Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200105575/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105575/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 1995 heeft de gemeenteraad van Dalfsen (thans Raalte), op voorstel van burgemeester en wethouders van 23 augustus 1995, vastgesteld het bestemmingsplan "Recreatieterrein Twentseweg e.o.".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 27 maart 1996, kenmerk RGP95/2052, goedkeuring onthouden aan artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften.

Bij uitspraak van 10 september 1998, in zaak nr. E01.96.0250, is onder meer deze onthouding van goedkeuring vernietigd.

Verweerders hebben bij hun besluit van 2 maart 1999, kenmerk RWB/1999/876, opnieuw goedkeuring onthouden aan artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften.

Bij uitspraak van 3 augustus 2000, in zaak nr. E01.99.0260, is deze onthouding van goedkeuring vernietigd.

Verweerders hebben bij hun besluit van 19 september 2001, kenmerk RWB/2001/3580, artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften goedgekeurd. Dit besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2002, waar appellant, in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door J. Wildeboer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is verschenen H.W. Ruiterkamp, ambtenaar van de gemeente Raalte, namens de gemeenteraad van Raalte.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plangebied heeft in hoofdzaak betrekking op het ten noordoosten van de kern Heino gelegen recreatieterrein Twentseweg en omstreken en wordt globaal begrensd door de Haarweg, de Hillebrandsweg, de Twentseweg en de Eikenlaan. Het plan strekt ertoe de bestaande planologische situatie vast te leggen en bevat in dit kader een regeling voor 106 bestaande recreatiewoningen. Voorts wordt met het plan beoogd de bouw van 26 nieuwe recreatiewoningen mogelijk te maken.

2.3. Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

2.4. Appellant heeft aangevoerd dat als gevolg van dit goedkeuringsbesluit een overgangsbepaling van kracht wordt, welke ertoe zal leiden dat het betrokken gebied voor een groot deel ook in de toekomst permanent bewoond zal blijven. Appellant acht dit niet begrijpelijk, nu dit in strijd is met de eigen opvattingen van verweerders op dit punt. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat het gebied niet bestemd en uit een oogpunt van milieu en landschap ook niet geschikt is voor permanente bewoning. Bovendien zijn verweerders zonder enig nader onderzoek tot het thans bestreden besluit gekomen en zijn zij aldus, volgens appellant, de voor hen uit de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2000 voortvloeiende verplichtingen niet nagekomen.

2.5. De Afdeling stelt vast dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd op welke gronden dit besluit is genomen. Eerst ter zitting is door verweerders uiteengezet dat aan dit besluit geen gewijzigd inzicht ten grondslag ligt ten aanzien van de beleidsuitgangspunten dat beëindiging van permanente bewoning dient te worden bevorderd door persoonsgebonden overgangsrecht. De reden om dit planvoorschrift alsnog goed te keuren is, zo is ter zitting gesteld, gelegen in de omstandigheid dat verweerders van de zijde van het gemeentebestuur geen medewerking hebben verkregen bij hun onderzoek naar de vraag of en in welke omvang er sprake is van verkregen rechten op permanente bewoning en is ook verder enig onderzoek door hen achterwege gebleven.

Ter zitting is namens de gemeenteraad desgevraagd gesteld dat de raad nooit een officieel verzoek van verweerders terzake heeft bereikt.

2.6. De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit niet is genomen met in achtneming van de eerdere uitspraak van de Afdeling die ertoe strekte dat nader onderzoek naar verkregen rechten op permanente bewoning diende te worden verricht. Zoals eerder aangegeven, gaat de Afdeling er daarbij van uit dat voor het te verrichten onderzoek de medewerking van het gemeentebestuur noodzakelijk is. De Afdeling is er niet van overtuigd dat verweerders al het mogelijke hebben gedaan om het gemeentebestuur tot medewerking te bewegen. Er is derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat van verweerders niet kon worden gevergd dat zij aan de in de eerdere uitspraak van de Afdeling verwoorde opdracht gevolg zouden geven.

2.7. Verweerders hebben mitsdien goedkeuring verleend aan artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zonder dat de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen is vergaard, terwijl het bestreden besluit voorts niet berust op een deugdelijke motivering. Het besluit is derhalve in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

2.8. Verweerders dienen op de navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Overijssel van 19 september 2001, kenmerk RWB/2001/3580;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Overijssel in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 46,68; het totale bedrag dient door de provincie Overijssel te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de provincie Overijssel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

210.