Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
200202389/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 85
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/270
AB 2003, 31

Uitspraak

Raad

van State

200202389/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2002 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 april 2002, verzonden op 25 april 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 mei 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

2.2. Appellant klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet aan zijn vertrekplicht heeft gehouden, nu er objectieve beletsels waren om aan die plicht te voldoen, waar hij bij terugkeer het risico loopt slachtoffer te worden van daden die niet stroken met het Vluchtelingenverdrag en andere internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens, in het bijzonder folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.2.1. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 37-38) vermeldt dat in de Vw 2000 wordt omschreven wanneer tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt overgegaan, ingeval de terugkeer van de vreemdeling in strijd zou komen met verplichtingen uit internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens waaronder artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Een beroep op de bescherming van het Vluchtelingenverdrag en voormelde bepalingen wordt dientengevolge slechts beoordeeld in het kader van een eventuele aanvraag van een verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Aangezien de aangevallen uitspraak niet het beroep tegen de beoordeling van een dergelijke - door appellant inmiddels ten tweeden male ingediende - aanvraag betreft, kan deze grief reeds daarom niet leiden tot het ermee beoogde doel.

2.3. Hetgeen appellant onder 2 van zijn hoger-beroepschrift heeft aangevoerd, is voor een deel een herhaling van reeds in beroep naar voren gebrachte standpunten, waarop de rechtbank heeft beslist, en voor het overige niet gericht tegen een onderdeel van de aangevallen uitspraak. Mitsdien is geen sprake van een grief in de zin van artikel 85 van de Vw 2000. Het aldus aangevoerde kan evenmin leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2002

273-424.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,