Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200106361/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106361/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Stichting Behoud Schaphalsterzijl en de Stichting Marnelandschap, zetelend te Winsum onderscheidenlijk Eenrum,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 13 november 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Winsum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 1998 hebben burgemeester en wethouders van Winsum (hierna: burgemeester en wethouders) aan het dagelijks bestuur van het Waterschap Noorderzijlvest vergunning, als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988, verleend voor het wijzigen van het monument Schaphalsterzijl ten behoeve van de bouw van een bodemdalingsgemaal met schutsluis op de locatie Schaphalsterzijl (hierna: het gemaal en de schutsluis).

Bij besluit van 11 mei 2000 (hierna: de beslissing op bezwaar) hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van 10 april 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 november 2001, verzonden op 14 november 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 24 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld van [gemachtigden], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door ir. A.A. Dees, burgemeester, en H.J. Zeevalking, drs. J. Klooster en F.G. Zuidema, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts is het waterschap, vertegenwoordigd door mr. T. Knoop, advocaat te Groningen, en ir. H. van ’t Land, dijkgraaf, als partij gehoord. Ook is de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, vertegenwoordigd door M.P. Sypkens Smit, gemachtigde, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van appellanten dat de beslissing op bezwaar zich niet verdraagt met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht faalt. Burgemeester en wethouders konden de heroverweging van het primaire besluit van 24 november 1998 beperken tot de door appellanten in de bezwaarfase aangevoerde bezwaren.

2.2. Voorts hebben appellanten betoogd dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 11 van de Monumentenwet, nu zij heeft overwogen dat de schutsluis en het gemaal bij het afgeven van de vergunning buiten beschouwing konden worden gelaten en dat alleen wijzigingen en toevoegingen aan het monument zelf vergunningplichtig zijn.

2.3. In artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is bepaald dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten kan aanwijzen als beschermd monument.

2.4. Bij besluit van 19 mei 1998 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zowel het sluizencomplex Schaphalsterzijl als geheel als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988 aangewezen, als zijn onderdelen afzonderlijk, bestaande uit de Schaphalsterzijl, de Nieuwe Sluis en de Winsumerzijl. Bij dit besluit is voorts de op de locatie Schaphalsterzijl aanwezige houten loods aangewezen als beschermd monument.

2.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de schutsluis buiten het bereik van artikel 11 van de Monumentenwet valt. Weliswaar is dit werk niet in de omschrijving in het besluit van 19 mei 1998 opgenomen, maar het werk was er ten tijde van het nemen van dit besluit nog niet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de schutsluis een directe toevoeging vormt aan het monument. Dit nieuwe element is welbewust in het geheel gevoegd om te komen tot integratie van oude en nieuwe functies. De schutsluis wordt tegen het bestaande complex gebouwd. Het aanbrengen van de schutsluis leidt bovendien tot een functiewijziging van het monument in zijn geheel (uitwatersluis in schutsluis). Nu de bij het besluit van 24 november 1998 verleende vergunning ook ziet op de schutsluis, in de onderliggende adviezen – met name het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van 25 mei 1998 – in belangrijke mate aandacht is geschonken aan de vergunningverlening op dit punt en de rechtbank dit besluit in stand heeft gelaten, leidt een en ander niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak op dit punt.

Ten aanzien van het op enige afstand van de huidige zijlen geprojecteerde gemaalgebouw deelt de Afdeling, mede gelet op hetgeen ter zitting door de heer Sypkens Smit namens de Rijksdienst voor de Monumentenzorg naar voren is gebracht, het oordeel van de rechtbank dat de bouw daarvan buiten het in de Monumentenwet voorziene vergunningstelsel valt.

2.6. Voorts hebben appellanten tevergeefs betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders mochten afgaan op de positieve adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de Welstand- en Monumentenzorg Groningen en gedeputeerde staten van Groningen. Ook het betoog dat burgemeester en wethouders de door appellanten overgelegde tegenadviezen niet deugdelijk zouden hebben weerlegd, faalt. In het ambtsbericht van burgemeester en wethouders van 24 maart 2000, het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van 10 april 2000, dat in de beslissing op bezwaar is overgenomen, en nogmaals in het verweerschrift is ingegaan op de tegenadviezen en toegelicht waarom met voorbijgaan aan de tegenadviezen wordt vastgehouden aan hetgeen in de positieve adviezen ter zake het wijzigen van het monument is vermeld. Daarbij is terecht het standpunt ingenomen dat slechts de belangen die het doel van de Monumentenwet dienen, een rol kunnen spelen bij het besluit over het al dan niet verlenen van de monumentenvergunning. Voor zover de tegenadviezen betrekking hebben op planologische- of welstandsaspecten, dan wel op de inpassing van het gemaalgebouw, kan daaraan in deze procedure geen betekenis toekomen. Voor zover in de tegenadviezen de functieverandering aan de orde is gesteld, zij opgemerkt dat, zo al sprake is van een aantasting van de functie van het monument door de wijziging van uitwaterssluis in schutsluis, sprake is en blijft van een sluis. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de adviezen waar burgemeester en wethouders bij hebben aangesloten, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen dan wel anderszins naar inhoud of wijze van totstandkomen gebreken vertonen. De omstandigheid dat in deze adviezen een andere zienswijze wordt ingenomen dan door appellanten en de door hun geraadpleegde deskundigen, doet niet af aan de adviezen van de deskundigen. Bij deze stand van zaken bestond voor burgemeester en wethouders geen aanleiding om bij hun oordeel omtrent de verlening van de monumentenvergunning niet af te gaan op de meergenoemde positieve adviezen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

224.