Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200104577/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104577/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante], wonend te [woonplaats],

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

3. [appellant], wonend te [woonplaats],

4. [appellante], gevestigd te [plaats],

5. [appellant], wonend te [woonplaats],

6. [appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2000 heeft de gemeenteraad van Abcoude, op voorstel van burgemeester en wethouders van 19 december 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Beschermd Dorpsgezicht Abcoude".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 7 augustus 2001, nummer 2001REG001672i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 12 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2001, appellant sub 2 bij brief van 13 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2001, appellant sub 3 bij brief van 5 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2001, appellante sub 4 bij brief van 8 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2001, appellant sub 5 bij brief van 10 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2001, en appellant sub 6 bij brief van 10 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 december 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 mei 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken van appellant sub 3 en van [partij] ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [appellant sub 3], gemachtigde,

appellant sub 3, in persoon, appellante sub 4, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellant sub 5, vertegenwoordigd door mr. H.P. Verheyen, advocaat te Utrecht, appellant sub 6, in persoon en bijgestaan door mr. E. Huikeshoven, advocaat te Amsterdam, en verweerders, vertegenwoordigd door drs. ing. P.J.M. Verlaan, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens is de raad van de gemeente Abcoude, vertegenwoordigd door drs. H.J. van de Vliert, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord. Voorts is als partij gehoord [partij]. Appellant sub 2 is niet verschenen.

Appellant sub 3 heeft ter zitting zijn beroep ingetrokken.

2. Overwegingen

Planomschrijving

2.1. Het plan heeft betrekking op de historische kern van de gemeente Abcoude. Het voorziet in een planologische regeling als voorgeschreven in artikel 36 van de Monumentenwet 1988 ter bescherming van het bij besluit van de Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 september 1991 aangewezen beschermd dorpsgezicht. Doel van het plan is de cultuurhistorische waarden en de centrumfunctie te behouden en te versterken en ontwikkelingsmogelijkheden te bieden die passen binnen het conserverende karakter van het plan.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het bestemmingsplan grotendeels goedgekeurd.

Toetsingskader

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.3. [Appellante sub 1] woont aan de [locatie]. Zij heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan in zoverre twee stroken van 3 meter breed langs de woningen aan de [locatie] en [locatie] de bestemming “Woondoeleinden” in plaats van “Tuinen” hebben gekregen. Zij stelt dat dit de openheid zal aantasten hetgeen in strijd is met de doelstellingen van het plan. Voorts zal bebouwing van een deel van de tuinen haar woongenot verminderen, met name omdat een deel van de bouwstrook naast haar woning door de bewoners van de [locatie] kan worden bebouwd. Het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg dat verweerders aan hun besluit ten grondslag hebben gelegd, is haar niet bekend. Dit acht zij een inperking van haar rechten.

2.3.1. De gemeenteraad heeft bij de planvaststelling naar aanleiding van de zienswijze van de bewoners van [locatie] tegen het ontwerp het bestemmingsvlak “Woondoeleinden” ten behoeve van de percelen [locatie] en [locatie] vergroot. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een geringe uitbreiding van het bouwvlak aan de bestaande bebouwing redelijk is, omdat de woningen dan beter kunnen voldoen aan de huidige wooneisen. Het plan biedt, aldus de gemeenteraad, voldoende waarborgen dat aan bouwplannen hoge eisen zullen worden gesteld om het historische karakter en de ruimtelijke kwaliteit geen geweld aan te doen.

2.3.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien deze plandelen in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben in aanmerking genomen dat de provinciale planologische commissie adviseerde deze plandelen niet goed te keuren, maar verweerders achten het gerechtvaardigd van dit advies af te wijken, nu de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in een nader uitgebracht advies heeft aangegeven te kunnen instemmen met de voorgenomen uitbreiding, op voorwaarde dat een architectonische afstemming met de omgeving plaatsvindt. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de uitbreiding van de woningen binnen het karakter van het beschermde dorpsgezicht valt te realiseren en dat de belangen van de bewoners van [locatie] en van [locatie] zwaarder wegen dan die van appellante, bewoonster van [locatie].

Hoewel het verweerders bevreemdt dat in het plan bouwmogelijkheden aan het perceel van appellante worden toegekend die zij voor een deel niet kan benutten, omdat niet zij maar haar buren de eigendom van deze gronden bezitten, biedt het Bouwbesluit naar de mening van verweerders voldoende waarborg dat dat gedeelte onbebouwd zal blijven.

2.3.3. De woningen [locatie] en [locatie] staan in het noordwestelijk deel van het beschermd dorpsgezicht; het deel dat aan het eind van de 19e eeuw is gerealiseerd in de vorm van lintbebouwing langs bestaande infrastructuur en in aansluiting op de oude dorpskern. Volgens de historisch-ruimtelijke waarderingskaart bij de aanwijzing is de bebouwing aan de Voordijk (die langs de Angstel loopt) en aan de Meerweg van belang vanwege de rooilijn en de bebouwingsschaal. De woningen [locatie] vormen ieder voor zich één geheel met de aan de [locatie] staande [woningen]. De ruimte tussen deze woningen is ingericht als tuin en maakt - als groene schakel - een doorzicht mogelijk tussen de Meerweg en de Voordijk naar twee monumentale panden.

Het bestemmingsvlak “Woondoeleinden” is in het plan aan de zijkant van de vier woningen vergroot met twee stroken van 3 m bij 8,5 m. Uitbreiding van de inhoudsmaat van het hoofdgebouw is voor deze woningen niet toegestaan, omdat artikel 4, eerste lid, van de voorschriften bepaalt dat de goot- en/of bouwhoogte en de inhoudsmaat van een hoofdgebouw, zoals aanwezig ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp, niet (anders dan met behulp van dakkapellen) mogen worden vergroot. Wel maakt artikel 15, derde lid, onder c, van de voorschriften het mogelijk dat aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen kunnen worden geplaatst tot ten hoogste 50% van het bij de woning behorende erf met een maximum van 50 m2. Indien aanbouwen worden afgedekt met een kap, dient ingevolge artikel 12, tweede lid, de hellingshoek ten minste 30 en ten hoogste 70 graden te bedragen. Aan het materiaalgebruik van zichtbare gevels en daken worden voorts eisen gesteld. Ook voorziet het plan in een beschrijving in hoofdlijnen, waarin is aangegeven hoe het welstandstoezicht in het belang van het beschermd dorpsgezicht zal worden uitgevoerd.

Het plan staat aan iedere woning een aanbouw toe van ongeveer 12,5 m2 met kap in één bouwlaag. Bij gehele benutting van deze mogelijkheid zal de bestaande tussenruimte van 14 à 16 m worden versmald tot 8 à 9 m. Hierdoor zal blijkens het deskundigenbericht het doorzicht verminderen, maar niet geheel verdwijnen.

Doordat een deel van de verruimde bouwstrook naast het perceel [locatie] in eigendom is bij de bewoners van [locatie], staat het plan ook toe dat op de erfscheiding, ongeveer 1 à 2 meter uit de zijgevel van de woning [locatie] ten behoeve van het perceel [locatie] een bijgebouw of overkapping wordt opgericht.

2.3.3.1. Verweerders motiveren hun besluit met een verwijzing naar een nader door hen ingewonnen advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Dit advies is niet in het besluit opgenomen noch anderszins aan de indieners van de bedenkingen kenbaar gemaakt. Weliswaar bevat de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen verplichting daartoe, maar nu juist de strekking van dit advies voor verweerders bepalend was voor hun beslissing omtrent de ingediende bedenking van appellante, acht de Afdeling het niet toezenden van dit advies, in elk geval aan appellante, alvorens een beslissing te nemen niet zorgvuldig.

2.3.3.2. Voorts blijkt uit dit – bij brief van 5 december 2001 door verweerders aan het procesdossier toegevoegde – advies alleen dat de Rijksdienst kan instemmen met een mogelijkheid tot vergroting van de vier woningen met drie meter uit de zijgevel. Het biedt geen inzicht in de wijze waarop de Rijksdienst tot dit standpunt is gekomen noch in de daarbij gehanteerde criteria. Ook de mogelijkheid voor de bouw van een bijgebouw op de erfscheiding van de woningen [locatie] blijft in dit advies onbesproken.

Verweerders hebben derhalve met de verwijzing naar dit advies van de Rijksdienst ook onvoldoende gemotiveerd dat – in afwijking van het advies van de provinciale planologische commissie - de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden voor de vier woningen niet in strijd zijn met de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht en met de doelstelling van het plan. Evenmin hebben verweerders voldoende gemotiveerd waarom de belangen van appellante als bewoonster van de woning [locatie] in dezen van ondergeschikt belang zijn. Het standpunt van verweerders dat de belangen van appellante voldoende worden beschermd door het Bouwbesluit deelt de Afdeling niet. Het Bouwbesluit biedt geen waarborg dat het deel van de bouwstrook bij de erfscheiding, ongeveer 1 à 2 m uit de zijgevel van haar woning, onbebouwd zal blijven, zoals verweerders in hun besluit stellen.

Dat verweerders inmiddels een nieuw advies van de Rijksdienst aan het procesdossier hebben toegevoegd, kan deze gebreken niet helen. Dit advies is ruim na het bestreden besluit tot stand gekomen, zodat verweerders het niet aan hun besluit ten grondslag hebben kunnen leggen. Bovendien gaat ook dit advies niet in op de mogelijkheid van het bouwen van een bijgebouw op de erfscheiding tussen de woningen [locatie].

2.3.3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en in zoverre bovendien niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van appellante is gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden”, nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4. Appellant is eigenaar/bewoner van het rijksmonument [locatie]. Hij voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Tuinen (T)” in zoverre de bouw van een berging op deze gronden is uitgesloten. Ter plaatse hebben door de eeuwen heen twee schuren gestaan, aldus appellant. Op de naburige percelen staan schuurtjes en ook de gemeente heeft op een haar toebehorend perceel een hoge schutting gebouwd. De bouw van een berging behoeft de openheid niet aan te tasten, zo stelt hij.

2.4.1. De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van het plan niet ingestemd met het verzoek van appellant. Hij heeft overwogen dat een zekere openheid vanaf het perceel in de richting van het water gehandhaafd moet worden, nu het gaat om een karakteristieke plek, die als zodanig behouden dient te blijven.

2.4.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij onderschrijven het standpunt van de gemeenteraad en achten het belang van appellant ondergeschikt aan het belang van het openhouden van zichtrelaties vanaf de brug over de Angstel en vanaf het perceel richting het water.

2.4.3. De panden [locatie] staan op de hoek met de [locatie], in één van de oudste delen van de nederzetting Abcoude, die wordt bepaald door de samenkomst van de Angstel, Gein en Holendrecht en in dit deel wordt gekenmerkt door een ruimtelijke beslotenheid. De panden zijn georiënteerd op de straat en het achtererf is naar het water gekeerd. Dit is kenmerkend voor de dorpen in dit gebied die aan rivieren liggen. Uit de historisch-ruimtelijke waarderingskaart blijkt dat de panden behoren tot dat deel van het beschermd dorpsgezicht, waar de rooilijn, de bebouwingsschaal en het historische bebouwingsbeeld waardevol zijn. Vanaf de brug in de Brugstraat over de Angstel en vanaf de Voordijk (die langs de Angstel ligt) zijn het brede, maar ondiepe achtererf en de achterzijde van de monumentale bebouwing goed zichtbaar en daardoor blijkens het deskundigenbericht bepalend voor de beleving van het beschermd dorpsgezicht.

Het deel van het plan waaraan de bestemming “Tuin (T)” is toegekend betreft een deel van de oeverstrook langs de Angstel. Bebouwing van dit deel van het achtererf kan blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, de beleving van het beschermd dorpsgezicht aantasten.

Gelet hierop hebben verweerders het realiseren van gebouwen op deze gronden in strijd met de doelstelling van het plan en met hun beleid kunnen achten.

Voorts hebben verweerders geen bijzondere omstandigheden aanwezig behoeven te achten om een uitzondering op hun beleid te maken. Niet is gebleken dat in de panden geen ruimte is voor enige opslag van tuinmeubelen, tuingereedschap, en dergelijke. Ook is niet gebleken dat verweerders in het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel aanleiding hadden moeten zien om van hun beleid af te wijken.

2.4.3.1. Gelet hierop hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van appellant [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

2.5. [Appellante sub 3], heeft een winkel aan de [locatie]. Zij stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan artikel 16, derde lid, onder c, van de planvoorschriften, voorzover betrekking hebbend op haar perceel, waarbij het maximum aan grondoppervlak voor aan- of bijgebouwen is bepaald op 60 m2. Daarmee maakt dit voorschrift een noodzakelijke uitbreiding van haar winkel onmogelijk. Deze uitbreidingsmogelijkheid bood het vorige bestemmingsplan wel. Zij stelt zich op het standpunt dat een uitbreiding tot meer dan 60 m2 het beschermd dorpsgezicht niet zal aantasten.

2.5.1. De gemeenteraad wijst op de algemene doelstelling van het plan, te weten het behoud van de bestaande situatie in het kader van het beschermd dorpsgezicht en stelt zich op het standpunt dat het gestelde maximum van 60 m2 zal voorkomen dat de winkels en andere bebouwing op de achterterreinen te groot worden. Met deze, bij de planvaststelling aangebrachte, verhoging van het maximum is naar de mening van de gemeenteraad voldoende tegemoet gekomen aan de specifieke situatie aan de Hoogstraat.

2.5.2. Verweerders hebben in hun besluit geen aanleiding gezien dit planvoorschrift in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben overwogen dat appellante van de uitbreidingsmogelijkheden die het voorheen geldende plan bood geen gebruik heeft gemaakt en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat thans een grotere uitbreiding dan in het plan opgenomen, noodzakelijk is voor het voortbestaan van haar onderneming. Indien echter voor een uitbreiding met meer dan 60 m2 goede bedrijfsmatige redenen zijn, achten verweerders zodanige uitbreiding vanuit ruimtelijk oogpunt niet onaanvaardbaar, mede gezien de reeds in de omgeving gerealiseerde bebouwing. In dat geval kan het plan worden herzien.

2.5.3. Ter zitting zijn verweerders teruggekomen van dit standpunt, omdat hun is gebleken dat het gemeentebestuur geen handhavingsmaatregelen wil aanwenden ten aanzien van het deel van de bijgebouwen op dit perceel dat zonder vergunning, boven de maximale maat van 60 m2 is gebouwd. Verweerders leiden daaruit af dat 60 m2 voor het gemeentebestuur kennelijk niet meer de maximale maat aan bijgebouwen voor dit perceel is. Verweerders hebben verzocht alsnog goedkeuring te onthouden aan het bestreden plangedeelte.

2.5.3.1. Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van appellante [appellante sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de verklaring van partijen ter zitting ziet de Afdeling aanleiding alsnog goedkeuring te onthouden aan het voorschrift van artikel 16, derde lid, onder c, van de planvoorschriften voor zover dat betrekking heeft op [locatie], het perceel van appellante.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.6. [Appellant sub 5] heeft een fiets- en sportwinkel aan de [locatie]. Hij stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan artikel 16, derde lid, onder c, van de planvoorschriften, voor zover betrekking hebbend op zijn perceel, waarbij het maximum aan grondoppervlak voor aan- of bijgebouwen op 60 m2 is bepaald. Daarmee maakt dit voorschrift een uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijke uitbreiding onmogelijk, zo stelt hij, nu al een bijgebouw van 35 m2 aanwezig is. Appellant wenst een uitbreidingsmogelijkheid tot 200 m2. Een dergelijke uitbreidingsmogelijkheid zal het beschermde dorpsgezicht ter plaatse niet aantasten. In de aanwijzing is volgens appellant rekening gehouden met het reeds ingetekende, maar nog niet gerealiseerde bouwvlak. Ook is er naar zijn mening sprake van een rechtsongelijke situatie, nu de achtererven van de percelen Hoogstraat 6-8 enkele jaren geleden met toestemming van verweerders geheel zijn bebouwd.

2.6.1. De gemeenteraad wijst op de algemene doelstelling van het plan, te weten het behoud van de bestaande situatie in het kader van het beschermd dorpsgezicht en stelt zich op het standpunt dat het gestelde maximum van 60 m2 zal voorkomen dat de winkels en andere bebouwing op de achterterreinen te groot worden. Met deze, bij de planvaststelling aangebrachte, verhoging van het maximum is naar de mening van de gemeenteraad voldoende tegemoet gekomen aan de specifieke situatie aan de Hoogstraat. Bovendien biedt het plan appellant nog enige ruimte voor uitbreiding.

2.6.2. Verweerders hebben blijkens hun besluit het plan in zoverre niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen zich op het standpunt dat appellant van de uitbreidingsmogelijkheden die het voorheen geldende plan bood geen gebruik heeft gemaakt en dat hij onvoldoende heeft aangetoond dat thans een uitbreidingsmogelijkheid van meer dan 60 m2 uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk is. Bovendien ligt naar hun mening terughoudendheid met uitbreidingsmogelijkheden in de rede vanwege de ligging van het perceel nabij de samenvloeiing van de Angstel en het Gein, één van de markantste situaties van het beschermd dorpsgezicht.

2.6.3. Ter zitting hebben verweerders verklaard dat hun standpuntwijziging als hiervoor onder 2.5.3. vermeld ook geldt ten aanzien van het plandeel dat betrekking heeft op het [perceel van appellant].

2.6.3.1. Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de verklaring van partijen ter zitting ziet de Afdeling aanleiding alsnog goedkeuring te onthouden aan het voorschrift van artikel 16, derde lid, onder c, van de planvoorschriften voor zover dat betrekking heeft op [het perceel van appellant].

Het beroep van [appellant sub 6]

2.7. [Appellant sub 6] woont aan de [locatie]. Hij stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre dit niet voorziet in de mogelijkheid een extra woning op zijn perceel te kunnen bouwen. Door verkoop van deze bouwkavel zal hij beter in staat zijn de lasten van het onderhoud van zijn woning en bijgebouwen te dragen. Een extra woning in de zuidwestelijke hoek zal de openheid in het gebied niet aantasten, aldus appellant.

2.7.1. De gemeenteraad heeft niet ingestemd met het verzoek van appellant. Zij achten toevoeging van een bouwvlak niet gewenst in het beschermd dorpsgezicht.

2.7.2. Verweerders hebben het plan in zoverre niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen zich op het standpunt dat een extra woning de historische structuur van het beschermd dorpsgezicht zal wijzigen en de te beschermen waarden in het gebied zal schaden. Zij achten het financiële belang van appellant niet zodanig dat hiervoor het belang van een ongeschonden historische structuur zou moeten wijken.

2.7.3. Het ongeveer 5.645 m2 grote perceel is in het plan bestemd als “Woondoeleinden (W)”en “Tuinen (T)”. Voorts is het terrein – evenals het grootste deel van het plangebied – aangeduid als terrein van archeologische betekenis. Het omvat een voormalige boerderij uit 1894, waarvan appellant het voorste gedeelte [no.] bewoont en zijn zoon het achterste gedeelte [no.]. In het achterste gedeelte is een werkplaats voor het (eenmans)aannemersbedrijf van de zoon van appellant. Verder is een vrijstaand koetshuis aanwezig dat dienst doet als garage/berging.

2.7.3.1. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de boerderij als beeldbepalend kan worden aangemerkt. Zij ligt in het noordwestelijke deel van het beschermd dorpsgezicht met bebouwing uit het einde van de 19e eeuw. De boerderij en omgeving roepen het beeld op van de vroegere agrarische bedrijven aan de uitvalswegen van de nederzetting.

Uit de historisch-ruimtelijke waarderingskaart bij de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht blijkt dat het perceel van belang is vanwege de rooilijn, de bebouwingsschaal en het historische bebouwingsbeeld.

De plaats waar appellant een woning wil bouwen betreft een hoek van het perceel op de grens met de aanliggende woonwijk die buiten het beschermd dorpsgezicht valt. Dat deel van het perceel wordt aan drie zijden door woningen omgeven, heeft een ontsluiting naar deze woonwijk en wordt door het aanwezige groen afgeschermd van de op het perceel aanwezige historische bebouwing.

Op een vergelijkbare locatie aan de [locatie], zo is de Afdeling gebleken, hebben de gemeenteraad en verweerders wel ingestemd met het opnemen van een bouwmogelijkheid voor een woning binnen het beschermd dorpsgezicht.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd, waarom in het geval van appellant een extra woning de historische structuur van het beschermd dorpsgezicht zal wijzigen en de te beschermen waarden in het gebied zal schaden.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.8. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 4, appellant sub 5 en appellant sub 6 te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellante sub 1 is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellante sub 1, appellante sub 4, appellant sub 5 en appellant sub 6 gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 7 augustus 2001, 2001REG001672i, voorzover het betreft

- a. de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden (W)” als aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart A;

- b. de goedkeuring van het voorschrift van artikel 16, derde lid, onder c, van de planvoorschriften voor zover dat betrekking heeft op de percelen [locatie];

- c. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Tuinen (T)” als aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart B;

III. onthoudt goedkeuring aan het voorschrift van artikel 16, derde lid, onder c, van de planvoorschriften voor zover dat betrekking heeft op de percelen [locatie];

IV. bepaalt dat deze onthouding van goedkeuring in de plaats treedt van de onder II, aanhef en onder b., vermelde onderdelen van het vernietigde besluit;

V. verklaart het beroep van appellant sub 2 ongegrond;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Utrecht in de door appellanten sub 4, 5 en 6 in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte proceskosten

- voor appellante sub 4 tot een bedrag van € 805, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- voor appellant sub 5 tot een bedrag van € 920,56, waarvan een gedeelte groot € 805 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en

- voor appellant sub 6 tot een bedrag van € 838,88, waarvan een gedeelte groot € 805 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze bedragen dienen door de provincie Utrecht te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 voor appellant sub 1, € 204,20 voor appellant sub 4, € 102,10 voor appellant sub 5 en € 102,10 voor appellant sub 6) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. De Rooy

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

291-411.