Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200104195/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104195/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 17 juli 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Haren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 1998 hebben burgemeester en wethouders van Haren (hierna: burgemeester en wethouders) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 9 januari 1999 de verbinding tussen de twee zomerhuizen op de percelen [locatie], kadastraal bekend gemeente […] sectie […], nrs. […], af te breken en te verwijderen.

Bij besluit van 13 december 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 15 september 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juli 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. T. Knoop, advocaat te Groningen, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en W.A. Holtjer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellant zijn beroepsgrond dat de rechtbank miskent dat bouwen zonder bouwvergunning moet worden onderscheiden van bouwen in afwijking van een bouwvergunning, ingetrokken.

2.2. Vaststaat dat appellant, zonder dat hem bouwvergunning was verleend, een verbinding heeft aangebracht tussen de twee aan hem in eigendom toebehorende recreatiewoningen op de voormelde percelen.

De aan hem bij besluit van 17 februari 1995 verleende gewijzigde bouwvergunning ziet slechts op de herbouw (verplaatsing) van de recreatiewoning op het perceel [locatie].

Burgemeester en wethouders waren derhalve op grond van artikel 40 van de Woningwet, in samenhang met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd appellant onder het opleggen van een dwangsom aan te schrijven de verbinding tussen de woningen af te breken en te verwijderen.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Van een bijzonder geval kan sprake zijn indien concreet zicht is op legalisering.

Vaststaat dat geen mogelijkheid bestaat het verbindingsgedeelte te legaliseren. Bij uitspraak van 28 oktober 1999 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de weigering van burgemeester en wethouders hiervoor vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank hebben burgemeester en wethouders die vrijstelling terecht geweigerd, nu het verbindingsgedeelte noch met het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1956”, noch met het voorontwerp-bestemmingsplan “Paterswoldsemeer” in overeenstemming is.

2.4. Appellant betoogt dat burgemeester en wethouders miskennen dat de bouw van het verbindingsgedeelte vóór 1 januari 1996 is voltooid, zodat dit bouwwerk door hen blijkens hun handhavingsbeleid, zoals beschreven in de Notitie met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van het voorontwerp-bestemmingsplan “Paterswoldsemeer” ten aanzien van de minimale onderlinge afstanden tussen zomerhuizen en/of stacaravans van 23 januari 1996 (hierna: de Notitie), moet worden gedoogd.

2.5. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het voormelde beleid, nog daargelaten het antwoord op de vraag of de bouw van het verbindingsgedeelte vóór 1 januari 1996 is voltooid, niet van toepassing is op het onderhavige geval, nu appellant aan het handelen van burgemeester en wethouders niet de verwachting heeft kunnen ontlenen dat handhavend optreden ten aanzien van het verbindingsgedeelte achterwege zou blijven. In de Notitie wordt gesteld dat er “in zekere mate tegemoet [dient] te worden gekomen aan gerechtvaardigde verlangens van de eigenaren/gebruikers van zomerhuizen/stacaravans ter plekke”. Gebleken is, en dit wordt ook door appellant niet betwist, dat het hem reeds vanaf 1994, dus geruime tijd voordat het voormelde handhavingsbeleid van kracht werd en voordat hij begon met de bouw, bekend was dat het verbinden van de twee recreatiewoningen door burgemeester en wethouders niet werd toegestaan wegens strijd met het geldende bestemmingsplan en het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Van gerechtvaardigde verlangens als waarop de Notitie ziet kon derhalve bij appellant geen sprake zijn.

De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht overwogen dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders van handhavend optreden hadden behoren af te zien, niet is gebleken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Glerum

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

273-394.