Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200103623/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103623/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2000 heeft de gemeenteraad van Kampen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 16 november 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Rijksweg 50".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 22 mei 2001, RWB/2000/4056, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 november 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 mei 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2002, waar appellant, bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door drs. E. Munneke, zijn verschenen. Voorts is gehoord de raad der gemeente Kampen, vertegenwoordigd door N. Butterman.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt het mogelijk aan de noordwestzijde van Kampen een bedrijventerrein van ruim 73 hectare aan te leggen. Verweerders hebben het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellant heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre aan een deel van de gronden die hij pacht voor zijn melkrundveehouderij de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” is toegekend. Hij stelt dat verweerders in hun besluit ten onrechte ervan uitgaan dat alle door hem gepachte gronden en de bij hem in eigendom zijnde opstallen in het plan begrepen zijn. Het gaat om verlies van ongeveer 30% van deze gronden. Om zijn bedrijf te kunnen voortzetten is, zo stelt hij, grondcompensatie noodzakelijk en daarin is niet voorzien.

2.4. De gemeenteraad wil aansluitend aan een reeds bestaand bedrijventerrein een nieuw hoogwaardig industrieterrein met een eigen identiteit en een goede ruimtelijke kwaliteit aanleggen. De gronden in het plangebied zijn eigendom van de gemeente. Getracht zal worden via minnelijk overleg met de pachters tot pachtbeëindiging te komen.

2.5. Verweerders achten dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Zij kunnen instemmen met de ontwikkeling van een bedrijventerrein op deze plaats en met deze omvang. Het belang dat appellant heeft bij voortgezet agrarisch gebruik van de gepachte gronden en van de bij hem in eigendom zijnde opstallen, achten zij ondergeschikt aan het belang dat is gediend met de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Het bedrijf zal moeten wijken. De uitvoerbaarheid van het plan is, aldus verweerders, voldoende gegarandeerd, nu in de exploitatie-opzet bij het plan rekening is gehouden met de kosten van verwerving en het gemeentebestuur bovendien tot minnelijke verwerving wil komen.

2.6. De Afdeling stelt vast dat verweerders blijkens hun besluit er vanuit gaan dat de bedrijfsgronden en de opstallen van appellant geheel in het plan liggen en dat het bedrijf bij de uitvoering van dit plan zal moeten wijken.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de huiskavel van appellant met 27 ha aan bedrijfsgronden niet in dit plan is opgenomen, maar dat appellant bij uitvoering van het plan ruim 11,5 ha van de 38,5 ha aan bedrijfsgronden verliest. Deze 11,5 ha, die hij van de gemeente pacht, liggen aan de oostzijde van de A50, die in aanleg is en die de bedrijfsgronden van appellant doorsnijdt. Verweerders zijn bij hun besluitvorming derhalve uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie.

Voorts is niet duidelijk of en in hoeverre appellant door het verlies van deze gronden zijn bedrijfsactiviteiten ter plaatse nog rendabel zal kunnen voortzetten. Verweerders hebben derhalve ook onvoldoende onderzocht of het belang van appellant bij een ongehinderde voortzetting van zijn bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied moet wijken voor de belangen gemoeid met de in het plan opgenomen bestemmingswijziging.

Gelet hierop is het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de bedrijfsgronden die appellant binnen het plangebied in gebruik heeft, niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7. Nu ten aanzien van appellant niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een veroordeling van verweerders in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Overijssel van 22 mei 2001, RWB/2000/4056, voorzover het betreft de goedkeuring van het plandeel als nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III. gelast dat de provincie Overijssel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. De Rooy

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

291-411.