Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
200201415/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/268
AB 2003, 36

Uitspraak

Raad

van State

200201415/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen

de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 4 maart 2002 heeft de staatssecretaris een nieuw besluit strekkende tot afwijzing van de aanvraag van appellant genomen.

Bij uitspraak van 5 maart 2002, verzonden op die dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de voorzieningenrechter) het tegen het besluit van 17 februari 2002 door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 maart 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.J. van der Zee, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E. Brakke, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling overweegt ambtshalve het navolgende.

2.2. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge het tweede lid doet het bestuursorgaan dat tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit overgaat daarvan onverwijld mededeling aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is.

In het derde lid is bepaald dat na de intrekking of wijziging het bestuursorgaan, zolang het bezwaar of beroep aanhangig blijft, geen besluit mag nemen waarvan de inhoud of strekking met het oorspronkelijke besluit overeenstemt, tenzij:

a. gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen en

b. het bestuursorgaan daartoe los van het bezwaar of beroep ook

bevoegd zou zijn geweest.

Ingevolge het vierde lid doet een bestuursorgaan van een besluit als bedoeld in het derde lid onverwijld mededeling aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.3. Bij beschikking van 17 februari 2002 heeft de staatssecretaris de aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Tegen die beschikking is appellant bij de rechtbank opgekomen. Bij schrijven van 4 maart 2002 heeft de staatssecretaris de gemachtigde van appellant doen weten dat de beschikking van 17 februari 2002 was ingetrokken en dat op korte termijn een nieuwe beschikking zou worden uitgereikt.

Enige mededeling aan de rechtbank, die het beroep op 1 maart 2002 ter zitting heeft behandeld, van het een en ander is, naar ter zitting van de Afdeling is komen vast te staan, achterwege gebleven.

Nadien is de beschikking van 4 maart 2002, strekkende tot afwijzing van de aanvraag, uitgereikt. Deze strekt niet mede tot intrekking van de beschikking van 17 februari 2002, zodat de Afdeling het er voor houdt, dat, zoals ook uit de brief van 4 maart 2002 valt op te maken, die intrekking eerder, separaat heeft plaatsgevonden.

2.4. De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris tot intrekking van de beschikking van 17 februari 2002 en nadien tot het nemen van een nieuw besluit op de aanvraag van appellant is overgegaan doch daarvan niet overeenkomstig artikel 6:18, tweede lid, van de Awb onverwijld mededeling aan de rechtbank heeft gedaan. Aldus heeft de staatssecretaris gehandeld in strijd met de wettelijke bepaling en de rechtbank bovendien de mogelijkheid ontnomen toepassing te geven aan artikel 6:19 van de Awb. Daardoor staat de handelwijze van de staatssecretaris bovendien op gespannen voet met het derde lid van artikel 6:18, dat blijkens de wetsgeschiedenis beperkingen stelt aan herhaalde besluiten als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid – in dit geval de intrekking en vervolgens het nemen van het gewijzigde besluit – teneinde frustreren van het beroepsrecht te voorkomen.

2.5. Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd vanwege strijd met artikel 6:18, tweede en derde lid, van de Awb. De Afdeling wijst de zaak terug naar de rechtbank teneinde haar in de gelegenheid te stellen alsnog toepassing te geven aan artikel 6:19 van de Awb.

2.6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam van 5 maart 2002 in zaak nr. AWB 02/13068 VRONTN;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer).

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. M. Vlasblom, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groeneweg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2002

32-319.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,