Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200201641/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/273

Uitspraak

Raad

van State

200201641/1.

Datum uitspraak: 17 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 12 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 maart 2002, verzonden op 13 maart 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 maart 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Grieven I, II en III, in hun onderlinge samenhang gelezen, klagen dat de rechtbank, door niet te aanvaarden dat de 48-uurs-termijn in het aanmeldcentrum een aanvang nam op het moment waarop appellant zich conform de afspraak met de staatssecretaris bij het aanmeldcentrum heeft gemeld, doch het moment dat met het eerste onderzoek in de eerste fase werd begonnen als aanvangstijd aan te nemen, heeft miskend dat de aanvraag niet binnen de 48 proces-uren is afgewezen.

2.1.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in het aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 08.00 uur niet meetellen.

2.1.2. Uit die bepaling volgt, bij gebreke van een nadere bepaling ter zake, dat voor de vaststelling van de aanvang van de 48-uurs-termijn aansluiting moet worden gezocht bij de aanvang van het onderzoek in het aanmeldcentrum, gericht op de beoordeling van de aanvraag.

2.1.3. Blijkens paragraaf C3/12.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) gaat de staatssecretaris er van uit dat de 48-uurs-termijn in het aanmeldcentrum Ter Apel aanvangt op het moment dat het eerste onderzoek van de eerste fase begint. Tussen de aanmelding op afspraak en feitelijke opname in – en daarmee de start van – de asielprocedure geldt in het aanmeldcentrum een maximale wachttijd van vier uur. Na verloop van die tijd vangt de termijn in elk geval aan.

2.1.4. Deze nadere uitwerking in de Vc 2000 van het bepaalde in voormeld artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 is niet strijdig met de eerder aangegeven strekking van die bepaling en is ook overigens niet rechtens onjuist. Dat de indiening van de aanvraag in werkelijkheid vaak plaatsvindt, nadat enig onderzoek in de eerste fase heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Het onderzoek in de eerste fase is er immers op gericht de dan nog in te dienen aanvraag te beoordelen. Van een zodanig onderzoek is op het door appellant bedoelde ‘slagboomtijdstip’ nog geen sprake, zodat er geen grond is voor het oordeel dat de 48-uurs-termijn op dat moment reeds aanvangt. De conclusie is dat de desbetreffende grieven falen.

2.2. Grief IV richt zicht tegen de overweging dat uit de gedingstukken niet blijkt dat het onderzoek van de Vreemdelingendienst in het AC Ter Apel eerder dan op 25 februari 2002 om 14.50 uur is aangevangen. Hiermee miskent de rechtbank, aldus appellant, een door hem overgelegde verklaring van 7 maart 2002 van het hoofd van de administratie van de SRA dat de dienstdoende ambtenaren van de vreemdelingendienst hem hebben medegedeeld dat de 48-uurs-termijn is gestart op 25 februari om 13.50 uur.

2.2.1. Blijkens het zogenoemde ACLIS-overzicht is op 25 februari 2002 om 14.50 uur aangevangen met het onderzoek in de eerste fase. Het in dit overzicht vermelde tijdstip moet voor juist worden gehouden, zolang het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt. Voormelde verklaring is daarvoor niet toereikend. Met juistheid heeft de rechtbank voorts overwogen dat het dossier overigens geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het onderzoek eerder dan op het in het overzicht vermelde tijdstip is gestart. Mitsdien faalt ook deze grief.

2.3. Grief V klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de gedingstukken niet blijkt dat de rechtshulpverlener te kennen heeft gegeven voor het uitbrengen van de zienswijze meer tijd nodig te hebben. Naar appellant betoogt, kan hem dit niet worden tegengeworpen, nu hij door de vermelding op het eerste blad van het eerste gehoor in de veronderstelling verkeerde dat het onderzoek naar de aanvraag was gestart op 25 februari 2002 om 17.45 uur en daarvan uitgaande had berekend dat de 48-uurs-termijn zou eindigen op 1 maart 2002 om 9.45 uur, zodat nog voldoende tijd beschikbaar was om kenbaar te maken dat meer tijd nodig was voor het uitbrengen van een zienswijze.

2.3.1. Appellant heeft niet binnen drie proces-uren na uitreiking van de kopie van het nader gehoor en van het voornemen, op 28 februari 2002 om 13.20 uur, een zienswijze naar voren gebracht, noch te kennen gegeven dat daarvoor meer tijd nodig was. Dat appellant, zoals hij stelt, in de veronderstelling verkeerde dat de 48-uurs-termijn zou eindigen op 1 maart 2002 om 09.45 uur, kan niet leiden tot het door hem daaraan in de grief verbonden gevolg, reeds omdat het tijdstip waarop de 48-uurs-termijn eindigt niet van belang is voor het sluiten van de termijn voor het inbrengen van een zienswijze. De conclusie is dat ook deze grief faalt.

2.4. Onder verwijzing naar de aangehechte uitspraken van de Afdeling van 22 mei 2002 in zaak nr. 200201773/1 en 3 mei 2002 in zaak nr. 200201462/1, waarin op een wat grieven I, II en III onderscheidenlijk grief V betreft vergelijkbaar hoger beroep uitspraak in dezelfde zin is gedaan, moet worden geconcludeerd tot kennelijke ongegrondheid van het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, mr. B. van Wagtendonk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.W. Mackenzie, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Mackenzie

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2002

242-343.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,