalve was geen aanhoudingsplicht als hiervoor bedoeld aanwezig.

2.3. Appellant betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat nu het besluit tot verlening tot goedkeuring van het bodemsaneringsplan door de Afdeling bij haar uitspraak van 4 januari 2001 nr. 199902777/1 is vernietigd, de beslissing op bezwaar waarbij de bouwvergunning is gehandhaafd ook moet worden vernietigd. Dit betoog faalt evenzeer.

In artikel 52a, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat burgemeester en wethouders verplicht zijn de beslissing op een bouwaanvraag aan te houden indien uit onderzoek blijkt dat de grond ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

In artikel 52a, tweede lid, van deze wet, voorzover hier relevant, is bepaald dat de aanhouding duurt totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegd gezag met het saneringsplan, bedoeld in

artikel 39, eerste lid, van die wet, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, heeft ingestemd.

Ten tijde van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning gold geen aanhoudingsplicht op grond van artikel 52a van de Woningwet omdat gedeputeerde staten van Gelderland, bij hun besluit van 5 juni 1998 nr. MW98.4717-6022033, het saneringsplan voor het onderhavige perceel hadden goedgekeurd. Burgemeester en wethouders waren dan ook verplicht om op de aanvraag om bouwvergunning te beslissen. Dat het besluit tot goedkeuring nadien is vernietigd doet daaraan niet af.

2.4. Nu niet is gebleken van een grond om de aanvraag te weigeren of aan te houden, hebben burgemeester en wethouders gelet op het limitatief-imperatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet terecht de bij de beslissing op bezwaar in geding zijnde vergunning gehandhaafd.

Voor een afweging van de door appellant gestelde belangen biedt artikel 44 van de Woningwet geen ruimte. De rechtbank heeft dit terecht overwogen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

27-387.