Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2002
Datum publicatie
14-08-2002
Zaaknummer
200202287/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202287/1.

Datum uitspraak: 14 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 28 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Korpschef van de Regiopolitie Gelderland-Midden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2001 heeft de Korpschef van de Regiopolitie Gelderland-Midden (hierna: de korpschef) de op 1 september 1999 aan Muziekkelder Arnhem B.V. te Arnhem verleende toestemming, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wet pbr), voor het verrichten van particuliere beveiligingswerkzaamheden door appellant, per direct, ingetrokken.

Bij besluit van 14 november 2001 heeft de korpschef het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 maart 2002, verzonden op 29 maart 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 juni 2002 heeft de korpschef van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. R.C. Aartsen, werkzaam bij de afdeling kabinet korpsleiding van de politieregio Gelderland-Midden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet pbr, voorzover hier van belang, stelt een beveiligingsorganisatie geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef in de regio waar de beveiligingsorganisatie dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

In artikel 7, vijfde lid, eerste volzin, van de Wet pbr, voorzover hier van belang, is bepaald dat de toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Artikel 7, zesde lid, van de Wet pbr bepaalt dat de toestemming, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Ter uitvoering van de Wet pbr heeft de Minister van Justitie criteria voor het bepalen van bekwaamheid en betrouwbaarheid als hiervoor bedoeld neergelegd in de circulaire “Uitvoering Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus” (Stcrt. 1999, no. 60).

Ingevolge paragraaf 2.1 van de circulaire wordt de toestemming als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de wet onthouden indien:

a. de betrokkene binnen 4 jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of

b. de betrokkene binnen 8 jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of

c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

Bij de toetsing van het hiervoor onder c bepaalde gaat het erom dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken.

2.2. Vooropgesteld zij dat de korpschef voor wat betreft de vraag of een vergunning en/of toestemming al dan niet kan worden verleend, beschikt over beoordelingsvrijheid. De uitleg die in het kader van het beleid ten aanzien van die beoordelingsvrijheid – neergelegd in paragraaf 2.1, onder c, van de circulaire - aan de term betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Wet pbr is gegeven, is niet kennelijk onredelijk of onjuist.

2.3. Appellant betwist in hoger beroep de uitleg die de voorzieningenrechter heeft gegeven aan de term tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde als bedoeld in de toelichting op paragraaf 2.1 van de circulaire.

2.4. Deze term leent zich niet voor een algemene omschrijving. In dit geval mocht de korpschef de feiten waarvan appellant werd verdacht beschouwen als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat de korpschef niet redelijkerwijs heeft kunnen oordelen dat appellant niet voldeed aan de eisen van betrouwbaarheid. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht geoordeeld dat het besluit van de korpschef tot intrekking van de verleende toestemming gerechtvaardigd was.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Broodman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2002

204-367.