Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
200000983/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200000983/1

Datum uitspraak: 21 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten], wonend te [woonplaats],

3. [appellant], wonend te [woonplaats],

4. [appellant], wonend te [woonplaats],

5. de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatieraad , gevestigd te Goes, (hierna: ZLTO)

6. [appellant], wonend te [woonplaats],

7. de stichting "Stichting Vrije Recreatie", gevestigd te Meerkerk,

8. [appellanten], wonend te [woonplaats],

9. [appellant], wonend te [woonplaats],

10. [appellant], wonend te [woonplaats],

11. [appellant], wonend te [woonplaats],

12. [appellant], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 1999 heeft de gemeenteraad van Veere, op voorstel van burgemeester en wethouders van 13 april 1999, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied".

Het besluit van de gemeenteraad is aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 30 november 1999, kenmerk 9910883/513/18, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 20 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2000, appellanten sub 2 bij brief van 23 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2000, appellant sub 3 bij brief van 24 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2000, appellant sub 4 bij brief van 22 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2000, appellante sub 5 bij brief van 24 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2000, appellant sub 6 bij brief van 24 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2000, appellante sub 7 bij brief van 24 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2000, appellanten sub 8 bij brief van 25 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2000, appellant sub 9 bij brief van 25 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2000, appellant sub 10 bij brief van 4 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2000, appellant sub 11 bij brief van 18 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2000, en appellant sub 12 bij brief van 15 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2000, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juni 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 maart 2001 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2002, waar appellanten sub 1 en 12, zonder voorafgaand bericht van verhindering, niet zijn verschenen. De overige appellanten zijn in persoon verschenen en/of hebben zich doen vertegenwoordigen. Verweerders, vertegenwoordigd door ir. E.J.H. Verspuij, ambtenaar van de provincie, zijn eveneens verschenen.

Voorts zijn de gemeenteraad van Veere, vertegenwoordigd door G. Rijksen, ambtenaar van de gemeente en J. Bosselaar, wethouder, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Doel van het plan

2.2. Het bestemmingsplan geeft een nieuwe planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Veere. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

Toetsingskader

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Beroep van [appellant sub 1]

2.4.1. [appellant sub 1] exploiteert een zogenoemde mini-camping bij zijn woning aan de [locatie] ten zuiden van Vrouwenpolder. Zijn perceel ligt in het als “kustzone” aangeduide gebied en is bestemd als “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)”. Hij stelt dat de thans bestaande mini-campings ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd en op de plankaart aangeduid, hetgeen rechtsonzekerheid meebrengt. Gelet hierop stelt hij dat verweerders het plan in zoverre ten onrechte hebben goedgekeurd.

2.4.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan in aanmerking genomen dat het niet wenselijk is mini-campings als zodanig te bestemmen, omdat tengevolge daarvan de plankaart telkens zou moeten worden aangepast in die gevallen, waarin de jaarlijkse ontheffing op grond van de Wet op de openluchtrecreatie niet zou worden verleend. De raad acht het vorenstaande niet doelmatig. De wijze waarop het kleinschalig kamperen in het plan is geregeld, biedt de meeste flexibiliteit voor alle betrokkenen, aldus de raad.

2.4.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad en stellen dat de rechtszekerheid met de in het plan vastgelegde regeling niet wordt aangetast. Voorts biedt de in artikel 35 van de planvoorschriften opgenomen regeling een duidelijk toetsingskader voor de beoordeling van aanvragen voor ontheffing op grond van de Wet op de openluchtrecreatie.

2.4.4. Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder g, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” tevens bestemd voor niet-agrarische nevenactiviteiten, waaronder sub 6:

”kleinschalig kamperen, met inachtname van artikel 35, derde lid, onder f, met dien verstande dat:

- uitsluitend sprake is van een ondergeschikte neventak;

- de activiteiten, met uitzondering van de standplaatsen ten behoeve van kleinschalig kamperen, uitsluitend zijn toegestaan binnen het agrarisch bebouwingsvlak en binnen bestaande bebouwing;

- geen sprake mag zijn van onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven, natuurgebieden en andere functies;

- geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van de automobiliteit;

- voldoende parkeer-, laad en losgelegenheid op eigen terrein beschikbaar is;”

In artikel 35, eerste lid, in samenhang gelezen met het derde lid, onder f, van dat artikel, van de planvoorschriften is een regeling opgenomen ten aanzien van mini-campings. Het komt er – samengevat – op neer dat sprake is van een mini-camping bij het geplaatst hebben van maximaal tien kampeermiddelen gedurende de periode van 15 maart tot 31 oktober op of in aansluiting op een bebouwingsvlak met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)”, al dan niet voorzien van een subbestemming, op of in aansluiting op een bestemmingsvlak met de SAk-bestemming of SAh-bestemming (“Semi-agrarische doeleinden”, respectievelijk “kwekerij” en “hoveniersbedrijf”), dan wel in aansluiting op een W-bestemming, Wa-bestemming (“Woondoeleinden”) Rm-bestemming (“Recreatie-manege”), met dien verstande dat:

1 in het plangebied het maximum van 171 mini-campings niet mag worden overschreden;

2 nieuwe mini-campings slechts worden toegestaan op of in aansluiting op een agrarisch bebouwingsvlak van een reëel agrarisch bedrijf;

3 geen nieuwe mini-campings worden toegestaan in de kustzone zoals aangegeven op voorschriftenkaart 2.

Ingevolge artikel 8 van de Wet op de Openluchtrecreatie (hierna: Wor) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden. De vergunning kan slechts worden verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen. Voor het houden van een kampeerterrein van ten hoogste tien kampeermiddelen kan vrijstelling of ontheffing worden verleend. Ingevolge artikel 10, tweede lid, onder b van die wet kan vrijstelling of ontheffing alleen worden verleend indien het bestemmingsplan zich hiertegen niet verzet.

De Afdeling stelt vooreerst vast dat de Wor en de door de gemeenteraad op 11 juni 1998 vastgestelde gemeentelijke beleidsnotitie kleinschalig kamperen (hierna: de beleidsnotitie kleinschalig kamperen) primair het toetsingskader vormen voor de jaarlijks te verlenen ontheffingen voor het exploiteren van een mini-camping.

Gelet op het vorenstaande stelt de Afdeling verder vast, dat het voor het exploiteren van een minicamping niet noodzakelijk is om als zodanig te zijn bestemd in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan verzet zich slechts tegen een ontheffing in het kader van de Wor in de hiervoor genoemde gevallen van artikel 35, derde lid, onder f, van de planvoorschriften.

De Afdeling leidt hieruit af, dat het bestemmingsplan als zodanig zich in elk geval niet verzet tegen de continuering van de - volgens opgave van verweerders ongeveer 160 - bestaande mini-campings. In dit verband hebben verweerders terecht gesteld dat de vraag of sprake is van een bestaande mini-camping afdoende kan worden beantwoord aan de hand van het gemeentelijke vergunningen- en ontheffingenbestand. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtszekerheid voor de bestaande mini-campings, althans in planologisch opzicht, niet in geding. Voor nieuwe mini-campings brengt het plan echter beperkingen mee. Hieromtrent overweegt de Afdeling, dat in het kader van een bestemmingsplan coördinatie van alle in het geding zijnde belangen plaatsvindt, waardoor uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de noodzaak kan bestaan beperkingen op te leggen aan de mogelijkheden die de Wor terzake biedt.

Gelet op het vorenoverwogene komt de Afdeling tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de onderhavige regeling van mini-campings in het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Dat er andere mogelijkheden zijn voor een planologische regeling van mini-campings, zoals appellant betoogt, kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.4.5. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.5. Beroepen van [appellant sub 3] en de Stichting Vrije Recreatie

2.5.1. [appellant sub 3] exploiteert een kampeerterrein op zijn perceel aan de [locatie], ten westen van Oostkapelle. Zijn perceel ligt in het als “kustzone” aangeduide gebied en is bestemd als “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)”. De Stichting Vrije Recreatie is gebruiker van het terrein. Appellanten zijn van mening dat in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat het terrein is ingericht voor het plaatsen van 35 kampeermiddelen, hetgeen in het vorige plan was toegestaan. Gelet hierop stellen zij dat verweerders het plan in zoverre ten onrechte hebben goedgekeurd.

2.5.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan in aanmerking genomen dat mini-campings niet als zodanig in het plan zijn aangegeven. Een regeling voor het kleinschalig kamperen is getroffen in artikel 35, derde lid, onder f, van de planvoorschriften. Voor het exploiteren van een mini-camping kan jaarlijks een ontheffing worden gevraagd op grond van de Wor. Voorts wenst de raad niet mee te werken aan uitbreiding van de kampeermogelijkheden door een vrijstelling te verlenen voor verenigingskamperen.

2.5.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij stellen dat het plan, in vergelijking met het vorige bestemmingsplan, de recreatieve mogelijkheden van het terrein niet beperkt. Het provinciale beleid is terughoudend ten aanzien van de uitbreiding van verblijfsrecreatie op Walcheren, dat in het op 12 september 1997 vastgestelde Streekplan Zeeland (hierna: het streekplan) als herstructureringsgebied is aangeduid. Voor dergelijke gebieden is het uitgangspunt dat het totale aantal verblijfseenheden globaal op het huidige niveau wordt gehandhaafd en dat nieuwe verblijfscomplexen niet zijn toegestaan.

2.5.4. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast, dat een deel van het perceel van [appellant sub 3] is ingericht ten behoeve van het exploiteren van een kampeerterrein voor ongeveer 35 kampeermiddelen. Het beroep van appellanten komt er - samengevat - op neer, dat het plan ook daadwerkelijk dient te voorzien in de planologische mogelijkheid van een kampeerterrein voor 35 kampeermiddelen. Gelet op de in overweging 2.4.4. genoemde bepalingen van de Wor, is dit slechts mogelijk indien het desbetreffende perceel in het plan deels als kampeerterrein zou worden aangewezen middels een zogenoemde R-bestemming (“Recreatie (R)”).

In dit verband stelt de Afdeling voorop dat, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de gemeenteraad in beginsel beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van een bestemming.

Blijkens de plantoelichting is het beleid van de gemeente in de “kustzone” niet gericht op uitbreiding van het aantal kampeermiddelen maar op verbetering van de kwaliteit van de verblijfsrecreatie en meer in het algemeen van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de gronden van appellant in hoofdzaak agrarisch worden gebruikt. Gelet hierop en gelet op het door verweerders aangehaalde streekplanbeleid, is de Afdeling van oordeel dat de gemeenteraad terecht geen aanleiding heeft gezien het perceel van appellant een gemengd agrarisch/verblijfsrecreatieve bestemming te geven.

Het desbetreffende perceel is bestemd tot “Agrarische doeleinden (A)”, met de subbestemming “landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)”. Deze bestemming maakt tevens kleinschalig kamperen mogelijk, met inachtneming van de regeling voor mini-campings in artikel 35, derde lid, onder f, van de planvoorschriften. Een nadere aanduiding op de plankaart, waarvan appellanten de noodzaak betogen, is hierbij niet vereist. Zoals de Afdeling in 2.4.4. heeft overwogen, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de onderhavige regeling van mini-campings in het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de genoemde regeling is het door appellanten gewenste aantal van 35 kampeermiddelen derhalve niet mogelijk. De Afdeling acht dit niet onredelijk. In dit verband is voorts van belang dat uit de stukken genoegzaam is gebleken dat door het gemeentebestuur herhaaldelijk is opgetreden tegen het feit dat [appellant sub 3] meer kampeermiddelen op zijn perceel toelaat dan hem is toegestaan.

Wat betreft hetgeen appellanten aanvoeren over het zogenoemde verenigingskamperen, overweegt de Afdeling dat haar hieromtrent uit de stukken is gebleken dat in de beleidsvisie kleinschalig kamperen is aangegeven dat uitbreiding van het aantal vrijstellingen ten behoeve van verenigingskamperen niet gewenst is. Nieuwe vrijstellingen voor verenigingskamperen buiten de drie reeds bestaande situaties worden dan ook niet verleend. De voortzetting van de drie bestaande situaties is een voortzetting van bestaand beleid van de voormalige gemeenten Veere en Valkenisse. Gelet hierop heeft de gemeenteraad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten in de gebruiksbepalingen geen mogelijkheden voor verenigingskamperen op te nemen.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.5.5. De beroepen van [appellant sub 3] en de Stichting Vrije Recreatie zijn ongegrond.

2.6. Beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 8]: bestemming perceel [locatie]

2.6.1. [appellantyen sub 2] en [appellanten sub 8], wonend aan de [locatie], ten noordoosten van Grijpskerke kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover de aan het perceel [locatie] toegekende bedrijfsbestemming is goedgekeurd. Zij menen dat een dergelijk bedrijf niet past in het agrarische karakter en bij de landschappelijke waarde van het gebied ter plaatse. Voorts is de [locatie] niet geschikt voor het zware verkeer van en naar het bedrijf. Verder betogen appellanten dat het plan, nu hierin wordt voorzien in niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, in strijd is met het streekplan.

2.6.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan aan het perceel [locatie] de bestemming “Bedrijven (B)” met de subbestemming “opslag en handelsdoeleinden (oh)” toegekend in verband met vrijkomende agrarische bebouwing ten gevolge van verplaatsing van het tot voor kort ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf. Hierbij acht de gemeenteraad zich gebonden aan toezeggingen die door het gemeentebestuur van de voormalige gemeente Mariekerke zijn gedaan.

2.6.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij stellen dat het provinciale beleid is gericht op het bieden van mogelijkheden voor een passende benutting van vrijkomende agrarische bebouwing. In overleg met de provinciale ambtelijke dienst heeft de gemeenteraad een lijst opgesteld met bedrijfsactiviteiten die wat betreft effecten op de omgeving inpasbaar worden geacht. Voorts wordt in het kader van de verlening van de milieuvergunning expliciet rekening gehouden met de woningen in de nabijheid van het perceel.

2.6.4. Niet in geding is dat het perceel [locatie] ligt in een gebied waar volgens het streekplan agrarische en specifieke regionale kwaliteiten richtinggevend zijn. In deze gebieden is de landbouw de hoofdfunctie en is het beleid gericht op een goede agrarische bedrijfscultuur. Volgens het streekplan kunnen gemeenten vanuit een goede, op de lokale ruimtelijke structuur gebaseerde, onderbouwing nuancering aanbrengen op het hoofduitgangspunt.

Blijkens het streekplan wordt in beginsel vastgehouden aan het uitgangspunt om in de agrarische gebieden niet-agrarische ontwikkelingen te weren. Voorts is het beleid er op gericht om aanvullend op dit uitgangspunt mogelijkheden te bieden voor een passende benutting van vrijkomende agrarische bebouwing. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de Afdeling niet dat het streekplan de in het bestemmingsplan aan het perceel toegekende bedrijfsbestemming zonder meer uitsluit. Het betoog van appellanten faalt derhalve op dit punt.

2.6.5. Gelet op hetgeen haar uit de stukken is gebleken acht de Afdeling het standpunt van de gemeenteraad, dat deze zich ten aanzien van het desbetreffende perceel aan toezeggingen van het gemeentebestuur van de gemeente Mariekerke gebonden acht, niet onredelijk. Voorts is in dat kader genoegzaam gebleken van een zorgvuldige afweging van het belang van nakoming van de toezegging aan de eigenaar van het perceel om de agrarische bestemming te wijzigen in een bedrijfsbestemming, tegen de andere betrokken belangen. Blijkens het deskundigenbericht bestaat de bestaande bebouwing in de directe omgeving van het perceel uit burgerwoningen, bebouwing ten behoeve van een mini-camping en de bedrijfsbebouwing van enkele intensieve veehouderijen. Bij het zoeken naar een passende bestemming zijn mogelijke schadelijke gevolgen voor de agrarische productiefunctie, natuur en landschap en mobiliteit in de afwegingen betrokken. In dat verband hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan mogelijk gemaakte bedrijfsactiviteiten (opslag en handelsdoeleinden met uitzondering van detailhandel), gelet op de reeds aanwezige bebouwing en functies langs de [locatie] en de verwachte beperkte uitstraling van de desbetreffende activiteiten op de omgeving, aanvaardbaar zijn.

Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan voorziene bedrijfsactiviteiten een grotere verkeersaantrekkende werking hebben dan die van de voormalige intensieve veehouderij.

Tenslotte is niet gebleken dat de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het perceel zodanig afwijken van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van een agrarisch bouwperceel dat verweerders hierin aanleiding hadden moeten zien om aan het desbetreffende plandeel goedkeuring te onthouden.

2.6.6. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.6.7. Het beroep van [appellanten sub 2] is geheel, en het beroep van [appellanten sub 8] is in zoverre ongegrond.

2.7. Overige onderdelen beroep van [appellanten sub 8]

2.7.1. {appellanten sub 8] hebben verder in beroep aangevoerd dat zij, gelet op de afstand tussen het bebouwingsvlak op de gronden aan de [locatie], waarop onder meer een mini-camping staat, en hun perceel [locatie], vrezen overlast van deze camping te zullen ondervinden. De omstandigheid dat het bouwblok thans is voorzien op minder dan 100 meter van hun woning is verder in strijd met het streekplan.

Voorts kunnen zij zich niet vinden in de toekenning van de Al-bestemming in plaats van de Aln-bestemming aan de gronden aan weerszijden van de [locatie]. Tenslotte betogen zij dat ten onrechte in artikel 14, tweede lid, sub b, van de planvoorschriften de tekst van het tweede gedachtestreepje niet is verwijderd. Gelet op het vorenstaande kunnen appellanten zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij het bestreden plandeel is goedgekeurd.

2.7.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan in aanmerking genomen dat aan het perceel [locatie] een bebouwingsvlak van één hectare wordt toegekend en dat de uitloper van het bebouwingsvlak in de richting van de tweede dienstwoning aan de [locatie] komt te vervallen. De gronden aan weerszijden van de [locatie] werden in het ontwerp nog beschouwd als fourageergebied voor wintergasten (ganzen). Uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse nauwelijks ganzen voorkomen, zodat de zogenoemde Aln-bestemming is gewijzigd in een zogenoemde Al-bestemming.

2.7.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Wat betreft de toegekende Al-bestemming aan de gronden aan weerszijden van de [locatie] stemmen zij in met het standpunt van de gemeenteraad. Voorts stellen verweerders dat het streekplan zich niet verzet tegen het aanhouden van een kleinere afstand tussen woningen en agrarische bedrijven. De afstand tussen de woning van appellant en het bouwblok achten zij aanvaardbaar.

2.7.4. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de gemeenteraad bij het leggen van bestemmingen en het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan geen bestemming of begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

Niet in geding is dat de gronden aan weerszijden van de [locatie] aanvankelijk waren bestemd als “Agrarische doeleinden (A)”, met de subbestemming “landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden (Aln)”.

Uit de stukken is gebleken dat naar aanleiding van zienswijzen een bijlage met aanvullende informatie over broedvogels en zogenoemde wintergasten is toegevoegd aan de plantoelichting. De bijlage bevat enkele kaarten, op grond waarvan de fourageergebieden voor wintergasten zijn aangegeven. Voorts komt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, naar voren dat de begrenzing van dergelijke fourageergebieden niet precies kan worden bepaald. De begrenzing is bij het ontwerp-plan nader vastgelegd aan de hand van de wegen die rondom de fourageergebieden liggen. De Afdeling acht deze maatstaf niet onredelijk. Bij de vaststelling van het plan is echter in aanmerking genomen dat de begrenzing van de fourageergebieden voor wintergasten in de directe nabijheid van kernen moet worden aangepast en dat ook in dit geval ter plaatse nauwelijks ganzen voorkomen zodat de bestemming is gewijzigd in “Agrarische doeleinden (A)”, met de subbestemming “landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)”.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de voor de in geding zijnde gronden vastgestelde bestemming niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat zij deze ook overigens terecht hebben goedgekeurd.

2.7.5. Verder stelt de Afdeling vast dat verweerders bij het bestreden besluit goedkeuring hebben onthouden aan de nadere aanwijzing “mt” (mini-camping met toiletgebouw en theeschenkerij) op de plankaart voor het perceel [locatie]. De constatering van appellanten dat in artikel 14, tweede lid, sub b, van de planvoorschriften de tekst van het tweede gedachtestreepje niet is verwijderd (“ter plaatse van de nadere aanwijzing (dmt) een tweede dienstwoning op afstand met minicamping, toiletgebouw en theeschenkerij is toegestaan”) is op zichzelf bezien juist.

Er is echter gebleken dat deze nadere aanwijzing verder niet op de plankaart voorkomt, zodat het plan thans niet in dergelijke activiteiten met bijbehorende bebouwing voorziet. In dit verband is, anders dan appellanten betogen, van rechtsonzekerheid geen sprake. Het vorenstaande in aanmerking genomen, ziet de Afdeling niet in welk belang appellanten hebben bij het alsnog vernietigen van het bestreden besluit, voorzover het de bestreden zinsnede betreft. Alles overziende ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding om hiertoe over te gaan.

2.7.6. In vergelijking met het vorige plan is het in het onderhavige plan neergelegde bebouwingsvlak op het desbetreffende perceel in westelijke richting opgeschoven. Tengevolge van deze verschuiving bedraagt de afstand tot de woning van appellanten ongeveer 80 meter.

In het streekplan is ten behoeve van de begrenzing van bebouwingsvlakken in bestaande situaties opgenomen dat in principe tussen agrarische bedrijven en woon- en verblijfsrecreatiegebieden een afstand van minimaal 100 meter aangehouden dient te worden. Een kleinere afstand (minimum 50 meter) kan worden gehanteerd, onder meer indien daardoor geen noemenswaardige hinder optreedt bij de gevoelige bestemming(en).

Anders dan appellanten, leidt de Afdeling uit deze passage niet af dat het bestreden plandeel zonder meer in strijd met het streekplan is goedgekeurd. Eén en ander betekent echter wel, dat verweerders in dit verband dienden te onderzoeken of een kleinere afstand (dan 100 meter) in dit geval in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Ter zitting is hieromtrent gebleken dat, zowel in de inspraakfase als in de fase van het ontwerp-plan en tot en met de uiteindelijke planvaststelling, met het in geding zijnde bebouwingsvlak is geschoven.

Het gaat in dit geval om een afweging van de bij het bebouwingsvlak betrokken belangen. Het resultaat van deze belangenafweging, die in het plan is neergelegd en in zoverre is goedgekeurd, acht de Afdeling evenwel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. In dat verband overweegt de Afdeling het volgende.

Op het perceel [locatie] exploiteert [partij] een mini-camping. De ligging van het bebouwingsvlak is voor haar van belang in verband met de exploitatie van deze mini-camping, gelet op de hiervoor van belang zijnde planvoorschriften, zoals omschreven in overweging 2.4.4. Hierin is immers bepaald dat het plaatsen van de kampeermiddelen dient plaats te vinden op of direct aansluitend aan het bebouwingsvlak. Voorts dienen overige activiteiten ten behoeve van het kleinschalig kamperen plaats te vinden op het bebouwingsvlak. Appellanten wonen in een burgerwoning tegenover de mini-camping. De ligging van het bebouwingsvlak is voor hen van belang in verband met gevreesde overlast van de minicamping. Uit de stukken komt naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende naar voren waarom verweerders, in navolging van de gemeenteraad, het belang om het bebouwingsvlak in de richting van het perceel van appellanten te verschuiven doorslaggevend hebben geacht, in verband waarmee zij een kleinere afstand dan de hiervoor genoemde afstand van 100 meter aanvaardbaar hebben geacht. De enkele stelling van verweerders hieromtrent, dat uitbreiding van het bebouwingsvlak in zuidoostelijke richting ongewenst is vanwege ter plaatse aanwezige karakteristieke perceelsgrenzen en waterpartijen, acht de Afdeling op zichzelf onvoldoende redengevend. Zij neemt hierbij in aanmerking dat uit het deskundigenbericht is gebleken dat uitbreiding van het bebouwingsvlak in noordoostelijke richting niet zonder meer uitgesloten behoeft te worden geacht. Bovendien is uit de stukken gebleken dat ook de gronden waarop de uitbreiding van het bebouwingsvlak in westelijke richting is voorzien worden gekenmerkt door karakteristieke perceelsgrenzen. In verband met het belang van appellanten had een situering van het bebouwingsvlak, zodanig dat een afstand van 100 meter tussen de woning van appellanten en de grens van het bebouwingsvlak zou worden bewerkstelligd, in de rede gelegen. Voorts is ter zitting gebleken dat de minicamping deels binnen het bebouwingsvlak ligt, en deels aansluitend aan het bebouwingsvlak. Door een klein gedeelte van het bebouwingsvlak in zuidwestelijke richting te laten vervallen kan aan de bezwaren van appellanten tegemoet worden gekomen, terwijl niet is gebleken dat een goede exploitatie van de mini-camping dan niet meer mogelijk is. Voor de hieromtrent ter zitting geuite vrees van [partij], dat alsdan niet meer aan de planvoorschriften kan worden voldaan omdat de mini-camping niet meer aansluit aan het bebouwingsvlak ziet de Afdeling geen grond.

2.7.7. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerders, door het plan op dit punt goed te keuren, hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het desbetreffende deel van het bebouwingsvlak op perceel [locatie]. Het betreft het gedeelte van het bebouwingsvlak dat ligt binnen de afstand van 100 meter vanaf de woning van appellanten.

2.7.8. Het beroep van [appellanten sub 8] is in zoverre gegrond.

2.8. Beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 6]: regeling voor intensieve veehouderij

2.8.1. [appellant sub 4] en [appellant sub 6] hebben beide een intensieve veehouderijbedrijf. Zij hebben bezwaar tegen de wijze waarop bestaande intensieve veehouderijen in het plan worden gereguleerd. Verweerders hebben volgens hen in zoverre ten onrechte goedkeuring aan het plan verleend.

2.8.2. De gemeenteraad heeft in artikel 14 van de planvoorschriften een regeling opgenomen ten aanzien van intensieve veehouderij. Hij stelt zich op het standpunt dat het streekplan geen ruimte laat voor nieuwvestiging van intensieve veehouderij. In dat verband is een grootschalige ontwikkeling van intensieve veehouderij niet te verenigen met de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. Voorts moet, mede gelet op op het restrictieve streekplanbeleid, een grote terughoudendheid worden betracht als het gaat om de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijven.

2.8.3. Verweerders hebben overwogen dat met de planvaststelling grotendeels is aangesloten bij de herziening van het streekplan Zeeland, "Vestigingsbeleid intensieve veehouderij", vastgesteld door provinciale staten op 13 november 1998. In navolging van de streekplanherziening is nieuwvestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderijen in het gehele gebied uitgesloten. Bestaande intensieve veehouderijen behouden een ontwikkelingsmogelijkheid.

2.8.4. De streekplanherziening "Vestigingsbeleid intensieve veehouderij" betreft een aanscherping van de vestigingsnormen voor intensieve veehouderij. Blijkens de toelichting wordt met de streekplanherziening onder meer gevolg gegeven aan het rijksbeleid zoals onder meer verwoord in de brief van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 10 juli 1997 gericht aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal waarin zijn voornemen tot herstructurering van de varkenssector bekend is gemaakt. Onder meer wordt daarbij het uitgangspunt gehanteerd "schone gebieden schoon houden".

In het provinciale vestigingsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die in het streekplan Zeeland zijn aangeduid met de functie "Agrarische ontwikkeling richtinggevend" (de zogenoemde gele gebieden) en gebieden met de functie “Agrarische en specifieke regionale kwaliteiten richtinggevend" (de zogenoemde bruine gebieden). Bij de streekplanherziening zijn de grenzen van deze gebieden niet gewijzigd. Wel zijn wijzigingen aangebracht in de passages in het Streekplan Zeeland over de vestigingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij.

2.8.5. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Zij ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het streekplan geen ruimte biedt voor nieuwvestiging van intensieve veehouderijen, deels omdat de milieuruimte ontbreekt en deels omdat intensieve veehouderijen ernstige gevolgen hebben voor het landschap, de recreatie en het verkeer. De Afdeling neemt daarbij ten eerste in aanmerking dat blijkens de toelichting bij de streekplanherziening rekening is gehouden met de provinciale beleidsdoelstellingen op milieugebied zoals die zijn geformuleerd in het provinciale milieubeleidsplan 1996-1998 "Kerend Tij Twee" om de groei van de veehouderij af te stemmen op de beschikbare milieuruimte in Zeeland. In dat kader is wat betreft de milieuruimte uit provinciaal onderzoek gebleken dat de totale mestruimte in de provincie al vrijwel geheel door de huidige mestproductie wordt benut. De Afdeling ziet geen aanleiding het voorgaande onjuist te achten.

Met betrekking tot de ruimtelijke argumenten die aan het restrictieve beleid voor intensieve veehouderij ten grondslag liggen, stelt de Afdeling vast dat in hoofdstuk 6 van de streekplanherziening uitvoerig wordt ingegaan op de ruimtelijke aspecten en belangen van het landelijk gebied die mede ten grondslag liggen aan het restrictieve vestigingsbeleid. Niet is aannemelijk geworden dat verweerders deze ruimtelijke argumenten niet mede aan hun beleid ten grondslag hebben kunnen leggen.

2.8.6. Uit de streekplanherziening blijkt dat het gestelde met betrekking tot de uitbreiding van bestaande bedrijven met een hoofdtak intensieve veehouderij voor alle gebiedsaanduidingen geldt. Het volgende is daarin, voor zover hier van belang, gesteld:

"Bestaande bedrijven met een hoofdtak intensieve veehouderij behouden in beginsel de mogelijkheid éénmalig uit te breiden, indien andere zwaarwegende planologische belangen zich daartegen niet verzetten en de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf, danwel vereist is ter uitvoering van milieumaatregelen. Deze uitbreiding bedraagt maximaal 20% van het bestaande bedrijfsvloeroppervlak, tenzij de bestaande omvang van het bedrijf reeds 5000 m2 bedrijfsvloeroppervlak of meer omvat. In dat geval is een uitbreiding met maximaal 10% toelaatbaar. Indien wettelijke eisen ten aanzien van dierenwelzijn een verruiming van de bedrijfsvloeroppervlakte vereisen hebben gemeenten de mogelijkheid hiertoe via een wijzigingsbevoegdheid mogelijkheden te bieden".

De Afdeling acht dit restrictieve beleid niet onredelijk.

2.8.7. In de voorschriftenlijst 1, behorende bij de planvoorschriften, zijn de 14 bestaande intensieve veehouderijen en één agrarisch bedrijf met een neventak intensieve veehouderij opgenomen. Hierin is voorts het bestaande bedrijfsvloeroppervlak aangegeven. Hieruit blijkt dat alle intensieve veehouderijen een bedrijfsvloeroppervlak hebben kleiner dan 5000 m2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder i, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” met de nadere aanwijzing (iv) en als genoemd in de voorschriftenlijst 1 (tevens) bestemd voor een intensieve veehouderij, mits de bedrijfsvloeroppervlakte van de desbetreffende gebouwen ten behoeve van intensieve veehouderij niet meer bedraagt dan de in de voorschriftenlijst 1 per agrarisch bedrijf genoemde bedrijfsvloeroppervlakte. Ingevolge het vierde lid, onder b, van dat artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 onder i voor de vergroting met ten hoogste 20% van de daar bedoelde maat indien dit noodzakelijk is in verband met de continuïteit van het bedrijf, gelet op de aard, inrichting en omvang van de bedrijfsactiviteiten, danwel ter uitvoering van de milieuregelgeving.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de desbetreffende regeling opgenomen in het plan in overeenstemming is met het hiervoor aangehaalde beleid in de streekplanherziening. Niet is aannemelijk gemaakt dat verweerders in dit geval niet hebben kunnen instemmen met de uitbreidingsmogelijkheid van 20% voor bestaande bedrijven.

2.8.8. Voorts is uit de stukken gebleken dat in het plan aan de meeste agrarische bedrijven, waaronder de 14 intensieve veehouderijen, een agrarisch bebouwingsvlak van ongeveer één hectare of meer is toegekend. Uit de voorschriftenlijst 1 blijkt verder dat wat betreft de intensieve veehouderijen de grootte van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte varieert van 620 m2 tot 4330 m2. Gelet hierop en gelet op de hiervoor beschreven restrictieve planregeling ten aanzien van de uitbreidingsmogelijkheden (20% van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte) ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de aan intensieve veehouderijen toegekende bebouwingsvlakken onvoldoende ruimte bieden voor uitbreiding en/of aanpassing van de bestaande bebouwing. Hierbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat het plan in artikel 14, achtste lid, van de voorschriften aan burgemeester en wethouders - onder voorwaarden - een wijzigingsbevoegdheid toekent om het bebouwingsvlak te vergroten tot 1,5 hectare. Het betoog van [appellant sub 4] hieromtrent faalt derhalve.

2.8.9. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.8.10. Het beroep van [appellant sub 6] is geheel, en het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.9. Overige onderdelen beroep van [appellant sub 4]

2.9.1. Het beroep van [appellant sub 4] richt zich voorts op de aan een deel van zijn gronden toegekende bestemming “Agrarische doeleinden (A)”, met de subbestemming “landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden (Aln)”. Hij betoogt dat deze bestemming de uitbreiding van zijn bouwblok in de weg staat.

2.9.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan in aanmerking genomen dat deze bestemming dient als bufferzone en planologische bescherming ten behoeve van de Westkapelse Kreek.

2.9.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd.

2.9.4. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de gemeenteraad bij het leggen van bestemmingen en het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan geen bestemming of begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling stelt vast dat de Westkapelse Kreek en de aangrenzende gronden aan de noordzijde zijn bestemd als “Natuurgebied (N)” met de subbestemming “waternatuur (Nw)” en “bos (Nb)”. De gronden met de door appellant bestreden bestemming grenzen aan de boorden van de genoemde kreek. Blijkens het deskundigenbericht bedraagt de afstand van de noordgrens van het bebouwingsvlak tot de kreek ongeveer 100 meter. De kortste afstand tussen de bedrijfsgebouwen van appellant en de kreek bedraagt thans ongeveer 200 meter. In hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat appellant door deze bestemming onevenredig in zijn uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat in dit geval verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde bestemming niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.9.5. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.10. Beroep van ZLTO

2.10.1. De ZLTO stelt in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan regelingen ten behoeve van de bouw van kassen.

2.10.1.1. De gemeenteraad heeft in artikel 14, eerste lid, aanhef, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, opgenomen dat gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” mede zijn bestemd voor kassen. Ingevolge het derde lid, onder g, van dat artikel mag de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van kassen ten behoeve van glastuinbouw als neventak per bebouwingsvlak niet meer bedragen dan 2000 m2.

2.10.1.2. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en hebben daarom in zoverre goedkeuring aan het plan onthouden.

2.10.1.3. De Afdeling stelt vast dat het plan, ingevolge het bepaalde in de genoemde planvoorschriften, bij recht op alle agrarische bouwblokken de bouw van kassen als neventak mogelijk maakt tot 2000 m2. Volgens het streekplan is dit toegestaan onder de voorwaarde dat dit landschappelijk en milieuhygiënisch aanvaardbaar is. Met name in gebieden met specifieke landschappelijke kwaliteiten moet hiermee zorgvuldig worden omgegaan.

Uit de stukken blijkt dat de landschappelijke waarden van de gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)”, met de subbestemming “landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden (Aln)” of met de subbestemming “landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)” zijn aangegeven op voorschriftenkaart 1, waarbij onder meer is onderscheiden “binnenduinrand”, “open, nagenoeg onbebouwd gebied”, en “besloten, nagenoeg onbebouwd gebied”.

De Afdeling is met verweerders van oordeel dat in gebieden met de hiervoor genoemde actuele landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden de bouw van kassen met een dergelijke omvang en zonder nadere afweging niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Anders dan appellante kennelijk meent, is gebleken dat verweerders niet stellen dat het oprichten van een neventak glastuinbouw geheel onmogelijk is in kwetsbare gebieden. Verweerders hebben beoogd om via de herziening van het plan ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de gemeenteraad in de gelegenheid te stellen een meer zorgvuldige regeling ten behoeve van een neventak glastuinbouw aldaar mogelijk te maken.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben onthouden aan het plan.

2.10.1.4. Het beroep van de ZLTO is in zoverre ongegrond.

2.10.2. De ZLTO stelt verder dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan regelingen voor het oprichten van overkappingen buiten het agrarisch bouwblok.

2.10.2.1. De gemeenteraad heeft in art 3, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften opgenomen dat de maximaal toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 3 meter voor overkappingen bedraagt. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften, mogen op gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” onder meer worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge het derde lid van dat artikel gelden voor het bouwen de aanduidingen op de kaart en moeten gebouwen binnen de bebouwingsvlakken worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen buiten de bebouwingsvlakken worden gebouwd.

2.10.2.2. Verweerders achten ondersteunende maatregelen voor de teelt van groente en fruit op de desbetreffende gronden op zichzelf niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Zij leiden echter uit de in artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften opgenomen maximale bouwhoogte van drie meter voor overkappingen af, dat overkappingen in het plan als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden beschouwd. Ingevolge artikel 14, tweede en derde lid, van de planvoorschriften, is derhalve zonder beperking de bouw mogelijk van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten de bebouwingsvlakken. Het op ruime schaal op agrarische gronden oprichten van overkappingen zonder acht te slaan op landschappelijke gevolgen achten zij wel in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verweerders hebben derhalve aan artikel 3, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften goedkeuring onthouden.

2.10.2.3. Overkappingen (bijvoorbeeld regenkappen en tunnels) zijn teeltondersteunende voorzieningen die wat betreft verschijningsvormen en toepassingsmogelijkheden nog in aanzienlijke mate in ontwikkeling zijn. Er bestaat een grote verscheidenheid aan regenkappen, die in meer of mindere mate inbreuk maken op natuurlijke en landschappelijke waarden in een gebied. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling een terughoudend beleid ten aanzien van overkappingen buiten het bouwblok niet onredelijk. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan onvoldoende waarborgen biedt ter bescherming van genoemde waarden. De ruime mogelijkheden om in het plan buiten het bouwblok overkappingen te plaatsen, hebben zij terecht met genoemd beleid strijdig bevonden. Niet is aannemelijk gemaakt dat verweerders in dit geval in redelijkheid niet aan het beleid hebben kunnen vasthouden.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt strijdt met een goede ruimtelijke ordening. De door appellant gewenste duidelijkheid over de mate waarin de bouw van (tijdelijke) overkappingen buiten de bebouwingsvlakken is toegestaan, dient in een door de gemeenteraad vast te stellen herziening van het plan ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te worden gegeven.

In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben onthouden aan het plan.

2.10.2.4. Het beroep van de ZLTO is in zoverre ongegrond.

2.11. Beroep van [appellant sub 9]

2.11.1. Appellant heeft een akkerbouwbedrijf aan de [locatie] ten zuidoosten van Oostkapelle. Hij kan zich niet verenigen met de bestemming die is toegekend aan de landbouwgronden, die voor een deel zijn eigendom zijn.

2.11.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Agrarische doeleinden” met de subbestemming “landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden (Aln)” toegekend.

2.11.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij hebben hierbij overwogen dat de aanduiding fourageergebied is toegekend op basis van beschikbare inventarisatiegegevens. Op grond hiervan is de desbetreffende bestemming toegekend.

2.11.4. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de gemeenteraad bij het leggen van bestemmingen en het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan geen bestemming of begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

Zoals in 2.7.4. is overwogen, is een bijlage met aanvullende informatie over broedvogels en zogenoemde wintergasten toegevoegd aan de plantoelichting. De bijlage bevat enkele kaarten, op grond waarvan de fourageergebieden voor wintergasten zijn aangegeven. Het gaat om open, nagenoeg onbebouwde gebieden, waaronder de in geding zijnde gronden. Gelet op deze aanwijzing als fourageergebied heeft de gemeenteraad de betrokken gronden natuurwaarden toegedicht. In verband hiermee is aan deze gronden de bestemming “Agrarische doeleinden” met de subbestemming “landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden (Aln)” toegekend.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken dat appellant door de vastgestelde bestemming onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.11.5. Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

2.12. Beroep van [appellant sub 10]

2.12.1. Appellant heeft een akkerbouwbedrijf aan de [locatie], tussen Westkapelle en Zoutelande, en woont in de kern Westkapelle. Hij betoogt dat onvoldoende met zijn belangen rekening is gehouden omdat het plan ten onrechte niet voorziet in een dienstwoning bij zijn bedrijf.

2.12.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Agrarische doeleinden” met de subbestemming “landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)” toegekend. Het bebouwingsvlak kent de nadere aanwijzing “zonder dienstwoning (zd)”.

2.12.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. De nadere aanwijzing “zonder dienstwoning (zd)” is in overeenstemming met het terughoudend beleid ten aanzien van nieuwe dienstwoningen gelet op het uitgangspunt dat verstening van het buitengebied moet worden tegengegaan.

2.12.4. Uit de stukken is gebleken dat het bebouwingsvlak op verzoek van appellant is gewijzigd, tengevolge waarvan de oorspronkelijk bij het agrarisch bedrijf behorende dienstwoning, die is herbouwd, buiten het bebouwingsvlak is komen te liggen. In deze woning woont appellants broer, die thans niet meer in het agrarisch bedrijf werkzaam is. De Afdeling acht het uitgangspunt dat verstening van het buitengebied moet worden tegengegaan niet onredelijk. De keuze van de gemeenteraad om de voormalige bedrijfswoning tot “Woondoeleinden” te bestemmen, maar hierbij tegelijkertijd, in overeenstemming met genoemd beleid, voor het agrarisch bebouwingsvlak de mogelijkheid bij recht van een nieuwe dienstwoning uit te sluiten, is evenmin onredelijk. Het zou immers niet van een goede ruimtelijke ordening getuigen, indien het enkel in gebruik nemen van een agrarische bedrijfswoning voor burgerwoondoeleinden de bouw van een nieuwe agrarische bedrijfswoning op het resterende gedeelte van het agrarische bouwblok mogelijk zou maken. Het betoog van appellant dat ten noorden van Zoutelande een omvangrijk complex van vakantiewoningen tot stand is gekomen leidt niet tot een ander oordeel.

Voorts kan ingevolge artikel 14, vierde lid, onder k, en het vijfde lid van dat artikel, van de planvoorschriften vrijstelling worden verleend voor de bouw van een dienstwoning, indien sprake is van een volwaardig bedrijf en indien de noodzaak van de woning is aangetoond. Mede gelet op het deskundigenbericht, is niet gebleken dat de bedrijfsvoering van appellant thans of binnen afzienbare tijd de bouw van een bedrijfswoning aan de [locatie] noodzakelijk maakt.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.12.5. Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond.

2.13. Beroep van [appellant sub 11]

2.13.1. Appellant woont aan de [locatie], ten oosten van Westkapelle. Hij betoogt dat hij bij zijn woning al jaren een camping exploiteert en dat dit gebruik bovendien al jaren wordt gedoogd. Gelet hierop dient het perceel te worden bestemd als kampeerterrein, hetgeen volgens hem ook moet worden beschouwd als het meest doelmatig gebruik van de grond.

2.13.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Agrarische doeleinden” met de subbestemming “landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)” toegekend. Volgens de raad is van een gedoogsituatie geen sprake.

2.13.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij achten het gerechtvaardigd dat het gemeentebestuur niet bereid is de huidige situatie te legaliseren.

2.13.4. Het in 2.5.3. aangehaalde provinciale beleid is terughoudend ten aanzien van de uitbreiding van verblijfsrecreatie op Walcheren. Het uitgangspunt is dat de totale hoeveelheid verblijfseenheden globaal op het huidige niveau wordt gehandhaafd en dat nieuwe verblijfscomplexen niet zijn toegestaan. Blijkens de plantoelichting is het beleid van de gemeente in de “kustzone” niet gericht op uitbreiding van het aantal kampeermiddelen maar op verbetering van de kwaliteit van de verblijfsrecreatie en meer in het algemeen van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de gronden van appellant in hoofdzaak agrarisch worden gebruikt. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de gemeenteraad terecht geen aanleiding heeft gezien het perceel van appellant een verblijfsrecreatieve bestemming te geven.

Uit de stukken is gebleken dat de (voormalige) gemeente Westkapelle het kamperen op het perceel van appellant heeft gelegaliseerd door het toestaan van maximaal tien kampeermiddelen binnen de bestemming “Tuin” van het vorige bestemmingsplan. Voor deze mini-camping is in 1990 een vrijstelling verleend op grond van de – toen geldende - Kampeerwet.

Thans heeft het perceel, behorend bij het agrarisch bedrijf van appellant, een agrarische bestemming. Nu het desbetreffende perceel is bestemd als “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)” is het tevens bestemd voor kleinschalig kamperen, met inachtneming van de regeling voor mini-campings in artikel 35, derde lid, onder f, van de planvoorschriften. Zoals de Afdeling in 2.4.4. heeft overwogen, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de onderhavige regeling van mini-campings in het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de genoemde regeling is het door appellant gewenste aantal kampeermiddelen derhalve niet mogelijk. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken genoegzaam is gebleken dat door het gemeentebestuur herhaaldelijk is opgetreden tegen het feit dat appellant meer kampeermiddelen op zijn perceel toelaat dan hem is toegestaan.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.13.5. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

2.14. Beroep van [appellant sub 12]

2.14.1. Appellant heeft een zogenoemd paarden-pension aan de [locatie], ten noorden van Koudekerke. Appellant kan zich niet vinden in de in het plan voorziene rondweg om Koudekerke, omdat een groot deel van zijn grond aan de noordzijde van deze weg komt te liggen, zodat deze nagenoeg onbereikbaar wordt voor zijn paarden.

2.14.2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Agrarische doeleinden” met deels de subbestemming “landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (Al)” en deels de subbestemming “agrarische randzone (Ar)”toegekend.

2.14.3. Verweerders hebben geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij stellen dat in het kader van de in uitvoering zijnde ruilverkaveling het voornemen bestaat om aan appellant voornamelijk gronden toe te delen aan de zuidzijde van de weg, zodat aan het beroep de grond ontvalt.

2.14.4. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 12] is ter zitting gebleken dat in het kader van de door verweerders genoemde ruilverkaveling aan appellant daadwerkelijk gronden zullen worden toegedeeld aan de zuidzijde van de voorziene rondweg om Koudekerke. Voorts wordt de bereikbaarheid van deze gronden gewaarborgd door twee reeds aangelegde bruggen over de waterlopen die zich ter plaatse bevinden. Deze bruggen zijn geschikt voor paarden.

Mede gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.14.5. Het beroep van [appellant sub 12] is ongegrond.

Proceskosten

2.15. Verweerders dienen ten aanzien van het beroep van de heer en mevrouw Vader op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 8 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 30 november 1999, kenmerk 9910883/513/18, voorzover goedkeuring is verleend aan het deel van het bebouwingsvlak op perceel Steengrachtsweg 4, nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep van appellanten sub 8 voor het overige, en de andere beroepen geheel ongegrond;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Zeeland in de door appellanten sub 8 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zeeland te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de provincie Zeeland aan appellanten sub 8 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. A. Kosto en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002

12-357.