Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200105759/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105759/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2001 heeft de gemeenteraad van Helden, op voorstel van burgemeester en wethouders van 14 januari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Egchel-Noord". Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 9 oktober 2001, kenmerk 2001/44345, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 1 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2001, appellanten sub 2 bij brief van 28 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2001, appellant sub 3 bij brief van 21 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2001, appellant sub 4 bij brief van 23 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2001, appellant sub 5 bij brief van 3 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2001, en appellanten sub 6 bij brief van 3 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 maart 2002 hebben verweerders medegedeeld af te zien van het indienen van een verweerschrift.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2002, waar appellanten zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellant sub 3] is echter, met bericht van verhindering, niet verschenen. Ook verweerders en de gemeenteraad van Helden hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is door de gemeenteraad gesteld dat het beroep van [appellant sub 5] zou zijn ingetrokken.

Namens [appellant sub 5] zijn binnen de beroepstermijn twee beroepschriften ingediend, door respectievelijk ARAG Rechtsbijstand en Aelmans Agrarische Advisering. Bij brief van 7 december 2001 werd het beroep dat ARAG Rechtsbijstand namens [appellant sub 5] instelde, ingetrokken. Deze intrekking had geen betrekking op het beroepschrift ingediend door Aelmans Agrarische Advisering. De stelling van de gemeenteraad dat er gezien de brief van 7 december 2001 geen beroep van [appellant sub 5] meer voorligt, acht de Afdeling dan ook onjuist.

Planbeschrijving

2.2. Het plangebied ligt aan de noordzijde van de kern Egchel en wordt globaal begrensd door de Hub Hoekerstraat, de Gielenhofweg, de Muldersweg en de Jacobusstraat. Het plangebied wordt thans gebruikt voor agrarische doeleinden. Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 84 woningen op deze plaats.

Verweerders hebben het plan goedgekeurd.

Ontvankelijkheid

2.3. [appellant sub 4] richt zijn beroep onder meer tegen de goedkeuring van de maximaal toegestane bouwhoogte. Deze beroepsgrond steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp of voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

2.3.1. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Beroep [appellant sub 5]

2.5. [appellant sub 5] richt zijn beroep tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen “Woondoeleinden (Wo)” en “Woongebied, uit te werken (UW)”. Hij betoogt dat het plan op dit punt in strijd is met het provinciale woningbouwbeleid. Volgens appellant maakt het plan de bouw van meer woningen mogelijk dan op grond van het streekplan en de provinciale richtcijfers voor woningbouw is toegestaan.

2.6. De gemeenteraad meent dat van strijd met het provinciale beleid geen sprake is. Hij wijst erop dat het plan de verplaatsing van twee agrarische bedrijven uit het plangebied mogelijk maakt en dat het plangebied als inbreidingslocatie zeer geschikt is voor woningbouw.

Ter zitting heeft de gemeenteraad hieraan toegevoegd dat in Egchel weliswaar geen behoefte is aan het grote aantal woningen waarin het plan voorziet, maar dat de bouw van deze woningen noodzakelijk is om de verplaatsing van de twee bedrijven te kunnen financieren.

2.7. Verweerders zijn evenmin van mening dat het plan in strijd is met het provinciale beleid voor woningbouw. Zij wijzen erop dat het woningbouwcontingent voor de gemeente Helden niet wordt overschreden.

Verweerders achten van belang dat het plan de verplaatsing van twee milieuhinderlijke bedrijven uit het plangebied mogelijk maakt. Verder bevordert het plan volgens verweerders doorstroming en is het in overeenstemming met het Regionale Volkshuisvestingsplan en het Beleidsplan Wonen. Zij kunnen er dan ook mee instemmen dat sprake is van een verschuiving van de contingenten binnen de gemeente Helden dan wel naar de kern Egchel.

2.8. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in Egchel op grond van de provinciale woningbouwrichtcijfers de komende 10 jaar maximaal 20 tot 30 woningen mogen worden gebouwd. Het plan maakt de bouw van ongeveer 84 woningen mogelijk en is met dit beleid dus niet in overeenstemming. De richtcijfers vormen blijkens de stukken een plafond. Afwijking hiervan is, zo is gebleken, onder omstandigheden mogelijk, maar dient te worden gemotiveerd. Naarmate de afwijking van de richtcijfers groter is, zullen aan de daaraan ten grondslag liggende motivering zwaardere eisen moeten worden gesteld.

Het belangrijkste argument van verweerders voor afwijking van de richtcijfers is dat het plan de verplaatsing van twee milieuhinderlijke bedrijven uit het plangebied mogelijk maakt. De Afdeling is van oordeel dat de vergaande overschrijding van de provinciale woningbouwrichtcijfers niet door deze motivering kan worden gedragen.

2.8.1. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wat betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen “Woondoeleinden (Wo)” en “Woongebied, uit te werken (UW)” niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.8.2. Gezien het voorgaande behoeft het beroep van [appellant sub 5] voor het overige geen bespreking.

Omdat de beroepen van [appellant sub 4], voor zover ontvankelijk, [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] eveneens zijn gericht tegen de vernietigde onderdelen van het bestreden besluit, zijn ook deze beroepen gegrond. De beroepsgronden van deze appellanten behoeven daarom geen verdere bespreking.

Beroep [appellanten sub 6]

2.9. Het beroep van [appellanten sub 6] is gericht tegen de goedkeuring van de bestemming “Agrarisch onbebouwd (Ao)” voor hun perceel aan de [locatie]. Appellanten willen op dit perceel enkele woningen bouwen, hetgeen op gronden met de bestemming “Agrarisch onbebouwd (Ao)” niet is toegestaan.

2.10. De gemeenteraad stelt dat een woonbestemming voor het perceel van appellanten niet mogelijk is omdat het woningbouwcontingent voor Egchel nodig is voor andere woningbouwlocaties in de kern. Om de financiële haalbaarheid van het plan te waarborgen is een door appellanten voorgestelde ruil van bestemmingen niet mogelijk.

2.11. Verweerders vinden het standpunt van de gemeenteraad niet onredelijk en hebben in de bezwaren van appellanten geen reden gezien op dit punt goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.12. Onbestreden is dat het perceel van appellanten geschikt is voor woningbouw. Het perceel is een braakliggend weiland tussen lintbebouwing aan de rand van het plangebied. Woningbouw ter plaatse zou volgens de gemeenteraad geen beperking inhouden voor de bedrijfsvoering van nabijgelegen bedrijven. Evenmin zouden woningen op het perceel op kortere afstand van deze bedrijven komen te liggen dan vanuit milieuhygiënisch oogpunt nodig is.

De gemeenteraad en verweerders hebben aangevoerd dat het perceel van appellanten niet kan worden bestemd voor woondoeleinden omdat het woningbouwcontingent hiervoor geen ruimte biedt. Bovendien, zo werd ter zitting nogmaals gesteld, levert woningbouw op het perceel van appellanten de gemeente Helden financieel niets op in tegenstelling tot woningbouw op andere gronden in het plangebied.

2.12.1. De Afdeling stelt vast dat er in ruimtelijk opzicht geen bezwaren zijn tegen de door appellanten gewenste woonbestemming. Verder is gebleken dat de gemeenteraad en verweerders de richtcijfers voor woningbouw niet als een harde bovengrens beschouwen. Ook in het plan is het aantal woningen dat kan worden gebouwd variabel. Ingevolge artikel 3.4 van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen voor het bouwen van één extra woning per bouwperceel. Ingevolge artikel 7.5, onder 2, van de planvoorschriften moeten op de gronden met de bestemming “Woongebied, uit te werken (UW)” minimaal 75 en maximaal 100 woningen worden gebouwd.

Het voorgaande in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat de overwegingen van verweerders die ertoe hebben geleid een woonbestemming voor het perceel af te wijzen en het plandeel met de bestemming “Agrarisch onbebouwd (Ao)” goed te keuren, hun besluit op dit punt niet kunnen dragen.

2.12.2. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit ook in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Beroep [appellant sub 3]

2.13. [appellant sub 3] richt zijn beroep tegen het voornemen van de gemeenteraad zijn perceel te gebruiken voor ontwatering, groenvoorzieningen en een wandelpad. Appellant wil op zijn perceel een woning bouwen.

2.14. De gemeenteraad heeft overwogen dat de groenstrook op het perceel van appellant nodig is voor ontwatering van het plangebied en een wandelpad. Volgens de gemeenteraad zijn er in het plangebied geen alternatieve locaties voor de groenstrook.

2.15. Verweerders hebben met de overwegingen van de gemeenteraad ingestemd. Zij achten het bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.16. Het perceel van appellant is bestemd als “Woongebied, uit te werken (UW)”. Deze gronden zijn ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, bestemd voor wonen, groen en water, verkeer en nutsvoorzieningen. Met inachtneming van de voorschriften in het vijfde lid, moeten burgemeester en wethouders deze bestemming uitwerken.

De gemeenteraad heeft voor het plangebied een schetsontwerp laten opstellen, waarin een mogelijke stedenbouwkundige invulling van het plangebied wordt gegeven. Dit ontwerp is bij de planstukken gevoegd. In het schetsontwerp wordt het perceel van appellant grotendeels gebruikt voor groenvoorzieningen en ontwatering.

De Afdeling stelt vast dat de door appellant gewenste woonbestemming op grond van het plan niet onmogelijk is. Het beroep van appellant heeft in feite betrekking op het schetsontwerp van het plangebied. Het schetsontwerp maakt echter geen onderdeel uit van het plan en er komt geen bindende betekenis aan toe. Verweerders behoefden daarom in de bezwaren van appellant geen reden te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.17. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Proceskosten

2.18. Verweerders dienen op hierna vermelde wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 6]. Voor wat betreft [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] is echter niet gebleken van kosten die hiervoor in aanmerking komen.

Voor wat betreft [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 4], voor zover het betreft de maximaal toegestane bouwhoogte, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroepen van [appellant sub 4] (voor zover ontvankelijk) [appellant sub 5], [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 6] gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 9 oktober 2001, kenmerk 2001/44345, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen “Woondoeleinden (Wo)”, “Woongebied, uit te werken (UW)” en “Agrarisch onbebouwd (Ao)”;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 3] ongegrond;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door [appellant sub 5], [appellanten sub 1] en [appellanten sub 6] in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1017,98, welk bedrag door de provincie Limburg als volgt aan appellanten dient te worden betaald:

- [appellant sub 5]: € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

- [appellanten sub 1]: € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

- [appellanten sub 6]: € 51,98;

VI. gelast dat de provincie Limburg aan [appellant sub 4] (€ 102,00), [appellant sub 5] (€ 109,00), [appellanten sub 1] (€ 109,00), [appellanten sub 2] (€ 102,00) en [appellanten sub 6] (€ 109,00) het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

12-218-332.