Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
200202455/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/296
AB 2002, 242

Uitspraak

Raad

van State

200202455/1

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 9 april 2002 in het geding tussen:

[vreemdeling 1 en 2]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 9 mei 2001 heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van [vreemdeling 1] en haar dochter [vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), deze besluiten vernietigd voorzover daarbij een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 is geweigerd en de daartegen ingestelde beroepen in zoverre gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 mei 2002 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij uitgaat van de gestelde identiteit en nationaliteit van de vreemdelingen, nu [vreemdeling 1] (hierna: [vreemdeling 1]) een identiteitskaart heeft overgelegd welke door de Koninklijke Marechaussee is gecontroleerd en als mogelijk echt is aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij eveneens uitgaat van de aannemelijkheid van het asielrelaas.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vreemdelingen niet als verdragsvluchtelingen kunnen worden aangemerkt nu zij niet terstond nadat de vrees voor vervolging ontstond zijn gevlucht, maar dat niet valt uit te sluiten dat zij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) omschreven risico lopen. Naar het oordeel van de rechtbank houdt de beslissing van de staatssecretaris op dit punt onvoldoende rekening met het ambtsbericht van 13 december 2001 (DPV/AM 729607) en is zij derhalve onvoldoende gemotiveerd.

2.2. In de grieven I en II, in onderlinge samenhang bezien, voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat [vreemdeling 1] toerekenbaar niet over reis- of identiteitspapieren beschikt, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de door de vreemdelingen afgelegde verklaringen, en aan de overwegingen in het bestreden besluit waarin wordt aangegeven dat en waarom de staatssecretaris het relaas van de vreemdelingen op onderdelen ongeloofwaardig acht.

2.2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Het is derhalve aan de asielzoeker om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken.

Ingevolge dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2.2. In het bestreden besluit is uiteen gezet dat de vreemdelingen ter staving van hun aanvraag weliswaar een identiteitskaart, doch geen documenten over hun gestelde vliegreis van Nairobi naar Amsterdam hebben overgelegd, dat zij geen verifieerbare verklaringen hebben afgelegd omtrent de gestelde reis van Bunagane via Nairobi naar Amsterdam en dat ze evenmin andere bescheiden die voor de beoordeling van hun aanvraag noodzakelijk zijn hebben overgelegd.

Er is geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris het ontbreken van die documenten en bescheiden niet aan de vreemdelingen heeft mogen toerekenen. Dat een reisagent haar heeft verzocht alle reisbescheiden terug te geven, zoals [vreemdeling 1] stelt, kan niet afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing - waar mogelijk - van haar reis- en asielrelaas. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de vreemdelingen aldus afbreuk hebben gedaan aan de in beginsel aanwezige bereidheid om hun relaas, voor zover consistent en niet onaannemelijk, voor waar te houden, in zoverre redelijkerwijs geen onderbouwing kan worden gevergd.

2.2.3. Het vorenoverwogene mede in aanmerking genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de geconstateerde tegenstrijdige verklaringen van de vreemdelingen over - onder meer - de dood van de zoon van [vreemdeling 1] ([zoon]) de conclusie moet worden verbonden dat het asielrelaas op onderdelen ongeloofwaardig is. De staatssecretaris heeft bij deze beoordeling mede betekenis mogen hechten aan de omstandigheid dat [vreemdeling 1] stelt lid te zijn geweest van de MRND, maar over deze partij weinig informatie kan verstrekken en de lidmaatschapskaart die haar beweerdelijk is verstrekt, niet heeft overgelegd.

Het was de taak van de rechtbank deze beoordeling van het relaas door de staatssecretaris te toetsen op houdbaarheid in rechte, niet om een eigen oordeel te geven omtrent de door de vreemdelingen ingediende aanvragen.

2.2.4. De grieven I en II slagen derhalve.

2.3. Grief III klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of de vreemdelingen als vluchtelingen kunnen worden aangemerkt, ook de gebeurtenissen in de Democratische Republiek Congo (hierna: DRC) dienen mee te wegen. De rechtbank gaat er hierbij ten onrechte vanuit dat aannemelijk moet worden geacht dat de beide zoons van [vreemdeling 1] vermoord werden door de Rwandese FPR, aldus de staatssecretaris.

2.3.1. Ook deze grief slaagt. Daargelaten of de gebeurtenissen in de DRC kunnen worden meegewogen, blijkens de in beroep bestreden besluiten - waarvan de overwegingen van het voornemen tot afwijzing van de aanvragen onderdeel uitmaken - stelt de staatssecretaris zich gemotiveerd op het standpunt dat de dood van de beide zoons van [vreemdeling 1] niet aannemelijk is. Dit standpunt kan blijkens het onder 2.2.3. overwogene de rechterlijke toets doorstaan.

2.4. Grief IV klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu [vreemdeling 1], haar echtgenoot en haar zoon [zoon] gelieerd waren aan het Habyarima-regime, niet is uit te sluiten dat de vreemdelingen bij terugkeer een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) strijdige behandeling te wachten staat. Daartoe wordt onder meer betoogd dat de rechtbank ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat het relaas van [vreemdeling 1], dus ook haar betrokkenheid bij de MRND, niet geloofwaardig is en dat de conclusie die de rechtbank heeft verbonden aan de door haar genoemde passages uit het ambtsbericht van 13 december 2001 onjuist is.

2.4.1. Ook deze grief slaagt. Ook bij de beoordeling van de bestreden besluiten in zoverre die strekken tot afwijzing van de aanvragen op de grond neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van de aannemelijkheid van het gehele asielrelaas van de vreemdelingen. Voorts heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat uit de door de rechtbank aangehaalde passage op pagina 72 van het ambtsbericht van 13 december 2001 niet valt af te leiden dat leden van de MRND als zodanig bij terugkeer een reëel risico lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Evenzeer terecht heeft de staatssecretaris er op gewezen dat de passage op pagina 74-75 van dit ambtsbericht een samenvatting betreft en dat uit pagina 65 blijkt dat het aantal personen dat problemen ondervindt met de autoriteiten vanwege hun verzet tegen het regime niet meer dan honderd bedraagt. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat in het vluchtrelaas van de vreemdelingen geen grond was gelegen om aan te nemen dat zij als politiek tegenstander van de autoriteiten te boek staan en tot evenbedoelde categorie personen behoren.

2.5. Gelet op het voorgaande, heeft de staatssecretaris geen grond voor verlening van verblijfsvergunningen op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b (en e), van de Vw 2000 aanwezig hoeven achten.

Grief V klaagt derhalve terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bestreden besluiten op dit punt een deugdelijke motivering ontberen. Ook deze grief slaagt.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen, aangezien zij nog niet over de bestreden besluiten heeft geoordeeld in zoverre die strekken tot afwijzing van de aanvragen op de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van 9 april 2002 in zaak nr. AWB 01/23843 en 01/23844;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

242-345.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,