Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200101143/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101143/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2000 heeft de raad van het stadsdeel Osdorp, op voorstel van het dagelijks bestuur van 25 april 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "De Aker I".

Het besluit van de stadsdeelraad en het voorstel van het dagelijks bestuur zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 9 januari 2001, 2000-25470, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 april 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 september 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2002, waar appellant, in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Namens de stadsdeelraad is aldaar gehoord mr. A.M. Ocko, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een deel van de woonwijk De Aker en wordt in het zuiden globaal begrensd door het water naast de Anielewiczsingel en de Ernst Cahnsingel, in het westen door het naastgelegen bestemmingsplan T106, in het noorden door het water naast de Bonhoeffersingel en de Rudi Bloemgartensingel en in het oosten door de Machinetocht. Het bestemmingsplan vervangt het geldende globale bestemmingsplan op basis waarvan de woonwijk is gerealiseerd en heeft een conserverend karakter.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de stadsdeelraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat verweerders geen goedkeuring hadden mogen verlenen aan de bestemming van een deel van zijn grond, nu de bestemmingsplankaart niet overeenstemt met de feitelijke situatie. Dit bezwaar is niet in het beroepschrift aangevoerd. Het is in strijd met een goede procesorde om ter zitting dit bezwaar, dat feitelijk onderzoek vergt, nog aan te voeren. In beroep kan het derhalve niet aan de orde komen.

2.5. Appellant stelt in beroep dat verweerders ten onrechte het bestemmingsplan hebben goedgekeurd, voor zover hierin is opgenomen een bebouwingspercentage van maximaal 25 % voor de percelen aan de Noorderakerweg en een vrijstellingsmogelijkheid tot 40 % voor percelen kleiner dan of gelijk aan 300 m2. Volgens hem is van een te behouden landelijk karakter geen sprake meer, zodat ruimere bebouwingsmogelijkheden gewenst zijn.

2.6. De stadsdeelraad heeft bij de vaststelling van het plan in aanmerking genomen dat de Noorderakerweg in afwijking van de omringende delen van het plangebied nog wel een landelijke karakteristieke lintbebouwing heeft, met lage bebouwingsintensiteit op ruime percelen. Een bebouwingspercentage van 25 % waarborgt het behoud van deze karakteristiek. De vrijstellingsmogelijkheid tot 40 % voor percelen kleiner of gelijk aan 300 m2 is noodzakelijk teneinde ook op de kleinere percelen voldoende mogelijkheden tot uitbreiding te bieden. Het plan bevat bovendien een algemene vrijstellingsbepaling voor het overschrijden van de bepalingen inzake het oppervlak met maximaal 10 %.

2.7. Verweerders hebben geen reden gezien deze regeling in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het bestemmingsplan goedgekeurd.

2.8. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

Op grond van het ter zitting verhandelde constateert de Afdeling dat de Noorderakerweg een van de omgeving afwijkende ruimtelijke karakteristiek heeft. De Afdeling acht het beleid om deze karakteristiek te behouden niet onredelijk. Een te grote verdichting van de bouwpercelen doet afbreuk aan deze karakteristiek. Verdichting kan worden voorkomen door het opnemen van een maximaal bebouwingspercentage. Het standpunt van verweerders dat een bebouwingspercentage van meer dan 25 % bij recht of van 40 % via een vrijstellingsbevoegdheid voor percelen groter dan 300 m2, zoals appellant wenst, tot een ongewenste verdichting leidt, acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij hebben verweerders in aanmerking kunnen nemen dat de in het plan opgenomen bebouwingsvrije zone weliswaar vrije doorzichten behoudt maar ongewenste verdichting onvoldoende kan voorkomen.

Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat verweerders ten aanzien van zijn perceel tot een ander standpunt hebben moeten komen.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Gastel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

261-410.