Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE6223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
200004790/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200004790/1.

Datum uitspraak: 7 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. De gemeenteraad van Margraten,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2000 heeft de gemeenteraad van Margraten, op voorstel van burgemeester en wethouders van 18 januari 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Aan de Fremme".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 29 augustus 2000, kenmerk 2000/35145M, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 6 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2000, appellant sub 2 bij brief van 19 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2000, en appellant sub 3 bij brief van 24 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2000, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 oktober 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 januari 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2002, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.A. Sanders, ambtenaar van de gemeente, appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.J. Janssen, gemachtigde, appellant sub 3, in persoon en bijgestaan door

mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, advocaat te Meerssen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. G.L. Kluter, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op het bedrijventerrein “Aan de Fremme”, gelegen ten oosten van de kern Margraten tussen de N278, de Holstraat en de Scheuldersteeg, en regelt zowel het bestaande bedrijventerrein als de uitbreiding ervan in oostelijke richting.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan het plan.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Bij brief van 9 november 2000 heeft de gemeenteraad zijn beroep ingetrokken wat betreft de onthouding van goedkeuring door verweerders aan de aanduiding op de plankaart van de zone waarbinnen met toepassing van een vrijstellingsbevoegdheid bedrijfswoningen mogen worden opgericht.

2.4.1. De gemeenteraad en [appellant sub 3] stellen in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” aan de noordzijde van het plangebied.

De gemeenteraad betoogt dat hoewel de bebouwingscontour voor de kern Margraten reeds bekend was op 30 maart 1999 toen verweerders het ontwerp van de “Partiële streekplanherziening Openruimte- en Bufferzonebeleid Zuid-Limburg” hebben vastgesteld, de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen (PCGP) in haar advies van 6 mei 1999 niet rept over de in het bestemmingsplan opgenomen begrenzing. Voorts stelt appellant dat uitbreiding van het bedrijventerrein noodzakelijk is in het belang van de bedrijvigheid in de gemeente Margraten en het overige zorggebied. Ook de PCGP heeft deze noodzaak volgens appellant erkend.

[appellant sub 3] betoogt dat het plan in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat de gronden van de gemeente Margraten waarop evenbedoeld plandeel betrekking heeft, binnen het plan zijn opgenomen met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”, terwijl dat niet het geval is met zijn gronden, die hiernaast liggen. Hij is van mening dat zijn aangrenzende gronden voor een logische afronding van het plangebied ook in het plan moeten worden opgenomen met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”.

2.4.2. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het betrokken plandeel buiten de bebouwingscontour zoals neergelegd in de “Partiële streekplanherziening Openruimte- en Bufferzonebeleid Zuid-Limburg” ligt en dat de in het plan voorziene overschrijding van de contour een onaanvaardbare inbreuk op het “basiskapitaal” vormt. Voorts zien zij geen noodzaak voor de aanwijzing van een of meer regionaal verzorgende bedrijventerreinen op het platteland. Voorts stellen verweerders dat de door [appellant sub 3] gewenste uitbreiding van het plangebied vanuit landschappelijk oogpunt en gelet op de contour zoals neergelegd in de streekplanherziening, onaanvaardbaar is.

2.4.3. Op 17 december 1999 hebben provinciale staten van Limburg vastgesteld de “Partiële streekplanherziening Openruimte- en Bufferzonebeleid Zuid-Limburg” (hierna: de streekplanherziening). De streekplanherziening bevat bebouwingscontouren voor de kernen in Zuid-Limburg. In de streekplanherziening is vermeld dat de contour moet worden beschouwd als een harde lijn die niet overschreden mag worden met nieuwe woon- en bedrijfsbebouwing. De contouren zijn in een contourenatlas op perceelsniveau aangegeven (schaal 1:10.000). De kern Margraten maakt deel uit van het gebied waarop de streekplanherziening betrekking heeft en is voorzien van een bebouwingscontour.

2.4.4. Het karakter van de toetsing van een bestemmingsplan door gedeputeerde staten brengt met zich dat alle feiten en omstandigheden die zich tot aan het nemen van het besluit omtrent de goedkeuring hebben voorgedaan in aanmerking moeten worden genomen. Het besluit tot vaststelling van de bebouwingscontouren was ten tijde van het bestreden besluit in werking getreden. Hieruit volgt dat verweerders het plan mede aan de contour uit de streekplanherziening dienden te toetsen. Hetgeen de gemeenteraad van Margraten heeft aangevoerd omtrent de advisering door de PCGP doet aan dit oordeel niet af. Overigens zijn verweerders bij hun besluitvorming niet gebonden aan het advies van de PCGP, zodat appellant reeds hierom geen rechtens te honoreren verwachtingen aan dit advies kon ontlenen.

2.4.5. Verweerders hebben zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het desbetreffende plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” de bebouwingscontour overschrijdt. De Afdeling is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerders aanleiding hadden moeten zien toepassing te geven aan de marginale afwijkingsmogelijkheden die in de streekplanherziening zijn aangegeven.

2.4.6. Nu de contour zich verzet tegen uitbreiding van het bedrijventerrein, kan het betoog van de gemeenteraad, dat grote behoefte bestaat aan de uitbreiding, hem niet baten. Ook dit betoog faalt derhalve.

2.4.7. Voor zover [appellant sub 3] een uitbreiding van het plangebied met zijn gronden wenst te bereiken, faalt het beroep. Hiertoe overweegt de Afdeling dat, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, aan de gemeenteraad in beginsel beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. Hiervan is echter geen sprake, gelet op de bebouwingscontour rond de kern Margraten.

Het beroep van [appellant sub 3] op het gelijkheidsbeginsel faalt. Verweerders hebben immers aan het desbetreffende plandeel goedkeuring onthouden, zodat dit onderdeel van het beroep feitelijke grondslag mist.

2.4.8. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben daarom in zoverre terecht goedkeuring onthouden aan het plan.

De beroepen van de gemeenteraad en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

2.4.9. Overigens merkt de Afdeling nog op dat zij bij haar uitspraak van 17 juli 2002, no. 200001555/1, het door het gemeentebestuur van Margraten ingestelde beroep tegen het besluit van provinciale staten van Limburg van 17 december 1999 waarbij bovengenoemde streekplanherziening is vastgesteld, wat betreft de contour van Margraten voor zover het betreft de noordelijke begrenzing van de uitbreiding van het bedrijventerrein “Aan de Fremme”, ongegrond heeft verklaard.

2.5. [appellant sub 2] stelt in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de op de plankaart aangegeven vestigingslijn voor de toelating van bedrijfswoningen. Hij meent dat in het plan de mogelijkheid moet worden opgenomen om bedrijfswoningen op zijn bedrijfslocatie op de percelen kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie […], nos. […], […] en […], op te richten. Appellant betoogt dat de bouw van bedrijfswoningen geen beperkingen voor de omliggende bedrijven zal veroorzaken. Voorts stelt appellant dat de aanwezigheid van bedrijfswoningen de veiligheid op het bedrijventerrein zal bevorderen.

2.5.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de toelaatbaarheid van bedrijfswoningen in het desbetreffende gebied een efficiënte benutting van het bedrijventerrein in de weg kan staan, hetgeen strijdt met het provinciaal beleid dat is gericht op een zuinig gebruik van ruimte.

2.5.2. De Afdeling acht het niet onredelijk dat verweerders bij de afweging van belangen meer gewicht hebben toegekend aan het belang van een efficiënt gebruik van de beperkte ruimte op het bedrijventerrein dan aan de door appellant gestelde belangen. Dat verweerders hierbij in aanmerking hebben genomen dat de door appellant gewenste bedrijfswoningen een beperking voor later te vestigen bedrijven kunnen vormen, acht de Afdeling evenmin onredelijk.

2.5.3. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. O. de Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Veenman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Veenman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002

177-400.