Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6481

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2002
Datum publicatie
14-08-2002
Zaaknummer
200200869/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200869/1.

Datum uitspraak: 14 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Milieugroep Horst aan de Maas", gevestigd te Horst,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Horst aan de Maas, sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 24 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 11 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door Th.A. Dinnissen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 26 januari 1993 hebben verweerders ten behoeve van de onderhavige inrichting een vergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 82 melk- en kalfkoeien en 55 stuks jongvee.

Het bestreden besluit ziet op de uitbreiding van de inrichting tot 126 melk- en kalfkoeien en 91 stuks jongvee.

2.2. Appellante heeft zich in het beroepschrift wat betreft de beroepsgronden met betrekking tot de procedure voor de totstandkoming van het Ammoniakreductieplan Noord- en Midden-Limburg fase 3 (hierna te noemen: het Arp) in de daarbij betrokken gemeenten en het verlenen van mandaat door gedeputeerde staten met betrekking tot de goedkeuring van het Arp, alsmede wat betreft het ter inzage leggen van de relevante stukken met betrekking tot de besluiten tot de intrekking van milieuvergunningen en de samenhang tussen deze besluiten en het bestreden besluit, beperkt tot het herhalen van de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders ingegaan op deze bedenkingen. Appellante heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.3. Appellante betoogt dat het door verweerders toegepaste Arp niet kan worden beschouwd als een Arp als bedoeld in de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna te noemen: de Interimwet), omdat het niet resulteert in een beperking van de ammoniakemissie en -depositie op de in het desbetreffende plangebied gelegen voor verzuring gevoelige gebieden en omdat het Arp toestaat dat milieuvergunningen worden ingetrokken van inrichtingen die waren gesloten, werden opgeheven of deelnamen aan de Regeling beëindiging veehouderijtakken. Voorts betoogt zij dat vergunningverlening leidt tot een te hoge ammoniakemissie en -depositie en in strijd is met artikel 7 van het Arp.

2.3.1. Ingevolge artikel 4 van de Interimwet, zoals deze gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, geldt voor een veehouderij als waarde voor de ammoniakdepositie ten hoogste 15 mol, behoudens in gevallen, als aangegeven in de artikelen 5 tot en met 8.

Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 6 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die die veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

2.3.2. De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft bij besluit van 17 oktober 2000 het Arp vastgesteld. Het Arp is bij besluit van 6 november 2000 door gedeputeerde staten goedgekeurd.

In artikel 7 van het Arp is bepaald, voorzover thans relevant, dat, indien een of meer vergunningen moeten worden ingetrokken, het verzoek tot intrekking dient te worden ingediend uiterlijk op het tijdstip dat de aanvraag wordt ingediend voor de vergunning tot oprichting of uitbreiding van de veehouderij.

2.3.3. Naar het oordeel van de Afdeling waarborgt het Arp, voorzover het betreft de artikelen waaraan verweerders bij de beoordeling van de onderhavige vergunningaanvraag toepassing moesten geven, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8 van de Interimwet, dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeente of gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeente of gemeenten daalt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder geen grond voor het oordeel dat het Arp in strijd is met de Interimwet.

Voorts is het bestreden besluit, naar verweerders hebben erkend, genomen in strijd met artikel 7 van het Arp. De verzoeken tot het nemen van de intrekkingsbesluiten voor de veebestanden gehouden in de inrichtingen aan de [locatie 1] en de [locatie 2] zijn ingekomen bij verweerders op 22 juni 2001, derhalve na het indienen van de onderhavige vergunningaanvraag op 5 december 2000. Hetgeen is bepaald in artikel 7 van het Arp ziet evenwel niet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat in de omstandigheid dat is gehandeld in strijd met dit artikel geen grond is gelegen voor vernietiging hiervan.

Voorzover appellante heeft betoogd dat artikel 4, vierde lid, onder a en onder b, artikel 5 en artikel 6 van het Arp in strijd zijn met de Interimwet, overweegt de Afdeling dat verweerders in de onderhavige procedure aan deze artikelen geen toepassing hebben gegeven. Wat er ook zij van het betoog van appellante terzake, er bestaat geen aanleiding om in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of genoemde artikelen van het Arp in strijd zijn met de Interimwet.

2.3.4. Gezien het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting veroorzaakt het aangevraagde veebestand een toename van de ammoniakemissie en –depositie op het dichtst bij de inrichting gelegen voor verzuring gevoelig gebied met respectievelijk 527,6 kg en 101 mol potentieel zuur per hectare per jaar. Met toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet hebben verweerders in samenhang met de verlening van de onderhavige vergunning de milieuvergunningen voor de veehouderijen aan de [locatie 1] en de [locatie 2] (gedeeltelijk) ingetrokken. De veebestanden waarvoor bij deze besluiten de rechten zijn ingetrokken veroorzaken een emissie en depositie van in totaal respectievelijk 1.595,6 kg NH3 en 5.945 mol potentieel zuur. Vergunningverlening leidt in overeenstemming met artikel 8, vierde lid, van de Interimwet tot een afname van de ammoniakemissie en -depositie in het plangebied waarvoor het Arp geldt. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de Interimwet of het Arp zich zouden verzetten tegen de vergunningverlening.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Breda, ambtenaar van Staat.

w.g. Berg w.g. Van Breda

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2002

310.