Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2002
Datum publicatie
14-08-2002
Zaaknummer
200200310/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 265K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200310/1.

Datum uitspraak: 14 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante], gevestigd te [plaats],

2. de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Putten,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2001, kenmerk BM/01/18960, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een gesloten varkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 4 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 14 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht van 17 januari 2002, en appellante sub 2 bij brief van 14 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht van 15 februari 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 20 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 juni 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door drs. K. van der Woud, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.1.1. Appellante sub 1 voert aan dat het bestreden besluit op een aantal punten onjuist of onvolledig is. Bij de beoordeling van de stankhinder merken verweerders volgens haar ten onrechte een woning aan de [locatie] aan als burgerwoning. Volgens appellante betreft het een nog te bouwen bedrijfswoning. Volgens appellante kan deze woning voorts niet [huisnummer] hebben, aangezien haar hoveniersbedrijf op het perceel [locatie] is gevestigd. Appellante sub 1 voert tevens aan dat verweerders de toekomstige bewoners van bovengenoemde woning aan de [locatie] ten onrechte niet hebben betrokken bij de procedure van vergunningverlening. Voorts is appellante van mening dat verweerders ten onrechte haar hoveniersbedrijf niet in de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder hebben betrokken.

2.1.2. Appellante sub 1 heeft haar beroepsgronden niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Weliswaar heeft zij gedurende de termijn voor het inbrengen van bedenkingen, bij brief van 27 november 2001, aan verweerders de garantie verzocht dat de te verlenen milieuvergunning geen belemmering zal zijn voor haar huidige en toekomstige bedrijfsvoering en vermeld dat, indien deze garantie niet zou worden verkregen, bij deze brief bezwaar werd ingediend, maar dit kan niet worden aangemerkt als het inbrengen van bedenkingen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, nu in deze brief niet was aangegeven op welke onderdelen zij het met het ontwerp van het besluit niet eens was. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante sub 1 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante sub 1 niet-ontvankelijk is.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.3. Appellante sub 2 stelt (cumulatieve) stankhinder te vrezen. Volgens haar is sprake van een ernstig overbelaste situatie en konden verweerders daarom in dit geval de vergunning niet zonder meer baseren op de op 11 juni 1985 krachtens de Hinderwet verleende vergunning (hierna: de onderliggende vergunning), maar hadden zij de gevraagde vergunning, al dan niet gedeeltelijk, moeten weigeren, dan wel aan de vergunning voorschriften moeten verbinden inhoudende maatregelen en voorzieningen ter vermindering van stankhinder. Voorts ontbreekt volgens appellante sub 2 ten onrechte een cumulatieberekening. Volgens appellante sub 2 had een dergelijke cumulatieberekening niet mogen ontbreken, omdat een deel van het veebestand dat voorheen in de meest westelijk gelegen stal werd gehouden, nu in de meest oostelijk gelegen stallen wordt gehouden.

2.3.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd, voorzover het betreft de omrekeningsfactoren en de wijze van afstandbepaling. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd. Voor de beoordeling van cumulatieve stankhinder hanteren verweerders gebruikelijk het rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij”(Publicatiereeks Lucht 46; hierna: het rapport). Zij stellen zich op het standpunt dat (cumulatieve) stankhinder niet aan vergunningverlening in de weg staat. Daartoe hebben zij overwogen dat het aantal mestvarkeneenheden waarmede het vergunde veebestand overeenkomt, ten opzichte van de onderliggende vergunning afneemt, terwijl de afstand van de emissiepunten ten opzichte van een aantal omliggende stankgevoelige objecten toeneemt en voor het overige gelijk blijft.

2.3.2. Het bij het bestreden besluit vergunde veebestand komt overeen met 600 mestvarkeneenheden. Bij een dergelijk veebestand dienen ten opzichte van omliggende stankgevoelige objecten van de categorie I tot en met IV afstanden te worden aangehouden van respectievelijk ongeveer 198, 159, 108 en 59 meter. Aan de oostzijde van de inrichting bevinden zich achtereenvolgens op ongeveer 146 meter van de inrichting een categorie II bebouwing (tennispark “De Oude Vale”), op ongeveer 108 meter een categorie III bebouwing ([locatie]) en op ongeveer 36 meter een categorie IV bebouwing ([locatie]). Aan de minimaal aan te houden afstand wordt derhalve niet voldaan. Het bij de onderliggende vergunning verleende veebestand komt overeen met 603 mestvarkeneenheden zodat het aantal mestvarkeneenheden ten opzichte van de onderliggende vergunning met 3 afneemt, terwijl de afstand ten opzichte van een aantal omliggende stankgevoelige objecten toeneemt en voor het overige gelijk blijft. De enkelvoudige stankhinder ten opzichte van de onderliggende situatie neemt derhalve enigszins af.

Wat betreft de cumulatieve stankhinder blijkt uit een vergelijking van de tekening behorende bij de onderliggende vergunning en die bij het bestreden besluit dat geen nieuwe stallen worden opgericht. Evenwel vindt binnen de inrichting een wijziging en verschuiving plaats van het veebestand. De mestkalveren die voorheen in de meest westelijk gelegen stal werden gehouden worden omgewisseld met mestvarkens die werden gehouden in de meest oostelijk gelegen stallen, derhalve in de richting van de ten oosten van de inrichting gelegen stankgevoelige objecten, waaronder de [locatie] en [locatie]. Het betreft hier een veebestand dat overeenkomt met 83 mestvarkeneenheden. Door de verschuiving van dit veebestand binnen de inrichting neemt de relatieve bijdrage ten opzichte van deze stankgevoelige objecten toe. De Afdeling stelt vast dat zich in de omgeving van de inrichting en deze stankgevoelige objecten meerdere veehouderijen bevinden. Niet kan worden uitgesloten dat ter hoogte van deze stankgevoelige objecten niet aan de in het rapport genoemde normen kan worden voldaan. In dat geval is een toename van de relatieve bijdrage vanwege de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend onaanvaardbaar. Verweerders hadden hiernaar derhalve onderzoek moeten verrichten. Nu zij hebben nagelaten een cumulatieberekening op te stellen is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

2.4. Appellante sub 2 voert aan dat de inrichting onaanvaardbare geluidhinder veroorzaakt. Volgens haar zijn de in de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het piekgeluidniveau te hoog. Voorts is zij van mening dat aan de grenswaarden niet kan worden voldaan.

2.4.1. Ingevolge voorschrift 4.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingniveau (LAr,LT) veroorzaakt door werkzaamheden binnen de inrichting en/of door de in de inrichting aanwezige machines, installaties en transportmiddelen, ter plaatse van de woningen op de percelen [locaties] niet meer bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 4.1.2 mag het maximale geluidniveau (Lmax) gemeten in de meterstand ‘fast’, veroorzaakt door werkzaamheden binnen de inrichting en/of door de in de inrichting aanwezige machines, installaties en transportmiddelen op de in voorschrift 4.1.1 genoemde punten niet hoger zijn dan 65, 60 en 50 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 4.1.4 is voorschrift 4.1.2 niet van toepassing op het laden en lossen van voertuigen en de vervoers- en transportbewegingen op het terrein van de inrichting, voorzover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur.

2.4.2. Voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder hebben verweerders de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening als uitgangspunt genomen. Omdat in de gemeente Putten nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld hebben verweerders aansluiting gezocht bij de in hoofdstuk 4 van de Handreiking genoemde richtwaarden. Blijkens het bestreden besluit hebben verweerders beoogd in voorschrift 4.1.1 grenswaarden op te nemen van 40, 35 en 30 dB(A) en in voorschrift 4.1.2 grenswaarden van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A), gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Door een kennelijke vergissing zijn deze waarden echter niet in de bij het bestreden besluit behorende voorschriften opgenomen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

Verweerders hebben de Afdeling verzocht met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en in de betreffende voorschriften de laatstgenoemde grenswaarden op te nemen. Verweerders hebben echter geen onderzoek verricht naar de vraag of aan de grenswaarden, die zij hebben beoogd in de voorschriften op te nemen kan worden voldaan, terwijl zij ter zitting hebben erkend dat, in verband met vrachtwagenbewegingen op het terrein van de inrichting in ieder geval wat betreft de avonduren, waarschijnlijk niet aan deze geluidgrenswaarden zal kunnen worden voldaan. Derhalve kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep van appellante sub 1 is niet-ontvankelijk. Het beroep van appellante sub 2 is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 2 te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 1 niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van appellante sub 2 gegrond;

III. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Putten van 21 december 2001, BM/01/18960;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Putten in de door appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door burgemeester en wethouders van Putten te worden betaald aan appellante sub 2;

V. gelast dat burgemeester en wethouders van Putten aan appellante sub 2 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2002

154-325.